Berichtgeving in media over pedofilie is veel te negatief

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Al op heel jonge leeftijd ging ik uit noodzaak seksuele contacten aan met oudere en volwassen jongens. Uit noodzaak, want seksuele contacten met leeftijdgenootjes liepen altijd uit op drama's. Als je heel jong aanleg toont om mooi viool te spelen of goed kunt tekenen, dan word je daarin op alle mogelijke manieren door je omgeving (ouders, school) gestimuleerd. Ben je, zoals ik dat was, behoorlijk vroegrijp, dan zijn de reacties van die omgeving minder plezierig en uitsluitend gericht op onderdrukking van de getoonde belangstelling in erotiek en seksualiteit. [...]

Het ergst waren dan nog de ware "kruisverhoren" die ik moest ondergaan - de "zaak" werd natuurlijk tot op de bodem uitgezocht, als betrof het een halsmisdrijf - en waarbij ik voortdurend met de woorden vies en smerig, en soms zelfs met de vlakke hand, om de oren werd geslagen. [...] Vooral begreep ik met de beste wil van de wereld niet wat er smerig was aan wat ik had gedaan. Ik begon te denken dat er iets mis met mij moest zijn. Ik kreeg meer en meer een hekel aan mijzelf. Mijn gedrag en karakter veranderden volkomen. Ik werd overactief, agressief, begon in bed te plassen. Ten einde raad liet mijn moeder zich door de huisarts verwijzen naar de kinderneuroloog. In die jaren (zestig) was de zielzorg nog bijna geheel farmaceutisch; ik werd dan ook volgestopt met pillen en poeders om mij in toom, maar meer nog onder de duim te houden. (Hieraan heb ik overgehouden een bijna volkomen ongevoeligheid voor de meeste medicijnen, ook heb ik soms last van geheugenstoornissen.) Ik kan mij uit die periode geen moment herinneren waarin ik me gelukkig voelde. Soms wenste ik echt dood te zijn. En ik was nog maar zes. [...]

In 1969 brak een zonnestraaltje door de donkere wolken van mijn leventje. Ik leerde hem, Richard, kennen toen hij 23 was. Niet lang daarna hebben we voor het eerst met elkaar gevrijd. Die eerste keer zal ik nooit meer vergeten. Ik wist niet was me overkwam. Eindelijk had ik iemand die het ook lekker vond, eindelijk iemand van wie ik wist dat-ie het niet aan zijn moeder zou vertellen. Het was zo'n heerlijk gevoel zo te worden aangeraakt door een ander, door iemand die me wilde. Een jaar daarna hebben we "het" voor het eerst gedaan. Door mijn ontmoeting met Richard werd alles anders. Ik werd rustig, plaste niet meer in bed. Ook was hij het die mijn muzikale gaven ontdekte en mij leerde luisteren naar muziek van het soort waarmee ik anders nooit in aanraking zou zijn gekomen. Hij stimuleerde mijn leer-, reken- en leesvaardigheid en op school werd ik de beste van de klas. Het was ook sindsdien dat ik veelvuldig contacten aanknoopte met oudere en volwassen jongens. Ik had daar nu eenmaal behoefte aan en wist dat ik niet vies of smerig was. Mijn "verkering" met Richard duurde tot mijn twaalfde. Het ging uit omdat hij ging trouwen; met een vrouw nota bene. Heel vaak denk ik aan deze heerlijke tijd terug. [...]

Nu de hetze tegen alles wat naar pedo riekt in volle gang is en positieve berichtgeving over pedoseksualiteit ook in de Volkskrant kennelijk vooralsnog, in overeenstemming met de nieuw-preutse geest van deze tijd, door ongetwijfeld de redactie niet "wenselijk" wordt geacht, zal het, na lezing van het voorgaande, duidelijk zijn dat ik mij op mijn ziel getrapt voel als iemand, in dit geval Piet de Moor, het in zijn van lijken, martelingen en slachtingen uitpuilende artikel nodig acht wat smerige insinuaties te moeten plaatsen in de trant van het verhaaltje over Ome Fritz. Werkelijk, flauwer kan het niet. Ik vind het niet eerlijk van De Moor dat hij, na zijn artikel voltooid te hebben, de lezer nog even naroept: "En die pedo's, daar ben ik ook tegen hoor!", alsof hij de lezer gerust wil stellen dat hijzelf toch beslist een fatsoenlijke kerel is.

bron: Ingezonden brief 'Berichtgeving in media over pedofilie is veel te negatief' door Maurits Reijnen (Amsterdam); De Volkskrant; 1991