De gemanipuleerde psyche - Heterofiele pedofilie

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: Hardy Sigfrid Scheller

Bedenk dat: als U tijdens het lezen taalfouten zult komen... de schrijver en ook de letterzetter Duitsers zijn en deshalve de Nederlandse taal niet voldoende machtig zijn. Voor deze ongemakken bied ik bij voorbaat mijn verontschuldigingen aan. -- H.S. Scheller

Inleiding

Wie zich over het verschijnsel pedofilie een kritische mening wil voornemen zal nauwelijks kunnen vermijden grondig na te denken over het verschijnsel van de degeneratie van het bewustzijn van de waarde van het seksuele: want alleen vanuit het laatste is het eerste te begrijpen (Professor Bürger-Prinz)

De lezer moet dan ook niet al te ongeduldig worden als tot op de helft van deze propedofiele beschouwing maar weinig gezegd wordt over pedofilie maar des te meer over onze verwrongen instelling ten opzichte van de seksualiteit.

'De Gemanipuleerde Psyche' pretendeert in het geheel niet het probleem van de pedofilie grondig te behandelen. Het is eerder als een aanzet om na te denken bedoeld, als een stuk informatie met behulp waarvan het probleem ook eens vanuit een andere gezichtshoek bekeken kan worden ... en waardoor dan misschien sommige vooringenomen meningen herzien zouden kunnen worden.

Hierbij dient men wel te bedenken dat veel, in het bijzonder de in werkelijkheid veel gecompliceerde psychische verbanden (die meer in detail maar moeizaam verklaard kunnen worden), in het belang van een betere begrijpelijkheid sterk vereenvoudigd moeten worden beschreven.

De pedofiel zelf zou deze kleine verhandeling moeten helpen over zichzelf na te denken, onterechte schuld- en minderwaardigheidsgevoelens te verminderen en zijn ethisch-morele roeping te herkennen.

Tegelen (Holland), februari 1980
Hardy Sigfrid Scheller

HOOFDSTUK EEN

De seksualiteit is een drift die de persoonlijkheid vormt. Onderwerpt men de seksualiteit dan onderwerpt men de gehele persoonlijkheid en de mens kan van buitenaf beheerst worden.

Op zich is de kennis van het verband tussen seksuele kneveling en onderworpenheid zeldzaam noch nieuw. Integendeel, deze kennis is in vele beroepen de grondslag van bewust toegepaste dierpsychologische manieren van werken. Iedere dompteur, iedere dressuurruiter, iedere boer die dieren voor de arbeid houdt past deze methode toe. Zij allen weten uit ervaring dat de onderdrukking en het aan regels binden van seksuele driften een voorwaarde is voor de onderwerping, een voorwaarde is voor de dressuur op zich. Verbazingwekkend is het daarbij alleen dat de mens zijn ogen sluit voor het feit dat hij door zijn gelijken met precies dezelfde methoden gemanipuleerd en onderworpen wordt; in de grond gedresseerd wordt.

Alleen de seksueel onderworpen mens laat zich zo grondig manipuleren dat hij een gewillige onderdaan wordt van de machthebbers en hij zijn belangen kritiekloos aan die van zijn overheersers ondergeschikt maakt. De in zijn driften gestoorde, gemanipuleerde mens is ook de typische onderdaan die zich braaf en zonder weerstand te bieden laat uitbuiten, die bevelen opvolgt en die, als de machthebbers verklaren dat het goed is, voor hen zonder nadenken misdaden tegen zijn naasten begaat.

Hij is ook het in de verloochening van zijn persoonlijkheid onbegrijpelijke wezen dat zich in kazernes en bij manoeuvres in het doden oefent om tenslotte in een zinloze oorlog of een gruwelijke machtstrijd van de heersers ook inderdaad te doden en zich voor hen te laten afslachten.

Zo'n afschrikwekkende manipulatie van mensen vindt op meer of minder grote schaal plaats in alle landen van het kultuurgebied van het Christelijke avondland.

Dat is alleen mogelijk omdat zij die manipuleren, onverschillig wat hun politieke of wetenschappelijke achtergrond is, de sleutel tot de menselijke psyche kennen: de seksualiteit!

De greep naar de seksualiteit is de greep naar de macht over de mens!

HOOFDSTUK TWEE

Er is enige zelfoverwinning voor nodig en de moed een onaangename waarheid onder ogen te zien om deze stelling kritisch, zonder emotie en zakelijk op zijn juistheid te onderzoeken. Dat veronderstelt het inzicht dat wij allen inderdaad seksueel gekneveld zijn; dat wil zeggen in onze houding tegenover de seksualiteit duidelijk gestoord zijn. Tegen een dergelijke konklusie verdedigt degene die in zijn eigenwaarde getroffen is zich door te zeggen dat hij zich seksueel helemaal vrij en gezond voelt, dat hij potent genoeg is en dat hij in de verhouding met zijn partner echt geen problemen hoeft te overwinnen.

Zulke argumenten als bewijs van seksuele gezondheid moeten voorzichtig beoordeeld worden. Misschien gelden ze voor een enkeling inderdaad maar konklusies kunnen er alleen uit getrokken worden over de prestaties in bed die vaak in de relatie met een 'toegestane' partner relatief goed blijven. Over een gezond besef van seksualiteit zeggen ze echter weinig.

Waar het werkelijk op aankomt is de natuurlijke onbevangenheid tegenover de seksualiteit; de aanvaarding ervan en de erkenning dat het ten goede gerichte kracht is die ons bestaan verrijkt. Alleen zo'n positieve, echt uit de ziel komende instelling tegenover de seksualiteit kan het kriterium zijn voor een gezonde beleving ervan. Die instelling is helaas geen regel maar op zijn best hoge uitzondering.

In de stelling dat iedereen in de beschaafde wereld seksueel onderdrukt wordt moet 'seksueel' dan ook niet alleen worden opgevat in de beperkte betekenis die er doorgaans aan gegeven wordt maar veel meer als de 'seksualiteit als een alles omvattend fenomeen in ons bestaan'.

Dit onderscheid is belangrijk want het volgende argument dat beslist naar voren gebracht zal worden is dat de veronderstelde seksuele onderwerping toch alleen op de oudere generatie van toepassing is; de jongeren hebben immers zoals bekend in de laatste twintig jaar een 'seksuele revolutie' meegemaakt die ongeëvenaard is in de geschiedenis van de zeden van het avondland.

In principe is dit juist. In de seksualiteit hebben inderdaad in het jongste verleden veranderingen plaatsgevonden die in het zogenoemde 'NoellelNeumann-Kommentar' optimistisch als 'seksuele revolutie' en door anderen nog optimistischer als 'een evolutionair proces van seksuele emancipatie' gekenschetst zijn.

Wij zullen zien dat beide meningen maar ten dele juist zijn. Wat namelijk in beide gevallen ten onrechte als seksuele vrijheid beschouwd wordt is in werkelijkheid niet meer dan seksuele vrijmoedigheid die met echte emancipatie maar zijdelings te maken heeft. Deze vrijmoedigheid houdt zich allereerst bezig met de gedragingen in bed en treft maar zelden de kern van de zaak, te weten de bevrijding van het verkeerd geprogrammeerde seksuele bewustzijn.

Om dat te verduidelijken zullen wij in het volgende hoofdstuk proberen de drie groepen te typeren waarin, aan de hand van hun specifiek gedrag, diegenen die zich seksueel geëmancipeerd voelen verdeeld kunnen worden. Daaruit zullen wij dan konklusies trekken over hun seksuele bewustzijn, respectievelijk onderzoeken of de zogenaamde emancipatie hen inderdaad bewust gemaakt heeft of toch alleen een oppervlakkige uitwerking gehad.

HOOFDSTUK DRIE

Ver verwijderd van werkelijke seksuele vrijheid en in het geheel niet geëmancipeerd is de opmerkelijke 'desondanks naar bed groep'. Dit is de groep die het meeste voorkomt. Hij is samengesteld uit meest jongere mensen van beiderlei kunne, van verschillende ontwikkelingsniveaus en uit verschillende milieus afkomstig die daarin overeenkomen dat zij het begrip 'seksuele vrijheid' nadrukkelijk niet begrepen hebben. Zij zijn nog helemaal overtuigd van de absolute waarheid en de geldigheid van traditionele opvattingen die de seksualiteit negeren. Hierop reageren zij echter met een mengsel van kinderlijke trots en onverschilligheid. Zij zijn van mening dat hun 'desondanks-methode' rijpheid, mondigheid en kracht bewijst. 'Ik ben volwassen en ik mag alles' is hun motto. Zij brengen de seksualiteit terug tot een puur genitaal gebeuren, de geslachtsdaad, die zij met meer of minder vaak wisselende partners zo vaak beoefenen als de omstandigheden en de potentie het toelaten. Zij geloven dan dat dit de nagestreefde seksuele vrijheid is.

Bij de 'desondanks naar bed groep' zijn alleen de meest opvallende symptomen van het zieke, gemanipuleerde bewustzijn gekamoefleerd. Hun zogenaamde 'seksuele revolutie' heeft niet geleid tot de nagestreefde bevrijding van de seksualiteit maar tot zijn verbanning naar het terrein van het endocriene systeem. Hun alleen vanuit dit ghetto overgeactiveerde seksualiteit is een vorm van manipulatie die zeker gelijkwaardig hoewel tegenovergesteld is aan de puriteinse frustratie.

Hoe diep bij de 'desondanks naar bed groep' ondanks hun demonstratief vertoon van seksuele vrijmoedigheid de de seksualiteit negerende waardebepalingen nog altijd geworteld zijn blijkt het duidelijkst als iemand de zuster of de dochter van een dergelijke pseudo-geëmancipeerde met intieme bedoelingen benadert. Dan ontwaakt namelijk plotseling het fout geprogrammeerde 'zedelijke geweten' en dezelfde persoon die zojuist nog een overzadigbare seksconsument was is nu de puriteinse zedenrechter en de ijverige beschermer van de 'eer, reinheid en kuisheid' van zuster of dochter... en die hele stoffige woordenschat wordt plechtig uit de mottenballen tevoorschijn gehaald.

De tweede kategorie van seksueel geknevelden die toch menen dat zij seksueel geëmancipeerd zijn zijn de 'verstands-seksisten' van wie seksuele emancipatie in de grond genomen overgecompenseerd hebben en op het rationele plan in een bedrieglijke schijnvrijheid gevlucht zijn. Zij koketteren met woorden die de seksualiteit uit de taboesfeer moeten halen en koesteren zich zelfvoldaan in de vrijmoedigheid ervan. Als ze zakelijk en wetenschappelijk over seksuele zaken debatteren klinken hun ideeën bijna verstandig. Misschien zijn ze het zelf wel. Maar tussen hun belijdenissen met de mond en hun praktische bereidheid tot tolerantie staat een onneembare muur van voorbehoud en angst voor de werkelijkheid.

Tot de gemeenschap van de seksueel onderdrukten horen de 'verstands-seksisten' echter voor alles omdat hun gemanipuleerde morele gevoel hen verhindert de werkelijke oorzaken van de ziekelijke instelling van de geciviliseerde mens op seksueel gebied te onderkennen. Zij gaan van de slechts gedeeltelijk juiste stelling uit dat het probleem alleen zou liggen in de seksuele frustratie. De oorzaak daarvan zouden dan de te strenge zedelijke verboden zijn die een belemmering vormen voor de bereidheid erotische ervaringen te ondergaan. Op grond daarvan zien zijn seksuele bevrijding alleen als een geleidelijk losser worden van de traditionele zedelijke opvattingen maar staan met hun oude, niet overwonnen remmingen een verdergaande principiële hervorming in de weg.

De derde en konservatiefste groep van de slechts schijnbaar seksueel geëmancipeerden zijn de zogenaamde 'seks-realisten'. Zij accepteren de seksualiteit weliswaar, maar alleen als onveranderlijke realiteit die dan biologisch wel noodzakelijk is maar eigenlijk toch wel een beetje een pijnlijke toegift van de natuur bij ons menszijn betekent. In hun trouwhartig streven iets te rechtvaardigen dat geen rechtvaardiging nodig heeft klampen zij zich vast aan het niet te weerleggen feit dat de seksualiteit een gegeven van de natuur is en leiden daaruit af dat hij dus 'moreel legitiem' is. Op grond van de psychohygiëne erkennen ze ook dat een 'volwassen mens' vrijuit over seksuele problemen zou mogen spreken zonder zich te hoeven generen en dat niemand een slecht geweten zou hoeven hebben als hij van de 'plezierige kanten' van de seksualiteit geniet. Maar wel zolang alles 'gewoon' blijft en vooral binnen redelijke grenzen.

De 'seks-realisten' beschouwen de seksualiteit als een 'op de een of andere manier negatieve' maar voor de doorsneemens niet te veranderen realiteit waarbij het dan maar het beste is van deze onveranderlijkheid een gebod van het menselijke verstand te maken.

'Tenslotte', redeneren zij, 'kan niemand het helpen dat de natuur hem voorzien heeft van een dwingende seksuele drift.'

'Maar', krabbelen zij meteen weer terug, 'dat is geen vrijbrief voor algemene zedenloosheid!' En zedenloos noemen de 'seks-realisten' bijna alles wat zich op seksueel gebied afspeelt buiten de 'normale' heterofiele verhoudingen.

Toch vinden de 'seks-realisten' zichzelf geëmancipeerd en zijn ze trots op hun 'vooruitstrevenheid'. Zij maken daarop aanspraak op grond van het kleine onderscheid tussen hun erkenning van de seksualiteit als een 'neutrale' natuurlijke drift - een erkenning die voor hen echter nauwelijks konsekwenties heeft - en het beschaamde doodzwijgen dat in vroeger tijden regel was.

HOOFDSTUK VIER

De in het vorige hoofdstuk geschetste en andere daaraan praktisch gelijke opvattingen over seksualiteit zijn ongeveer de grenzen van wat men onder de pretentieuze naam 'seksuele emancipatie' gewoonlijk aantreft. Mensen die werkelijk onbevangen positief tegenover seksualiteit staan en de zedelijk waardevolle kracht ervan erkennen die hij, mits goed begrepen, vormt, zijn een zeer kleine minderheid.

Waaraan ligt dat? Hoe is zoiets in onze verlichte tijd mogelijk?

Het antwoord is niet al te moeilijk voor iedereen die probeert over zichzelf en de wereld om hem heen wat meer na te denken dan algemeen gebruikelijk is: Het ligt aan het systeem! Aan het systeem van manipulatie van het seksuele bewustzijn in dienst van de vervorming van de persoonlijkheid!

Het zwaartepunt ligt hierbij op het begrip 'vervorming van de persoonlijkheid'. De menselijke persoonlijkheid is in zijn wezen vrij en niet vervormd en verzet zich instinktief tegen onderwerping en overheerst worden. Door de tijden heen zijn er groepen aan de macht geweest die probeerden anderen te overheersen. Steeds zagen - en zien - zij zich gedwongen de vrije en tegenstrevende persoonlijkheid van de slachtoffers van hun streven naar onderwerping te doen buigen en hen geestelijk te vervormen. De manipulatie van het seksuele bewustzijn is dus geen doel op zich maar een middel om een doel te bereiken.

Door een groot aantal instituten wordt een leugenachtige seksuele moraal zo intensief en dieptepsychologisch werkzaam verbreid dat de op die manier voortdurend belaagde mens de tegennatuurlijkheid ervan als natuurlijk gaat ervaren. Daarbij gaat het de regisseurs die zich achter deze broddelende morele psychopaten verschuilen niet om de door hen geënsceneerde seksuele moraal als zodanig. Hen interesseert alleen het neveneffect van de storing van het seksuele bewustzijn, die ontstaat door de tegennatuurlijke seksuele dressuur. Dat is de verstoring van de gehele persoonlijkheid die de bereidheid meebrengt zich door anderen te laten overheersen.

In de loop van de eeuwen bereiken de manipuleerders dit doel met steeds minder moeite. De leer dat de menselijke seksuele drift niet verenigbaar zou zijn met het ideaal van zedelijke volmaaktheid heeft namelijk als een door de traditie geheiligd kultuurgoed diep in het bewustzijn van de mens uit het avondland wortel geschoten en eist daarin steeds de aandacht.

Dit behoeft geen verwondering te wekken omdat immers alles wat gedurende langere tijd traditie is, uiteindelijk een ritueel, bijna religieus karakter krijgt waarvan het betreffende individu niet meer loskomt zonder dat als 'kulturele heiligschennis' te ervaren.

De kultuurmens van onze huidige tijd die generaties lang met valse seksuele wetten, die alleen van nut geweest zijn voor degenen die hem manipuleerden, geïndoctrineerd is, komt weliswaar in opstand tegen de beperkingen die deze leer hem in zijn seksuele gedrag oplegt, maar vermijd opzettelijk te twijfelen aan de leerstellingen zelf. Die beschouwt hij onbewust als een onaantastbare 'oerwaarheid' waarvan hij de bezwarende consequenties alleen denkt te kunnen omzeilen door tegenover deze vermeende 'oerwaarheid' uitspraken te stellen als 'de geest is gewillig maar het vlees is zwak'. Met zo'n uitspraak, die in zijn ogen evengoed een 'oerwaarheid' is, kompenseert hij de bezwarende consequenties van die andere.

Het resultaat van een dergelijke 'oppervlakte revolutie' die niet probeert de steen des aanstoots te verwijderen, maar alleen de gevolgen ervan te neutraliseren, kan op zijn best leiden tot zulke vormen van pseudo-emancipatie als in het vorige hoofdstuk beschreven werden.

HOOFDSTUK VIJF

Het systeem is onopvallend en bijna perfekt. Maar slechts bijna. Af en toe gebeurt er een ongelukje. Bij deze of gene gemanipuleerde komt het misbruikte 'ik' in opstand.

De opstand is echter chaotisch. Dat betekent dat uit het manipuleringsschema afzonderlijke driften losbreken waarvan de geïsoleerde werking zonder medewerking van de nog geknevelde driften tot extreme gedragspatronen leiden. De gerichte verstoring van het evenwicht tussen altruïsme en egoïsme, de natuurlijke bron van ethiek en moraal, raakt op die manier buiten de kontrole van de manipuleerder.

Het resultaat is onplezierig en heeft veel namen: moord, doodslag, verkrachting, afpersing, diefstal, roof, bedrog, terrorisme...

Zulke 'ongelukjes' komen tamelijk vaak voor en zijn ingecalculeerd. Voor hun slachtoffers is het begrip misdadiger uitgevonden en de formule van schuld en boete.

HOOFDSTUK ZES

Over het wezen van de seksualiteit is de mens niet pas sinds Sigmund Freud ingelicht. Zijn veelzijdige, dus niet uitsluitend tot de geslachtsdrift beperkte, persoonlijkheidsvormende kracht was al in het grijze verleden aan de wieg van de beschaving bekend. Er zijn legio aanknopingspunten voor het vermoeden dat in de dagen de leden van de priesterkaste, de wetenschapsmensen van die dagen, al gericht met de seksualiteit experimenteerden en er de sleutel tot de menselijke psyche in vonden.

In ieder geval ontdekten ze dat er slechts een handige bespeling van het menselijke seksuele instinct voor nodig was om de totale persoonlijkheid uit zijn evenwicht te brengen en zo de mensen volgzaam te maken.

De kennis van dit principe van mensen te beheersen is steeds van beschaving op beschaving doorgegeven. Het is zeker geen toeval dat er sinds mensenheugenis geen godsdienst of ander gehoorzaam eisend instituut geweest is dat niet op een of andere, meestal negatieve manier, regulerend is opgetreden ten aanzien van het seksuele bewustzijn van de mensen waardoor zij macht konden uitoefenen.

HOOFDSTUK ZEVEN

In een jonger verleden is de methode van beïnvloeding van het menselijke seksuele bewustzijn geperfektioneerd en volgens het principe van de vicieuze cirkel een automatisch werkend systeem geworden waardoor al te opvallend ingrijpen van de manipuleerders en hun knechten niet meer nodig is. De overheid kan zich er nu toe beperken de status quo te handhaven en hij kan zelf met een zekere rust zogenaamde 'seksuele revoluties' als ongevaarlijk bestempelen omdat wel gebleken is dat die in de regel alleen de uiterlijke seksuele gedragspatronen beïnvloeden maar de echte programmering van het seksuele bewustzijn onaangetast laten.

De godsdienstige of met een andere ideologie getooide programmering die als een in duizenden jaren geweven en steeds verbeterd fijnmazig net iedere vezel van zijn bewustzijn omsluit verhindert de mens in alle opzichten zijn slavenketenen te herkennen en zich ertegen te verzetten. Integendeel, hij is trots op zijn ketenen, noemt ze ten onrechte een 'gezonde moraal' en geeft ze trouw van geslacht op geslacht door.

Door seksuele onthouding en door het in een kwaad daglicht stellen van alles wat met seksualiteit te maken heeft zijn ouders in hun kinderjaren in hun seksuele bewustzijn gestoord. Zij kunnen zich niet ontworstelen aan hun ziekelijke instelling tegenover de seksualiteit en handelen in zeker opzicht psychologisch dwangmatig als ze dan op hun beurt hun kinderen op dezelfde manier seksueel mismaken en ziekelijk manipuleren. Als die kinderen dan weer kinderen krijgen worden ook die weer om dezelfde redenen op dezelfde manier onder druk gezet...

De kring is rond. De enige manier om aan deze vicieuze cirkel te ontsnappen zou een doornreking van buitenaf zijn!

Wat heeft dat te maken met pedofilie?

Iedereen weet (of zou moeten weten) dat de menselijke seksualiteit niet pas tijdens de puberteit 'spontaan ontstaat' maar dat hij al bij de geboorte in ieder van ons aanwezig is.

Helemaal in de geest van de manipuleerders is het daarom het meest doeltreffend de dressuur van de seksualiteit in de kinderjaren te beginnen. Bij de greep naar de seksualiteit als middel tot knechting beloofd het kind de beste resultaten. De kindergeest is nog kneedbaar en staat open voor indrukken en is dus het geëigende doel voor de persoonlijkheid schadende beïnvloeding.

Na de puberteit zou het te laat zijn! Zou men toestaan dat de seksualiteit die het kind eigen is de gelegenheid zou krijgen ongehinderd en natuurlijk te rijpen dan zouden latere pogingen om alsnog te manipuleren door het 'ik' als zodanig herkent en afgewezen worden.

D a a r o m maakt men op seksueel gebied van het kind een 'heilige koe' en negeert men opzettelijk de kinderlijke seksualiteit. Als die al te duidelijk zichtbaar wordt onderdrukt men hem met alle ten dienst staande middelen. Naast lijfstraffen voor iedere overtreding van het 'taboe' wordt het kind ook nog geestelijk beschadigd doordat men zijn seksuele gedachten zondig en verdorven noemt en de hele seksualiteit, maar in het bijzonder de praktijk ervan, negeert en belastert.

Dat is de meest gebruikelijke, de zekerste... maar ook de verfoeilijkste manier om de rijping van een onbedorven seksueel bewustzijn en daardoor tevens die van een gezonde persoonlijkheidsstruktuur te saboteren en te verhinderen.

De pedofiel doet het tegendeel!

HOOFDSTUK ACHT

Zelfs moderne ouders die hun kinderen al vroeg op het verstandelijke vlak seksuele voorlichting geven kunnen daardoor niet verhinderen dat de houding van hun kind tegenover zijn seksualiteit duidelijk gestoord wordt.

Integendeel, de gebruikelijke seksuele voorlichting met zijn biologisch materialisme en zijn van overheidswege beschermde 'neutraliteit' ('Wertfreiheit') zoals ze bijvoorbeeld op Duitse scholen onder de even pretentieuze als misleidende naam 'seksuele opvoeding' in de praktijk gebracht wordt brengt de voorstellingswereld van het kind slechts in verwarring. Het is onzin het kind te vertellen over samenhang tussen verwekking en geboorte maar de seksuele gevoelswereld waarop het tenslotte in hoofdzaak aankomt uit te sluiten. Net als vroeger blijft het kind op dit belangrijkste gebied overgeleverd aan de negatieve dwaalleer van zijn omgeving en krijgt daarvan duidelijk te verstaan dat seksuele gevoelens en vooral de bevrediging ervan voor kinderen 'verboden vruchten' en streng taboe zijn.

Maar niemand is in staat het waarom van dit geheimzinnige onthoudingsgebod te verklaren... eenvoudigweg daarom niet omdat er geen redelijke verklaring is omdat degene aan wie zo'n verklaring gevraagd zou worden (stel dat dat gebeurt) zelf geen duidelijke voorstelling van dit 'waarom' heeft.

Wat doet een kind dan ook als het innerlijk de eerste nog tastende maar soms ook sterke drang heeft naar seksuele bevrediging? Wat kan het doen als het met deze drang niet alleen aan zichzelf overgelaten wordt maar ook nog door de dreigende verboden en reakties vol onbegrip van zijn omgeving wel tot de konklusie moet komen dat zijn seksuele drang tegennatuurlijk en onbehoorlijk is? Het schaamt zich voor zijn seksuele verlangens, beschouwt de bevrediging ervan als vies en vlucht in het gunstigste geval in heimelijke zelfbevrediging.

Nu klinkt dat laatste zeer onschuldig want vandaag neemt men algemeen aan dat zelfbevrediging onschadelijk is. In zeker opzicht is dit ook juist. Hier moet benadrukt worden dat de tendentieuze gruwelverhalen op dit gebied meestal iedere grond missen en overigens vroeger mateloos overdreven werden. De wetenschap wijst er met recht op dat echte psychische of fysieke schade door zelfbevrediging door het kind nauwelijks kunnen ontstaan.

Toch zou het fout zijn deze heimelijke spelletjes onder de dekens al te onschuldig voor te stellen of ze zelf als de 'natuurlijke uitweg' uit de seksuele nood van het kind positief te waarderen. Want wat hier uit het gezichtspunt van de arts helemaal juist is, namelijk de relatieve onwaarschijnlijkheid van ziekmakende gevolgen van de onanie is vanuit de psychologie met betrekking tot negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid niet zo onschuldig. In elk geval kan het 'alleen met zichzelf bezig zijn' voor en tijdens de bevrediging van lustgevoelens onder andere leiden tot een grotere egocentriciteit die zelfs tot narcisme kan uitgroeien.

In het bijzonder voor de seksuele ontwikkeling moet er bovendien rekening mee gehouden worden dat het rijpen van een gezond gevoel voor een relatie met een partner al in de kiem gesmoord wordt. In plaats daarvan ontwikkelt zich een op het 'ik' geconcentreerde vorm van lustbevrediging die het de volwassene dan later onmogelijk maakt echte liefde te beleven en hem zich laat beperken tot puur genitale relaties die in grond van de zaak weinig meer zijn dan de 'voortzetting van de onanie onder gebruikmaking van een menselijk lichaam van het andere geslacht'. Het afschuwelijke rekenvoorbeeld 'seks min menselijkheid is gelijk punktuele bevrediging' wordt al voorbestemd doordat het kind praktisch tot onanie gedwongen wordt.

Wat tegenwoordig in het algemeen onder seksuele pedagogie wordt verstaan is een typisch voorbeeld van onze gespleten instelling tegenover dit onderwerp en tegenover de seksualiteit in het algemeen. De beperking van de seksuele opvoeding tot uitsluitend het biologische terrein gaat aan het eigenlijke wezen van de seksualiteit voorbij.

Het is struisvogelpolitiek als ouders en opvoeders elkaar ervan overtuigen dat het kind seksueel neutraal (aseksueel) is en daarom geen seksuele gevoelens behoort te hebben.

HOOFDSTUK NEGEN

Het zaad waaruit de talrijke en veelvuldig gemuteerde hersenschimmen voortspruiten die de mensen op bijna ieder gebied van het leven een pseudomoraal van omgekeerde waarden inhameren is de onverantwoorde belastering van de seksualiteit.

Dit leidt tot een onoplosbaar konflikt: aan de ene kant merkt het slachtoffer dat hij dwingende seksuele driften heeft waarvan de bevrediging zo aangenaam is dat hij er niet buiten kan. Hij ziet ook in dat de seksualiteit noodzakelijk is voor de instandhouding van de soort en dat hij er tenslotte zijn eigen bestaan [aan] te danken heeft.

Aan de andere kant beweert echter zijn gemanipuleerde geest dat die seksualiteit juist slecht, vies, onrein en verwerpelijk is.

De met konfliktstof beladen discrepantie tussen zijn natuur en zijn zedelijke opvoeding laten de mens in zijn onderbewustzijn aan zichzelf wanhopen. Uit zijn naakte bestaan ontwikkelt hij al schuldgevoelens. Omdat hij onbewust de gevolgstrekking maakt dat hij het produkt zou zijn van een onzedelijke, amorele verwekking en daardoor met een 'erfzonde belast' verliest hij tegenover ethische en morele begrippen zijn onafhankelijke en kritische instelling en vraagt onbewust om leiding. Hij wordt in zijn meningen afhankelijk van anderen en zocht heilsleren die zich ertoe kunnen lenen zijn aangetaste gevoel van eigenwaarde op te vijzelen. En op deze eerste stap op de weg naar geestelijke afhankelijkheid begint de vlucht in een totale afhankelijkheid die maar al te vaak in blinde gehoorzaamheid eindigt.

Deze konfliktsituatie en de gevolgen ervan zijn een onderdeel van de psychische dwang die onderwerping van de persoonlijkheid door seksuele kneveling tot een automatisch systeem maken. De ware samenhang ontkennend beschouwt de mens niet zijn (niet herkende) seksuele kneveling als de reden van zijn permanente konfliktsituatie maar de seksualiteit op zich. Hij meent, hoewel dat in lijnrechte tegenspraak staat tot de funktie die de seksualiteit heeft voor de instandhouding van de soort, er een gevaar voor de mensheid in te moeten zien.

Dat prikkelt zijn onbaatzuchtige beschermingsinstinkten die zich op verkeerde gronden tegen de seksualiteit richten en zich concentreren op het kind dat zogenaamd 'nog voor seks gespaard is maar er wel door wordt bedreigd'.

In het irrationele streven konflikten te voorkomen door in het 'ontstaan van de seksualiteit' in te grijpen is iedereen ermee bezig het kind verre te houden van de seksuele realiteit en het daarvoor te 'behoeden'. Zo echter wordt de goedwillende 'beschermer' onbewust tot misdadiger tegenover het kind en tegenover de mensheid: juist door dit irrationele streven schept hij de oorzaken van het konflikt dat hij juist verhinderen wil.

HOOFDSTUK TIEN

De misschien een beetje overtrokken, maar in principe juiste formulering 'tot misdadiger tegenover het kind' is op dit moment aktueler dan ooit. In de wereld van onze grootouders funktioneerde het manipuleersysteem met uitzondering van de in het vijfde hoofdstuk genoemde 'ingecalculeerde ongelukjes' nog relatief probleemloos. Het bespiegelende en bescheiden leven in een wereld waarin het plaatselijke dagblad en het provinciale theater naast 'Katholiek Leven' de kulturele behoeften van de zogenaamde doorsneeburgers volledig bevredigden maakte het inderdaad mogelijk het kind weg te houden van het seksuele gebeuren in de buitenwereld; in zekere zin dit gebeuren voor hem te verbergen. De seksualiteit was weliswaar uiteindelijk nog erg genoeg maar tenminste minder pijnlijk.

Vandaag echter leven wij in een wereld van massamedia met een overvloedig aanbod van informatie, ontspanning en reclame; in een wereld van bruisende aktiviteit, alles omvattende kommunicatie en veelvuldige sociale kontakten. Vandaag wordt het kind iedere dag, ja bijna ieder uur, in de etalages van de sexshops op bijna iedere straathoek, door de geïllustreerde pers, in bioscoop en in veel T.V. programma's met de wereld van de seksualiteit geconfronteerd. Onder deze omstandigheden kan van de vroegere 'slaap van Doornroosje' geen sprake meer zijn. De seksualiteit van het kind is klaarwakker en het kind ondergaat bewust de gespleten en pijnlijke situatie die kenmerkend is voor de houding van de bewoner van het Avondland tegenover zijn seksualiteit. Op dit moment wordt niet meer 'onder narcose' gemanipuleerd maar bij vol bewustzijn; de zoëven gebruikte uitdrukking 'pijnlijk' kan vandaag zonder meer woordelijk genomen worden, want voor alles het kind lijdt werkelijk pijn door deze tegennatuurlijke onzin; in ieder geval psychische en maar al te vaak inderdaad lichamelijke pijn.

Bij de beschadigingen op langere termijn (de vervorming van de persoonlijkheid) komt vandaag ook nog het akute kwaad.

Deze situatie beschouwend is toch werkelijk de vraag gerechtvaardigd wie nu eigenlijk de echte seksuele misdadigers zijn: de pedofielen die liefde en zachtheid schenken en een natuurlijke ontwikkeling van de seksualiteit en de persoonlijkheid bevorderen, of de zogenaamde 'normalen' die verwarring zaaien en die de natuurlijke ontwikkeling van die seksualiteit en de persoonlijkheid met de terreur van het taboe verhinderen?

HOOFDSTUK ELF

Uit het gezichtspunt van de overheid is het zonder meer consequent het plegen van de seksuele handelingen met kinderen met lange gevangenisstraffen te bedreigen. Wie namelijk seksuele omgang met kinderen heeft tast de grondslagen van de macht aan en is een potentieel gevaar voor het systeem dat door deze grondslagen mogelijk gemaakt wordt. Zou zo'n omgang namelijk regel worden dan was het nog slechts een kwestie van tijd voordat de cirkel van de zich van generatie op generatie herhalende slavernij doorbroken zou worden en geleidelijk aan een generatie zou opgroeien die seksueel gezond zou zijn. Dat zou het einde van het 'systeem' betekenen! Dat zou het einde zijn van de slavernij met haar uitbuiting, oorlog en verkrachting van het menselijk individu; ...een verschrikkelijk denkbeeld voor de machthebbers van welke ideologie dan ook!

Het is dan ook niet verbazingwekkend dat deze overheid alle uitingen ten gunste van de pedofilie uit kringen van inderdaad seksueel geëmancipeerden met bijzondere argwaan bekijkt. Hij heeft er niet het minste belang bij maatschappelijke tolerantie van de pedofiel te bevorderen en de pedofilie uit de kriminele sfeer te halen. Integendeel, het is in het belang van de handhaving van hun macht de status van het kind als 'heilige koe op seksueel gebied' zo lang mogelijk in stand te houden en een nadenken niet gewende openbare mening te laten blijven geloven dat dit voor onze kinderen toch zo goed is.

Om deze reden is het dan ook een illusie als de pedofiel een beroep doet op de tolerantie die het wezen is van de pluriforme samenleving en op die grond vraagt de pedofilie niet langer strafbaar te stellen in de verwachting dat een dergelijk bewijs van inzicht van de kant van die wetgever al lang geleden geleverd had moeten worden. De wetgevende lichamen zullen hem op gezwollen toon toespreken over zeden, fatsoen en moraal, ...zich verder beroepen op de duidelijke volkswil die bijna eenstemmig een strenge bestraffing van de seksuele omgang met kinderen eist. Juist deze volkswil, de zogenaamde openbare mening geeft de machthebbers het welkome voorwendsel om zich tegenover verstandige en wetenschappelijk degelijk onderbouwde argumenten doof en blind te houden.

HOOFDSTUK TWAALF

Wat voor groteske vormen de afkeer van de pedofilie kan aannemen werd onlangs aangetoond door een zekere Mevrouw E. Kroon die in een ingezonden brief in 'PANORAMA' woordelijk vroeg om verdelgingsmiddelen (!) voor pedofielen en, als die niet ter beschikking zouden zijn, dan maar liever zag dat de hele mensheid aan de neutronenbom (!) ten gronde zou gaan.

Parallelen trekken met de heksenjachten van de Middeleeuwen of de jodenvervolging door Hitler is bij het lezen van dergelijke wensen niet moeilijk; er zijn trouwens nog meer pijnlijke punten van overeenstemming: ook bij de vervolging van pedofielen worden mensen die niets misdaan hebben opgejaagd, gevangen gezet en psychisch gefolterd alleen omdat een duister bijgeloof (bij het volk) en een gewetenloos machtsstreven (bij de overheid) ten gunste van dit laatste samenwerken. Men kan zich zelf afvragen of de consequenties van de brandstapels van de Inquisitie of van de gaskamers van de concentratiekampen werkelijk zoveel inhumaner waren als vandaag de 'psychische moord in termijnen' in de cellen van gevangenissen of psychiatrische inrichtingen. Precies als de vervolgden van destijds staat nu de pedofiel voor een muur van onwetendheid en gerichte volksmisleiding.

Niemand weet precies wat een pedofiel eigenlijk is, ...maar bijna iedereen is het er mee eens dat 'dat soort' niet vrij mag rondlopen. Iedereen gedraagt zich alsof de bewering dat pedofilie eigenlijk met de dood bestraft zou moeten worden a priori waar is en geen verdere argumentatie van node heeft.

Iedereen heeft een keiharde mening over de pedofiel, ...maar slechts zeer weinigen hebben de moeite genomen zich over het wezen van de pedofilie te oriënteren wat in alle redelijkheid een eerste vereiste zou moeten zijn voor de meningsvorming over dit onderwerp.

Pedofilie wordt vaak beschouwd als net zo iets als sadisme of vergelijkbare afwijkingen en verhalen over ontaarde figuren als bijvoorbeeld Jürgen Bartsch worden zonder nadenken met pedofiele neigingen gelijkgesteld. Het even domme als neerbuigende 'Je ziet toch waar zoiets tot leidt...' is een geliefd 'argument' tegen pedofilie.

Ook vandaag kan men in veel kringen nauwelijks iets ten gunste van de pedofilie zeggen zonder ervan verdacht te worden te willen pleiten voor kindermoord, verkrachting en andere misdaden.

Voor de doorsneeburger is en blijft de pedofiel de 'kinderlokker' die op weerloze kinderen loert, met snoepgoed, slimheid en mooie praatjes hun vertrouwen wint om ze daarna, gewetenloos gebruik makend van hun kinderlijke onervarenheid, achter de struiken te verleiden, of, als het kind zich verzet, beestachtig te vermoorden.

Men meent dat het volkomen uitgesloten is dat bij de seksuele omgang met kinderen geweld in een of andere vorm ('al is het maar psychisch geweld') zou kunnen ontbreken. Persberichten en zelfs een in een oplage van miljoenen verspreid zogenaamd 'informatie'blaadje van de Duitse politie ('Wie schützen wir unsere Kinder vor Sittlichkeitsverbrechen?', mei 1977) dragen er het hunne toe bij deze klichématige ideeën over pedofilie nog te versterken. Het is dan ook logisch dat woorden als 'misbruik' en 'weerloze slachtoffers' tot de grijsgedraaide standaarduitdrukkingen in gesprekken over pedofilie gebruikt worden net als krachttermen waarvan 'perverse zwijnen' en 'kinderschender' nog de minst kwaadaardige zijn.

Op zijn hoogt zal een 'goed' ontwikkelde naar voren brengen dat een pedofiel toch 'ergens ziek' moet zijn en hij toch in een goed bewaakte kliniek het beste op zijn plaats is.

Dit is echter wel het alleruiterste wat men in het algemeen aan 'begrip' voor de pedofilie verwachten mag.

HOOFDSTUK DERTIEN

De pedofiel zelf staat verbijsterd voor de vervolginswaan die op hem afkomt uit de meningen van zijn medemensen, de wetboeken en de aktiviteiten van de massamedia. Sommigen vragen zich onthutst af of zij zich dan zó in de ware aard van hun gevoelens vergist kunnen hebben en beginnen bijna te geloven ontaarde viezerikken te zijn. Zij doorstaan afschuwelijke perioden van twijfel en lopen om raad naar de psychiater. Zij onderzoeken hun eigen geest en proberen zo goed mogelijk het lees, de pijn en het onheil te ontdekken dat zij door hun liefde bij het kind hebben aangericht.

Maar iets dergelijks vinden zij niet! Zij stellen slechts vast dat zij het kind warmte, tederheid en ontspanning gegeven hebben, ...en dat zij het op de natuurlijkste manier van de wereld behoedzaam in de erotiek hebben binnengevoerd, ...en daarmee verhinderd hebben dat het later onvoorbereid en verkrampt in een verwrongen seksuele wereld gestoten wordt die met zichzelf overhoop ligt en zijn zedelijke waarde niet meer herkend!

Is het dan werkelijk zo moeilijk te begrijpen dat de liefde iets edels is en dat de seksualiteit een deel van de liefde is? Dat men het ene niet van het ander kan scheiden, zonder het geheel te misvormen en kreupel te maken?

Onderkent dan inderdaad niemand dat men de kracht van de schepping, - onverschillig of men die nu God of natuur noemt - niet willekeurig kan korrigeren door de aan het kind gegeven seksualiteit ruw te onderdrukken en zijn natuurlijke funkties op eigen houtje te verbieden?

Wil dan niemand inzien dat de hele geciviliseerde mensheid ziek is, dat zij zich op bijna ieder gebied zelf pijnigt omdat zij zich op het punt van haar seksuele bewustzijn in een massa-psychose heeft laten manoeuvreren waarin het zedelijke en morele streven een radikale omkering van hun waarden ondergaan hebben?

Ziet dan niemand de onheilspellende gevolgen van dit narrenspel: onze van waanzin en zelfvernietigingsdrang gekwelde wereld? Een wereld vol crises, oorlogen en neurosen?

HOOFDSTUK VEERTIEN

In laatste instantie vervult de pedofiel een zedelijke plicht wanneer hij bij zijn liefde tot het kind het seksuele niet uitsluit.

Dat mag in sommige oren onwaarschijnlijk klinken, of zelfs naar ketterij zwemen; zelfs de seksueel geëmancipeerde mens zal beginnen met tegen te werpen dat die bewering minstens overtrokken is.

Dat is hij echter in het geheel niet!

Hij is slechts het resultaat van een logisch doorgedachte positieve instelling tegenover de seksualiteit en tegelijkertijd een dwingend gevolg van het herkennen van de oorzaken van onze ziekelijke instelling ten opzichte van de seksualiteit.

Als seksualiteit goed en waardevol is dan is er geen enkele reden hem te ontkennen en zijn positieve ontwikkeling te verhinderen. Wie dat toch doet doordat hij de seksualiteit al in het kind onderdrukt en daarmee zijn natuurlijke funkties in de kiem smoort handelt eenvoudigweg immoreel en ondergraaft zedelijke waarden. Het is voor alles daarom immoreel omdat deze tegennatuurlijke handelingen echte en nauwelijks te herstellen schade veroorzaken. Dit te voorkomen is een zedelijk gebod waaruit de ethische opdracht voortvloeit het kind die liefde en die aandacht voor zijn natuurlijke seksuele funktioneren te geven die het voor een positieve ontwikkeling en tot vermijding van foutief gerichte ontwikkelingen nodig heeft!

Dat het allergrootste deel van de openbare mening diametraal tegenovergestelde opvattingen huldigt ligt niet alleen aan de slechte roep die de seksualiteit heeft door zijn systematische vertrapping door geïnteresseerde machtsgroepen. Ook de angst dat seksuele belevenissen vóór de puberteit geestelijk en lichamelijk schade zouden kunnen veroorzaken speelt bij deze meningsvorming een niet onbelangrijke rol.

Wetenschappelijk gezien is deze angst ongegrond! Over de onschadelijkheid van seksuele ervaringen vóór de puberteit zijn alle betrokken specialisten het al lang eens.

De gehele moderne medische wetenschap, voor alles de seksuologen en de psychiaters ontkennen de 'schadelijk' theorie bijna eenstemmig.

Als er geen sprake is van geweld, als het seksuele beleven vòòr de puberteit dus vrijwillig is zijn normaal gesproken geestelijke of lichamelijke beschadigingen uitgesloten!

Toch zit het bijgeloof aan het tegendeel in het volk ingebakken en schijnt immuun te zijn voor alle meningen van experts, hoe goed gefundeerd ook.

Als het eens een enkele keer voorkomt dat een bijzonder gevoelig kind lijdt onder de heimelijkheid waarmee zijn seksuele beleven in de regel moet plaatsvinden staan de puriteinen direkt op en verheffen hun stem tegen de psychische schade die het kind van dit gewetenskonflikt ondervindt hoewel het natuurlijk duidelijk is dat niet de (natuurlijke) seksuele belevenis maar het (tegennatuurlijke) verbod ervan de oorzaak van dit konflikt is.

Men zou echter kunnen opmerken dat het hier eigenlijk niet gaat om mogelijke beschadigingen in de pathologische betekenis van het woord maar dat de konfrontatie met de seksuele realiteit het kind met problemen kan belasten die voor hem onoplosbaar zijn; of waarvan de oplossing ten koste zou gaan van de kinderlijke onschuld.

Dat lijkt op het eerste gezicht logisch. Maar ook deze theorie gaat van valse veronderstellingen uit: namelijk dat de seksualiteit ex ovo problemen zou oproepen die 'lastig' zijn en 'overwonnen' moeten worden. Dat is echter niet waar! De seksualiteit op zich roept geen problemen op! Als er toch seksuele problemen bestaan dan is dat alleen omdat de mens in zijn domheid zelf maakt doordat hij de zedelijke waarde van de seksualiteit voortdurend ontkent.

Nog afgezien daarvan gaat die theorie van nog een foute veronderstelling uit: van de vergissing dat de al eerder vermelde 'slaap van Doornroosje' van de kinderlijke seksualiteit ook vandaag nog mogelijk zou zijn. Wie dit meent gaat uit van de idylle van een heilige, door de alledaagse realiteit onberoerde kinderwereld waarin geen problemen bestaan en waarin van seksuele problematiek al helemaal geen sprake is.

Dat deze bedrieglijke idylle, hoe aardig hij sommigen ook toeschijnen mag, niets maar dan ook niets met de werkelijkheid van alledag te maken heeft werd al in het tiende hoofdstuk uiteengezet. Het moet hier echter nog eens met alle nadruk gezegd worden:

De seksualiteit van het kind is al ontwaakt en wel onherroepelijk! Het kind werd al met de seksualiteit gekonfronteerd en wij moeten er nu voor zorgen dat deze konfrontatie tot een natuurlijk begrijpen zonder konflicten met de seksuele werkelijkheid leidt!

Dat kan echter slechts dan geschieden als het kind (uiteraard rekening houdend met zijn specifieke wezen) betrokken wordt bij het seksuele gebeuren. Daar kan men niet omheen; want het enige en echte probleem dat voor het kind door de konfrontatie met de seksuele werkelijkheid opduikt is het onbegrijpelijke taboe dat tegenover hem geldt voor alles wat maar met seks te maken heeft. Het kind beleeft het seksuele gebeuren om hem heen als een toeschouwer die niet aan het spel deel mag nemen en vanuit deze geïsoleerde positie over seks en erotiek vanzelfsprekend een karikaturaal en onecht beeld opbouwt, dat ergens in de buurt van frivoliteit en obsceniteit zal liggen. Het belasten van de seksuele gevoelssfeer van het kind met talloze taboe-hypotheken samen met het biologische materialisme van de pseudo-voorlichting doen het hunne om in de kinderlijke voorstellingswereld de seksualiteit tot een soort spookachtig monstruositeit te laten uitgroeien.

Dit spookachtig monstrueuze waanbeeld is het ernstige probleem dat niet opgelost wordt en dat dan vanuit het onderbewustzijn dat onze kere gevoel van onbehagen tegenover een geheel positieve beoordeling van de seksualiteit veroorzaakt als de betrokkene later als volwassene rationeel inderdaad tot een enige mate verstandige instelling tegenover de seksualiteit gekomen is; intussen heeft echter het aan banden leggen van zijn emoties een neurotisch karakter gekregen.

Beschouwen we dit probleem nader dan staan we weer voor een vicieuze cirkel: de volwassene meent dat hij het kind voor seksuele belevenissen moet bewaren, omdat hij de seksualiteit identificeert met het spookachtige, monstrueuze waanbeeld dat hem een diep wantrouwen in alles wat seksueel is inboezemt en hem doet menen dat seksualiteit 'vies' en gevaarlijk voor het kind zou zijn. Als gevolg hiervan treedt zijn beschermingsinstinct in werking dat echter tegenover een irreëel, alleen in zijn verbeelding bestaand, gevaar gemobiliseerd wordt. De in zijn onderbewustzijn begraven oorzaken van dit valse alarm voor het beschermingsinstinct zijn echter alleen daardoor ontstaan dat de betrokkene in zijn jeugd (direkt of indirekt) zelf slachtoffer geweest is van vermeend noodzakelijke beschermende aktiviteiten.

HOOFDSTUK VIJFTIEN

De wijdverbreide onwetendheid over het wezen van de pedofilie en de aard van de betrekkingen tussen de pedofiel en zijn partner dragen er natuurlijk het meeste toe bij in hem een gevaar voor het kind te vermoeden. Voor deze onwetendheid moet men begrip opbrengen. De pedofiel spreekt niet over zijn ervaring omdat zij wettelijk verboden zijn maar ook door het intieme karakter van seksuele betrekkingen en zo hoort de brede massa er eigenlijk zo goed als niets over. Jammerlijke vermoedens, hier en daar een persbericht over veroordeling van een pedofiel door de rechter, samen met de ziekelijke of op zijn best zeer sceptische instelling tegenover de seksualiteit vormen uiteraard een uitstekende voedingsbodem voor allerlei vooroordelen. Zakelijke, openbare voorlichting zou er veel toe kunnen bijdragen enkele van de meest krasse misverstanden uit de wereld te helpen.

Zo moet bijvoorbeeld het wijdst verbreide sprookje dat een pedofiel zijn kleine partner alleen als een willoos lustobject zou misbruiken en haar tot seksuele praktijken zou verleiden (of zelfs dwingen) waarvoor zij lichamelijk nog niet rijp is en waaraan zij geestelijk nog niet toe is met zeer bijzondere nadruk naar het rijk der fabelen verwezen worden.

De pedofiel zoekt in zijn partner bewust het kind en niet op een of andere manier een 'surrogaat' voor een in leeftijd 'beter bij hem passend' vrouwelijk wezen waaraan hij zich om de aan of andere reden - zoals steeds gedacht wordt - niet 'waagt'.

Aan dit bewuste zoeken is ook de manier aangepast van hetgeen hij op seksueel gebied wil geven en ontvangen. Zogenaamd 'regelrecht' geslachtsverkeer blijft normaal gesproken volledig buiten de seksuele verlangens van de pedofiel.

Voor ieder die tenminste over de meest wezenlijke kenmerken van de pedofilie georiënteerd is behoeft dit niet vermeld te worden. Hoe wijdverbreid echter zelfs in goed ontwikkelde kringen het misverstand is dat de pedofiel ondanks alle fysieke hindernissen zou proberen met zijn meisje naar bed te gaan wordt plastisch geïllustreerd door het volgende passage uit een vergadering van een oudercommissie in Hannover:

Pedagogen en vertegenwoordigers van de ouders discussiëren over problemen van de seksuele voorlichting als de groep onverwacht over het thema 'pedofilie' komt te spreken. Dit begrip was daar echter onbekend: zij spraken domweg over 'ontucht' en konden het er niet over eens worden of een 'kinderlokker' achter gevangenismuren of in de isoleercel van een psychiatrische inrichting verdwijnen moest. De voorzitter van de oudercommissie S. nam daarop de vrijheid bescheiden te vragen of men er wel eens over nagedacht had of en waarom zo iemand zou moeten 'verdwijnen'.

Spontaan hield de schooldekaan (!) K. hem voor:

"Maar hoor toch eens! Dat behoeft bij de verschrikkelijke lichamelijke en geestelijke schade die zo'n geperverteerde een onschuldig kind toebrengt toch niet besproken te worden!"

Daarop antwoordde S.:

"Ik kom niet helemaal mee. Over psychische schade zou men misschien kunnen discussiëren, men zou dat een specialist moeten vragen. Maar hoe komt U bij lichamelijke schade? Dat moet U mij eens nader verklaren!"

Schooldekaan K. verhief zich daarop van zijn stoel en riep S. bevend van woede toe:

"Nou, wat denkt U dan dat er gebeurt als zo'n kerel met zijn grote lid in zo'n teer meisjeslichaam binnendringt?"

S. gaf het op en vroeg de vergadering terug te komen op het oorspronkelijke gespreksonderwerp.

Hoe komisch de geschilderde situatie ook mag werken hij toont toch overduidelijk welke belachelijke ideeën over de pedofilie zelfs in kringen van akademici gedijen. Tragisch is het echter dat de genoemde schooldekaan K. een half jaar later als schepen bij een 'Jugendschutzkammer' (de beruchte speciale rechtbank die in West-Duitsland oordeelt over zogenaamde 'zedenmisdrijven') gekozen werd.

HOOFDSTUK ZESTIEN

Als wij in het voorafgaande hoofdstuk vastgesteld hebben dat bij de vooroordelen over de pedofilie wijdverbreide onbekendheid met het karakter van de seksuele wensen van de pedofiel en over het wezen van de kinderlijke seksualiteit hand in hand gaan en dat men er in alle redelijkheid rekening mee moet houden hoe moeilijk het is zich over dit onderwerp goede informatie te verschaffen dan zou het alleen maar consequent zijn de voor de hand liggende vraag wat een pedofiel nu eigenlijk met een kind doet (of liever, wat zij samen doen) hier kort maar zo eerlijk mogelijk te beantwoorden.

De behoefte tederheden en liefkozingen uit te wisselen moet voorop gesteld worden. Dat gevoel is bij de pedofiel vaal veel sterker dan bij zogenaamde 'normalen' en komt ideaal tegemoet aan het verlangen van het kind naar lichamelijke aanraking. De algemene mening dat de interesse van de pedofiel zich hoofdzakelijk zou concentreren op het geslachtsverkeer is onjuist.

Het is dan ook in genen dele met verborgen bedoelingen dat de pedofiel zich in vele opzichten voor zijn kleine partner opoffert en ervoor zorgt steeds een vaderlijke vriend en een betrouwbare kameraad voor haar te zijn.

Maar blijven wij rustig bij de geslachtsverkeer: het karakter daarvan en de manier waarop passen zich steeds aan bij de leeftijd en de ontwikkeling van het kind waarvan de wensen en behoeften harmoniëren met die van de pedofiel en die in de pedofiele verhouding op een hen beiden gelukkig makende wijze vervuld worden. Van het tedere strelen van de geslachtsdelen tot hun orale liefkozing van het onderzoekende betasten van de erogene zones tot het ontspannen tegen elkaar aankruipen van de lichamen in een innige omarming wordt al naar gelang de omstandigheden en de stemming alles gedaan wat men in het moderne spraakgebruik 'petting' noemt.

Bij zo'n liefdespel valt het op dat door de ongeremde nieuwsgierigheid van het kind naar nieuwe belevenissen en zijn natuurlijke onbevangenheid tegenover de seksualiteit zo goed als nooit situaties ontstaan die als beschamend of eventueel obsceen gekenschetst zouden kunnen worden. Men kan zelfs in vergelijking tot sommige seksuele praktijken van de 'normalen' van een zekere esthetica van de pedofilie spreken.

HOOFDSTUK ZEVENTIEN

Nogmaals: Hoe het natuurlijke binnengeleid worden in de belangrijke wereld van de seksualiteit met alle behoedzaamheid, liefde en tederheid zedelijk verwerpelijk, amoreel en strafbaar genoemd zou kunnen worden, ...terwijl daar tegenover een tegennatuurlijke ascese tot een bepaalde leeftijd en dan een onvoorbereide duw in diezelfde seksualiteit als zedelijk waardevol, moreel, juist en nastrevenswaard kan gelden, op die vraag zijn zowel de justitie als de openbare mening de pedofiel het antwoord schuldig gebleven.

In dit verband geeft de brief van een meisje uit Amsterdam dat in het al eerder geciteerde weekblad PANORAMA stelling nam tegen de eis van Mevrouw E. Kroon om 'verdelgingsmiddelen voor pedofielen' een duidelijke kijk op de zaak. In deze brief die in de uitgave van 12 mei 1978 in dit blad geplaatst werd staat woordelijk:

"De mensen schijnen niet te beseffen, dat zij met dergelijke reakties het kind met een enorm schuldgevoel opscheppen. Ik heb zelf twee jaar een relatie met een pedofiel gehad, waaraan ik maar één aspect onprettig vond, namelijk het verborgen houden van deze relatie voor de buitenwereld. Ik begreep toen nog niet waarom, maar ik begreep dat ik iets onherstelbaars zou vernielen, als ik mijn mond opendeed. Later, toen ik heel voorzichtig hier en daar ging polsen, wat zoal de meningen over pedofilie waren, begreep ik ineens heel goed, waarom ik mijn mond moest houden. Ik begon te denken, dat ik met een schoft had gevrijd, een viezerik, iemand die de doodstraf verdient en zo voort en hield dus m'n mond. Ik doe nu m'n mond hierover open, omdat ik begrijp, na vier jaar met mezelf in de knoop te hebben gelegen, dat ik iets heel moois heb meegemaakt. Ik ben heel voorzichtig, teder en zonder angsten de wereld van de erotiek ingeleid. Misschien heb ik geluk gehad, maar ik geloof eerder dat het aantal pedofielen dat het kind tot iets dwingt maar zeer klein is. Ze houden van het kind en willen het niet kwetsen. -- Sonja K., Amsterdam"

Kommentaar op deze brief is overbodig. Het blijft ons slechts over te zeggen: 'Bravo, lieve Sonja!' en te hopen dat het door haar ingenomen standpunt kenmerkend mag zijn voor het seksuele bewustzijn van de opgroeiende generatie en dat nog vele andere meisjes en vrouwen die vergelijkbare ervaringen gehad hebben ook de moed vinden hun angst voor de moraliserend opgeheven wijsvinger van de maatschappij te overwinnen en de waarheid zeggen.

Sonja K., die hier zo bewonderenswaardig openhartig en op niet mis te verstane wijze haar standpunt uiteenzet is, wat haar belevenissen en haar positieve waardering daarvan aangaat, in het geheel geen uitzondering. Zoals zij denken vele meisjes en vrouwen die net als zij het geluk hadden in hun jeugd een mens te vinden die het gegeven was liefde en tederheid zonder bitter morele taboes te schenken en er op die manier in slaagde een voor de ontwikkeling bepalende tegenpool te zijn voor frustrerende ouderwetse opvoedingspraktijken.

Belangrijk uit de brief van Sonja K. uit Amsterdam is een zinswending die op het eerste gezicht een bijzaak lijkt: "Misschien heb ik geluk gehad..." Het verrassend zakelijk denkende meisje bewijst daarmee dat zij haar inzicht in het geheel niet door emotioneel getinte herinneringen vertroebelen laat, want zij zegt dat het mogelijk is dat haar vriend van destijds een gunstige uitzondering geweest zijn kan en dat andere pedofielen misschien minder begripsvol zouden zijn; een mogelijkheid overigens waaraan zij zelf niet zo erg gelooft want zij haast zich met de woorden: "...maar ik denk eerder dat..." iedere opmerking die misschien als een concessie aan de openbare mening begrepen zou kunnen worden weer te verzachten.

Nu, men kan er getroost van uitgaan dat het geval van Sonja K. in het geheel geen gunstige uitzondering maar regel in een pedofiele verhouding is. Sonja K. slaat instinctief de spijker op de kop als zij vermoedt dat het aantal pedofielen dat 'een kind ergens toe dwingt' uitermate gering is.

Daarmee wordt in het geheel niet ontkend dat hier en daar inderdaad een enkele maal een kind tegen zijn wil tot seksuele handelingen verleid wordt en dat ook in de toekomst wel eens kan voorkomen. Zulke gevallen, die overigens wat betreft hun gevaar voor het kind door het 'antiseksuele syndroom' geweldig overschat worden, zijn echter relatief zeldzaam en kunnen niet als algemene regel beschouwd worden. Tenslotte zijn er ook 'normale' mannen die vrouwen verkrachten zonder dat men daaruit besluit dat alle mannen notoire verkrachters zouden zijn.

HOOFDSTUK ACHTTIEN

Over de vermeende schadelijkheid of onbetoenelijkheid van seksuele belevenissen voor de puberteit hebben artsen, psychologen, theologen en pedagogen en verder allen die om de een of andere reden meenden er iets van te begrijpen zich de vingers blauw geschreven. Maar sinds de zestiger jaren zijn deze polemieken verstomd. De wetenschap is het er in het algemeen over eens dat seksuele belevenissen voor de puberteit in de regel geen psychische of fysieke schade berokkenen.

Het voornaamste argument tegen de pedofilie is dood!

Zelfs de justitie heeft dat intussen begrepen en kronkelt zich in soms haast artistieke bochten als hij zich genoodzaakt ziet de strafbaarheid van seksuele handelingen met kinderen tegenover onze pluriforme maatschappij te verdedigen in juridische beschouwingen en uitspraken van het hoogste rechtscollege om duidelijk te maken van welke rechtstheorie hij uitgaat en wiens recht nu eigenlijk bescherm moet worden met de betreffende paragraaf 176 n.F. StGB. Zo behelpt bijvoorbeeld Dreher-Schwartz (het meest gebruikte kommentaar op het Duitse strafwetboek) zich met de in deze omstandigheden gewrongen aandoende rechtstheorie dat het recht dat bescherm moet worden 'het recht van het kind op de ongestoorde ontwikkeling van zijn seksualiteit' zou zijn.

Dat recht zou inderdaad waard zijn beschermd te worden en dat ziet de pedofiel wel op de eerste plaats in. In Dreher-Schwartz stijgt de schrijver echter tot een duizelingwekkende hoogte van inconsequentie als hij niet de sinds lang gebruikelijke verhindering van de funktie van de kinderlijke seksualiteit als een storende faktor ziet maar integendeel de handelingen die een ontplooiing ervan pas mogelijk maken.

Dat de inhoud van het in Dreher-Schwartz omschreven 'recht van het kind op de ongestoorde ontwikkeling van zijn seksualiteit' in werkelijkheid identiek is aan het aangematigde 'recht' van de staat op onderwerping van de in het kind rijpende seksualiteit wordt meer dan duidelijk gemaakt door de inconsequente konklusies die getrokken worden.

Een plausibeler rechtstheorie kan echter Dreher-Schwartz (noch de andere kommentatoren) geven want aan de ene kant kan de wetgever niet meer voorbijkomen aan het vervallen van de 'theorie van een konkrete schade' maar aan de andere kant zijn de andere rechtsgronden die in aanmerking zouden kunnen komen zoals bijvoorbeeld 'bescherming van het recht van de ouders hun kinderen op te voeden' of 'de bescherming van morele waarden' (beide hoogstens grond voor een klachtdelikt) bij lange na niet voldoende om de straffen volgens paragraaf 176 n.F. StGB te verklaren.

Dat dit dilemma tot op heden nauwelijks invloed op de rechtsspraak en de wetgeving gehad heeft ligt daaraan dat zowel de rechter als de wetgever er zeker van konden zijn door de openbare mening gesteund te worden als zij met terreurvonnissen tegen pedofilie smeten en dat niemand er aanstoot aan nam als de aangevoerde rechtsgronden klaarblijkelijk inconsequent waren en bij gebrek aan iets beters gehanteerd werden.

HOOFDSTUK NEGENTIEN

De pedofiel is deels zelf schuldig aan deze juridische situatie. Hij geneert zich voor zijn seksuele fixatie en doet niets om met legale middelen tegen het onrecht van zijn vervolging te vechten zoals bijvoorbeeld de homofielen dat met sekses gedaan hebben.

Het wordt de hoogste tijd dat ook de pedofiel iets onderneemt, dat hij gebruik gaat maken van de weinige kansen die, zoals toegegeven moet worden, nog niet groot zijn maar die door de voortschrijdende liberalisering van de maatschappij tenminste aanwezig zijn. Het wordt ook de hoogste tijd dat de pedofiel voor zichzelf opkomt, voor het forum van de maatschappij treedt en duidelijk maakt dat zijn neigingen niet misdadig maar in tegendeel zedelijk waardevol en pedagogisch nuttig zijn.

Alleen de tolerantie van brede lagen van de bevolking kan hem de noodzakelijke rugdekking geven die hij nodig heeft om als mondig staatsburger te verlangen dat zijn seksuele fixatie door een rechtsstaat getolereerd moet worden.

Het spreekt vanzelf dat de enkeling niets of maar zeer weinig kan uitrichten. Maar de enkeling heeft de mogelijkheid zich te organiseren en samen met gelijkgezinden en sympathiserenden zijn belangen en die van het kind door te drukken.

Het aantal pedofielen is lang niet zo klein als algemeen aangenomen wordt. Echt betrouwbare getallen zullen weliswaar voorlopig maar moeilijk te achterhalen zijn maar er zijn aanknopingspunten zoals bijvoorbeeld het aantal geabonneerden op pedofiele tijdschriften. Bijna 12.000 abonnementen worden verzorgd door een Deense verzendboekhandel en naar schatting 4.000 door een Nederlandse. Daarnaast worden door nog acht ondernemingen in Denemarken, Zweden en Holland identieke tijdschriften (waardoor de kans op dubbele abonnementen gering is) naar Duitsland gezonden. Als daarbij ook in aanmerking genomen wordt dat zeker slechts een klein deel van de pedofielen op een dergelijk tijdschrift geabonneerd zal zijn is het wel zeker dat de pedofielen in georganiseerd verband een behoorlijke pressie zouden vormen. (Volgens nieuwste schattingen van Nederlandse wetenschapsmensen zou het aantal pedofielen in West-Europa ca. 7.000.000 zijn.)

Het idee van een dergelijke organisatie zal sommigen in de Westduitse verhoudingen problematisch lijken. Het is echter in het geheel niet onrealistisch. In het buurland Holland bestaat bijvoorbeeld de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) die in een aantal stedenbureaus [werkgroepen] heeft voor de maatschappelijke en de gerechtelijke emancipatie van de pedofilie.

Deze Werkgroep Pedofilie (nu 'NVSH-Werkgroep Jeugdemancipatie en Pedofilie) zet zich zeer aktief in voor de afschaffing van de 'ontuchtparagraaf' (art. 247 ff Wetboek van Strafrecht) en doet ook veel voor een ombuiging van de openbare mening.

Intussen is in West-Duitsland de DSAP (Deutsche Studien- und Arbeitsgemeinschaft Pädophilie) opgericht met praktisch gelijke doelstelling als in Nederland de NVSH-Werkgroep Jeugdemancipatie en Pedofilie. Vanuit het dichtbij de grens gelegen Venlo geeft de Duits-Nederlandse Stichting Studiegroep Pedofilie Duitstalige pro-pedofiele literatuur uit.

HOOFDSTUK TWINTIG

Als hier over 'de pedofiel' gesproken wordt dan wordt daarmee datgene bedoelt die uitsluitend pedofiel gefixeerd is. In dit verband mag namelijk niet over het hoofd gezien worden dat het uitzonderlijke seksuele gedrag van de pedofiel helemaal niet zo 'uitzonderlijk' is maar dat in ieder mens pedofiele neigingen sluimeren die alleen door geestelijke onderdrukking verdrongen zijn.

In talrijke discussies over pedofilie kon de schrijver zelf vaststellen dat juist bij degenen die het felst tegen de pedofilie van leer trekken 'latente pedofiele neigingen' helemaal niet zo latent zijn.

Als men maar eerst met de mensen in gesprek gekomen is en dat dan met enige handigheid in een richting gestuurd heeft die het de gesprekspartner toestaat, zonder zijn gezicht te verliezen, zakelijk te discussiëren dan blijkt vaak dat zelfs zo'n 'verbitterde tegenstander van de pedofilie' toch echt wel eens seksuele gevoelens jegens een kind gehad heeft (dikwijls zelfs voor zijn dochter of zijn zoon) en die alleen onderdrukt heeft omdat volgens de heersende zeden kinderen 'absoluut taboe' zijn ofwel omdat de remmingen tegenover bloedschande het toegeven aan de gevoelens verhinderen.

Zo'n bekentenis is bij discussies van onschatbare waarde omdat in de meeste gevallen de opponent zich vanaf het begin in een voordelige positie zal proberen te manoeuvreren door pedofielen 'volledig abnormaal' te noemen. Als hij dan eenmaal heeft moeten toegeven dat zulke neigingen 'menselijk' zijn dan is er op zijn minst een basis voor een gesprek waarin de pedofiel niet vanaf het eerste moment in een 'normale buitenpositie' komt te staan.

Overigens zijn deze 'latente pedofiele neigingen' helemaal normaal. Toch is een 'normaal' mens heftig geshockeerd als hij ze bij zichzelf ontdekt en zal hij alles doen om ze te verdringen. Schuld daaraan heeft het niet begrijpen van de seksualiteit, die gewoonlijk alleen als 'voortplantingsdrift' gezien wordt. Verstaat men onder seksualiteit echter een 'liefdesdrift', een 'onbaatzuchtige oerdrift' waarvan de voortplantingsfunktie slechts een onderdeel is dan is men heel wat dichter bij de waarheid en zal men niet direkt alles abnormaal noemen wat niet onmiddellijk voor de voortplanting dient maar waarop wel duidelijk de seksualiteit een grote invloed heeft.

HOOFDSTUK EENENTWINTIG

Laten wij tenslotte nog eens terugkomen op het systeem van seksuele onderdrukking ten dienste van de manipulering van de persoonlijkheid. Vanuit het gezichtspunt van de overheid is de pedofiel het produkt van het pijnlijkste 'ongelukje' dat kon gebeuren: bij hem ontsnappen namelijk precies die driften uit het manipuleringsschema die voor het systeem zelf gevaarlijk kunnen worden. Op die manier kan men de pedofilie rustig zien als een noodgedwongen reaktie van de natuur op de verkrachting van de menselijke seksualiteit.

Daarbij moet niet ontkent worden dat uitsluitend pedofiele neigingen in het geheel niet overeenkomen met het ideaal beleven van de seksualiteit. Maar daarom kan men de pedofiel nog niet ziek noemen. Als het moet misschien 'gehandicapt'. Die handicap ligt dan in de eenzijdigheid van de pedofiele seksuele fixatie.

Dat is echter uitsluitend zijn eigen probleem en schaadt niemand behalve hemzelf. Hij is het toch die het gelukkig makende geven en nemen in de elementaire twee-eenheid slechts kan beleven in een klein deel van het skala van mogelijkheden tot seksuele ontplooiing.

Hem om die reden te vervolgen is onmenselijk.

Hem te verhinderen om met zijn liefde voor het kind de vicieuze cirkel van ziekelijke slavernij te doorbreken is dom.

bron: 'De gemanipuleerde psyche - Heterofiele pedofilie' door Hardy Sigfrid Scheller; Vertaald door W. van Riesen; Copyright: Stichting Studiegroep Pedofilie; Venlo-Blerick; februari 1980