Eindrapport van het projekt 'Het horen van jonge getuigen en slachtoffers'

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Op basis van haar ervaringen gedurende dit project, doet de commissie de volgende aanbevelingen:
1. Bij de selectie van toekomstige cursisten dient naast de geformuleerde criteria, óók rekening gehouden te worden met de continuïteit van de opgebouwde deskundigheid alsmede met de wenselijkheid van vrouwelijke rechercheurs.
2. Ter afsluiting van de cursusperiode dienen de cursisten beoordeeld te worden. Het verkrijgen van een certificaat mag geen formaliteit zijn, maar moet gebaseerd zijn op een inhoudelijke beoordeling.
3. Om landelijke voortzetting te garanderen, zal de Rechercheschool de in het district Amsterdam ontwikkelde training in haar pakket moeten op nemen.
4. De keuze om een kind te laten horen ofwel een daartoe getrainde rechercheur ofwel een extern deskundige, dient per zaak èn in overleg met het openbaar ministerie, gemaakt te worden. Daarnaast zijn twee factoren van belang bij de beslissing om een kind in de interviewstudio te horen, namelijk:

  • er is sprake van een ernstig misdrijf,
  • er is sprake van een ingrijpende gebeurtenis met een persoonlijke betrokkenheid van - en mogelijk ernstige gevolgen voor het kind.

5. De commissie acht het, gelet, op de voortgaande discussie over het gebruik van anatomisch correcte poppen, onwenselijk dat rechercheurs deze poppen gebruiken bij het horen van kinderen.
6. Het is wenselijk dat de binnenkort te vormen 23 regionale politiekorpsen allen de beschikking krijgen over een aantal rechercheurs die getraind zijn in het verhoren van kinderen.
7. Er dient een interregionaal netwerk van interviewstudio's te worden opgezet. In ieder ressort zal minimaal één studiofaciliteit beschikbaar moeten zijn. Nieuw te bouwen studio's dienen bij voorkeur gevestigd te zijn in een politielokaliteit met het oog op:

  • duidelijkheid met betrekking tot het verschil tussen interviewers in het kader van hulpverlening en in het kader van een politieonderzoek,
  • helderheid voor het kind over het doel van het verhoor, en
  • beheersbaarheid en kontinue beschikbaarheid van de faciliteit.

8. De in hoofdstuk 6 omschreven richtlijnen en procedures dienen landelijk beleid te worden ten behoeve van het verhoor van kinderen met behulp van audiovisuele apparatuur.

bron: Eindrapport < Korps Rijkspolitie District Amsterdam - Eindrapport van het projekt "Het horen van jonge getuigen/slachtoffers" >; Met een voorwoord door prof. dr. H.E.M. Baartman namens de begeleidingscommissie; 14 maart 1990