Geen onbekende gevoelens

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: Frank van Ree

De belangrijkste steun die aan een pedofiel kan worden geboden, is medemenselijkheid. En dat is niet hetzelfde als het goedkeuren van grensoverschrijdend gedrag. Frank van Ree pleit voor een zorgvuldige en genuanceerde omgang met de begrippen pedofilie en pedoseksualiteit. Om een heksenjacht te voorkomen. Ter illustratie schetst Van Ree drie situaties uit zijn eigen praktijk als psychiater.

1. Een oudere vriend

Een jongen, de jongste van drie kinderen groeide op in een harmonisch 'upper-class' gezin. Er waren geen psychiatrische problemen in de familie bekend en voor zover na te gaan waren allen heteroseksueel en op volwassenen ingesteld. De beide andere kinderen huwden later en kregen zelf kinderen. Al als klein kind was hij niet geïnteresseerd in meisjes, terwijl hij door zijn vriendelijke aard en knappe uiterlijk, juist vaak hun aandacht op zich gericht wist. In de fase van het vadertje en moedertje spelen, ervoer hij duidelijk genitale prikkeling, uitsluitend in contact met jongens van zijn eigen leeftijd. Die homofiele oriëntatie, waarover hij in de dertiger jaren ook thuis niet durfde reppen, zou zijn verdere leven lang blijven bestaan. Zonder dat hij zich daar aanvankelijk goed van bewust was bemerkte hij dat zijn voorliefde bij kleinere jongens bleef steken, zodat hij geleidelijk de pedofilie in groeide. Hij probeerde zich hardnekkig uit zijn netelige positie te redden door zelfbevrediging met op jongens gerichte fantasieën. Juist doordat hij zijn uitzonderlijkheid ervoer, groeide er geleidelijk onrust in hem. Nadat hij op zestienjarige leeftijd tot mutuele masturbatie kwam met een elfjarige, ging hij ten einde raad naar de huisarts en vertelde die over zijn problemen. De huisarts wist niets anders te doen dan hem op 'het foute' van zijn verlangens te wijzen en te adviseren 'het nooit meer te doen'. Korte tijd later bleek de huisarts zijn vader te hebben ingelicht! De wijze vader maakte de zoon geen verwijten maar verwees hem naar mij als een vriend van de familie. Dat was zeker in die jaren heel bijzonder. Ook nu nog speelt isolement in het primaire leefmilieu vaak een grote rol. Na een aantal voorbereidende gesprekken was de jongeman bereid naar een van mijn collega's te gaan voor verdere hulp. Ik kon die zelf, als vriend van de familie, niet bieden. Na enige jaren psychotherapie waren de homofiel-pedofiele verlangens niet verdwenen, maar hij wist zich van manifeste contacten te onthouden. Zijn commentaar: 'Mijn vader zal ik altijd dankbaar blijven. De psychiater behandelde mij niet als crimineel, maar hielp mij vooral door mijn inzicht in de risico's van werkelijk pedoseksueel gedrag voor kleine jongens te vergroten en door te laten zien hoe ik als oudere, steunende vriend voor jongens een positieve bijdrage aan hun ontwikkeling zou kunnen zijn'. Hij verrichtte geen pedoseksuele handelingen meer.

2. Opgroeiende kleinkinderen

Een jongeman werd op zijn dertigste, na een zeer gevaarlijke zelfmoordpoging, die hij wonder boven wonder overleefde, opgenomen. Al zeven jaar was hij in psychoanalyse. Die therapie was begonnen nadat hij ontdekt had homofiel en pedofiel te zijn. Hij had grote angst voor zijn machovader, een groot-zakenman, wiens opvolger hij zou moeten worden. Hij was opgegroeid in een sfeer van gevoelsonderdrukking door vader, terwijl zijn moeder te zwak was om zich daartegen te verweren. De psychoanalyse was mislukt, zoals hij zei, omdat hij alleen over zijn homofilie, maar niet over zijn pedofilie gesproken had. De man was zeer hoog begaafd en beheerste het volledige psychoanalytische vakjargon. De zelfmoordpoging deed hij omdat hij zichzelf verachtte om zijn verlangens en omdat hij met zekerheid wilde voorkomen er ooit aan toe te geven. In de gesprekken die wij voerden was het alsof hij zichzelf elk gevoel verbood. Hij herkende dat zelf, maar wist niet hoe het anders moest. Bij de therapie heb ik onder andere gebruik gemaakt van LSD-toediening vooral omdat tijdens de uren van inwerking een intensivering van het gevoelsleven en verhoging van het esthetische genot kan optreden. In dit geval was de uitwerking buitengewoon gunstig. Allerlei weggedrongen gevoelens kwamen boven. Werkelijke psychotherapie werd mogelijk. Hij maakte ook een nieuwe beroepskeuze waarbij zijn fijngevoeligheid zeer van pas kwam. Hij begon zich daarnaast actief te bemoeien met de verbetering van het lot van kinderen uit arme gezinnen. Zonder ooit tot pedoseksuele contacten te komen, vond hij veel bevrediging in dit werk. Eén van de jongens waarvoor hij veel kon doen, en die door zijn toedoen een grote carrière maakte, noemde hem vader. Deze jongen trouwde en kreeg meerdere kinderen. Patiënt genoot van 'zijn opgroeiende kleinkinderen'. Ik herinner mij deze man nog altijd als een uiterst hoogstaande en fijnzinnige man. Hij stelde later dat het vooral het respect dat hij ondervond was geweest dat hem geholpen had zijn verlangens te sublimeren.

3. Op de vlucht

Over een man van achterin de vijftig jaren die gedurende tientallen jaren detentie zijn straf had uitgezeten werd mijn advies gevraagd. Wettelijk gezien kon hij niet langer gevangen worden gehouden. Maar, vooral gezien het feit dat hij destijds een achtjarig jongetje had vermoord, bestond er grote zorg bij de betrokken autoriteiten over de vraag wat te doen. De levensloop van de man, het enige jongetje uit een gezin met drie kinderen, was buitengewoon traumatisch. Hij was al heel jong zwaar psychisch en ook lichamelijk mishandeld door een brute vader. Hij werd 'alleen gelaten' door zijn zwaar depressieve moeder die vaak psychiatrisch werd opgenomen. Hij raakte absoluut ongewild betrokken bij een val van deze zieke moeder waardoor die ernstig invalide werd. Hij kwam tijdens de oorlog terecht in een soort pleeggezin (als jongetje van twaalf jaar) waarvan de vader een vooraanstaand nazi was. Die werd wat later door een verzetsstrijder doodgeschoten. 'Zo verloor ik ook mijn tweede vader'. Na de oorlog werd hij als jongeman overal gemeden en uitgestoten als ex-jeugd-stormlid (jeugdstorm een nazi-jeugdbeweging). Hij groeide op als een angstig jongetje. Hij durfde ook na zijn vijfentwintigste jaar alleen nog maar met heel kleine vriendjes te spelen. Hij leefde in financieel kommervolle omstandigheden vlak na de oorlog, zonder enige hulp van geestelijke gezondheidszorg, half zwervend op straat en levend van diefstalletjes en zwarte handel. Van dat geld kocht hij zich ook vriendjes via snoepjes en andere cadeautjes. Hij raakte periodiek depressief en was vaak ook radeloos en woedend. Eenmaal deed hij een zelfmoordpoging met slaaptabletten. In zulke buien stichtte hij brand en was hij vernielzuchtig. Zijn troost vond hij bij kleine vriendjes waar hij vaak heftig verliefd op was, zoals hij ook in zijn dagboeken beschreef. Door diefstallen en door enige malen pedofiele handelingen (masturbatie en fellatio) kwam hij in tehuizen en jeugdgevangenissen. Nergens werd een werkelijke poging tot behandeling van zijn problematiek rond de pedofilie ondernomen. Na alle straffen was hij voortdurend bang opnieuw gestraft te zullen worden. Op zijn zevenentwintigste jaar doodde hij in paniek tijdens een boswandeling een achtjarig jongetje. Tientallen jaren detentie volgden. Na drie jaar onderzoek adviseerde ik tot een rechterlijke machtiging waardoor hij ook na ontslag (tijdens een proefverlof) onder behandeling zou kunnen blijven. Ik sprak als mijn mening uit dat hij weliswaar pedofiel zou zijn en blijven, maar dat, mits onder intensieve begeleiding, de kans op herhaling van doodslag nihil was. Voor het afgeven van de krankzinnigverklaring moest een niet-behandelend psychiater geraadpleegd worden. Helaas weigerde die zo'n krankzinnigverklaring af te geven, zodat de man zonder intensieve begeleiding werd vrij gelaten. Nadien doodde hij geen kind meer, maar verviel herhaaldelijk in pedofiel handelen, hetgeen hem weer enige jaren gevangenisstraf opleverde. Doordat hij zichzelf via een televisieprogramma bekend maakte, volgde grote opwinding in de wijk waar hij woonde en moest hij daaruit naar elders vluchten.

Liefde voor kinderen

Mensen zonder steun opjagen betekent slechts vergroting van de kans op gewelddadige paniekreacties. Intensieve, zeer deskundige begeleiding is kostbaar, maar het voorkomen van kinderdoding lijkt zulke uitgaven te rechtvaardigen. Eén van de belangrijkste pijlers waarop de pedofiel moet kunnen steunen, is de medemenselijke herkenning. Uit deze drie illustraties wordt dat duidelijk. De vraag of pedofilie en/of pedoseksualiteit beheersbaar zijn hangt uiteraard samen met de wijze waarop diegenen die zich rondom de pedofiel bevinden, zich opstellen. Hoe definiëren zij pedofilie en pedoseksualiteit? Hoe tolerant of intolerant stellen zij zich op? Bieden zij zo nodig hulp aan of bedreigen, verstoten en straffen zij uitsluitend?
Wanneer ik over pedofilie spreek, betekent dat voor mij, in overeenstemming met de taalkundige betekenis van het woord, in de eerste plaats dat het gaat om liefde voor kinderen. Daar horen geweld en dwang niet bij. Wie een kind geestelijk of fysiek kwetst ter verkrijging van eigen genot, misbruikt en is niet pedofiel maar pedovijandig. Daarbij gaat het, zoals bij elk geweld en bij elke dwang, om criminaliteit. Soms is er zelfs geen sprake van pedoseksualiteit, namelijk wanneer de misdadiger het kind als koopwaar voor criminele pedoseksuelen manipuleert, zonder het zelf seksueel te misbruiken. Dan gaat het dus om niet-pedofiele en/of niet-pedoseksuele criminaliteit. Natuurlijk is juist in zulke gevallen, beheersing ván de daders maximaal nodig, en zal, wanneer dit in vrijheid onmogelijk blijkt, soms langdurige of permanente vrijheidsbeneming nodig zijn. Het is overigens van groot belang te onderscheiden tussen als paniekreactie na misbruik, en gewelddadigheid tijdens misbruik als bron van lust (sadisme, lustmoord). In de berichtgeving in de media wordt dit onderscheid maar zelden verduidelijkt. De eerste pijler waarop de pedofiel zou moeten kunnen steunen is dat men valse bestempelingen nalaat.

Gedrag en gevoelsinstelling

In de psychiatrie wordt momenteel veel gebruik gemaakt van een soort indeling van de geestelijke stoornissen met de naam DSM (Diagnostic Statistical Manual). Het gaat daarbij vooral om definities die bruikbaar moeten zijn voor onderzoekswerk. Ook de pedofilie wordt daarin omschreven. Het eerste criterium luidt dat de persoon die als pedofiel wordt omschreven 'gedurende een periode van tenminste zes maanden recidiverend intense seksueel opwindende fantasieën, seksuele drang of gedragingen heeft, die seksuele handelingen met één of meer kinderen in de pre-puberteit (in het algemeen dertien jaar of jonger) met zich meebrengen'. Natuurlijk zijn getallen als zes maanden en dertien jaar arbitrair. Wat te doen als het om vijf maanden ging? En hoe groot is het verschil in geestelijke en fysieke rijping tussen het ene kind en het andere kind van omstreeks dertien jaar? En gaat het om zo nu en dan optredende drang, fantasieën of gedragingen, of betreft het een in die periode dag en nacht als een continue obsessie voortdurende toestand? En vooral: om welke seksuele handelingen gaat het? Om strelingen, kussen en masturbatie, of om penetratie? De gegeven definitie zou misschien, gezien de woorden 'seksuele handelingen', beter passen bij pedoseksualiteit dan bij pedofilie. Pedoseksualiteit beschrijft vooral gedrag en pedofilie een gevoelsinstelling. De omschrijving van DSM laat zowel ruimte voor uiterst fijnzinnige en tedere betrokkenheid, alsook voor gewelddadig, crimineel gedrag. Zo'n classificatie laat statistische bewerking van gegevens toe, maar zet de pedofiele mens als een vervreemd wezen apart. Deze psychiatrische classificatie biedt de pedofiel geen enkele handreiking en is daarvoor ook niet bedoeld. Maar een louter natuurwetenschappelijke benadering, die ook bij de psychiatrische opleiding een grote rol speelt, kan veel kwaad doen. Zij leert de aanstaande hulpverlener niet om samen met de pedofiel op zoek te gaan naar een verantwoorde omgang met de liefde voor kinderen. De tweede pijler voor de pedofiel zou moeten bestaan uit een verbeterde geesteswetenschappelijke opleiding van de hulpverleners. Een knelpunt waaraan in de geestelijke volksgezondheid nog steeds teveel wordt voorbijgegaan is de betekenis die vooral in religieuze kringen aan pedofilie (en homofilie!) ordt gehecht. In de discussies over de pedofilie moeten de religieuze standpunten meer aandacht krijgen. Gelukkig worden er de laatste tijd ook van kerkelijke zijde meer standpunten naar voren gebracht.

Heksenjacht

Enige tientallen jaren geleden veroorzaakte alleen al het horen van de term homoseksualiteit bij velen een bijna instictmatig optredend gevoel van walging en veroordeling. Eind vijftiger jaren werkte ik als assistent-geneeskundige in paviljoen 3 van het Wilhelminagasthuis in Amsterdam. Ik zag er regelmatig homoseksuele mannen die ernstige zelfmoordpogingen hadden gedaan, doordat zij het leven als, meestal ook door hun familie, verachte mensen, niet langer konden verdragen. Een groot gevaar van de huidige ongenuanceerde veroordeling van pedofielen is dat daardoor suïcides en gewelddadige paniekreacties in frequentie zouden kunnen gaan toenemen.
Nadat enige tientallen jaren lang ook pedofilie een bespreekbaar onderwerp was geworden, ontstaat thans de neiging tot hernieuwde criminalisering en heksenjacht. Zoals homofilie tot voor kort een verboden onderwerp was en het zwijgen daarover velen tot eenzaam lijden en zelfdoding dreef, zo dreigt nu rond pedofielen door vertekening hetzelfde te gebeuren. Grove simplificaties en generalisaties zijn aan de orde van de dag. Alle pedofielen worden, zo niet als identiek, toch op z'n minst zeer verwant met figuren als Marc Dutroux beschouwd. 'Ze' zijn gevaarlijk. 'Het' is schadelijk. Ze moesten 'ze allemaal'...
Ook hetero- en homoseksueel gedrag tussen volwassenen varieert van lichamelijk en psychisch spel van twee elkaar liefhebbende mensen tot de gruwelijkste lustmoorden en zakelijke exploitatie. Maar ondanks de vele 'seksuele misdrijven' wordt volwassen seksueel gedrag (terecht) niet gestigmatiseerd. Er is gelukkig geen roep om 'álle homo's en hetero's...!'
Gelukkig zijn er zeker radio- en televisieprogramma's waarin met veel tact en voorzichtigheid te werk wordt gegaan.

Lijfelijke tekenen van liefde

Kan de zich niet-pedofiel noemende mens pedofiele gevoelens in zichzelf herkennen? Hoe gaan liefdevolle ouders met hun kinderen om? Het contact tussen het moeder- en vaderlijf en dat van het kind is in de eerste levensfase zeer intiem en die intimiteit vormt een van de voorwaarden voor een goede ontwikkeling van de lijfelijke omgang met latere partners. De ouders knuffelen, zoenen en raken bij het wassen het hele kinderlijf, ook de genitalia aan. Hoeveel moeders die het jongetje wassen, herinneren zich niet het verstijven van de jongenspenis? Moeders kennen zelf soms duidelijke genitale prikkeling tijdens het borst-voeden, vaders kennen soms erecties tijdens het liefkozen van hun kinderen. Dat zijn normale lijfelijke tekenen van liefde. Wanneer ouders zulke ervaringen niet laten volgen door verdergaand en op eigen lustbevrediging gericht seksueel gedrag, is er geen sprake van schade of immoraliteit. Er zijn geleidelijke overgangen van normale ouderlijke zorg en liefde voor hun kinderen naar incest enerzijds en afstandelijkheid en verwaarlozing anderzijds. De uitwisselingen van tederheden tussen de ouders onderling en tussen ouders en kinderen, vormen pijlers waarop het kind voor de ontwikkeling van het eigen gedrag kan steunen. Ook tussen ouders en kinderen lukt het echter niet steeds om de noodzakelijke grenzen te respecteren. We spreken dan van te sterke binding of zelfs incest. En ook daarbij kan het om liefdevol of criminele vormen van grensoverschrijding gaan. Maar de gezonde ouder onthoudt zich niet alleen van dwang en van contacten waarvoor het kind nog niet is toegerust. Die laat bovendien de psychische en fysieke afstand geleidelijk groeien opdat het kind de objectrelatie kan verplaatsen naar de toekomstige partner. Behalve misschien bij ernstige ziekte wast men het kind niet meer. Men knuffelt niet meer lijf aan lijf met oudere kinderen. Het kind slaapt niet meer bij vader en moeder op de kamer of in bed. Maar ik zag, mede onder invloed van de rage in de media over incest, hoe (neurotische) ouders zichzelf niet meer vertrouwden en in verwarring raakten over eigen gedrag en verlangen. Soms waren angstige afstandelijkheid en zelfs verwaarlozing er het gevolg van.

De pedofiel is wat erotische opwinding betreft, zeker niet iemand met voor alle andere mensen volledig onbekende gevoelens. Maar de werkelijke pedofiel onthoudt zich van pedoseksuele handelingen waar het kind nog niet, of niet meer, aan toe is of zelfs schade door lijdt. Daarbij moet ook rekening gehouden worden met wat binnen de cultuur als acceptabel en onacceptabel wordt beschouwd. Maar gewelddadige penetratie van een klein kind hoort nooit bij pedofiel gedrag!

Voor een kwartje

Men wijst terecht op het gevaar van de machtsongelijkheid. Daartoe hoort ook de onmacht van het kind om de betekenis van het gedrag en de mogelijke gevolgen daarvan te door- en voorzien. Natuurlijk is er bij pedofilie sprake van machtsongelijkheid die extra zorgvuldigheid vereist. Over die machtsongelijkheid wordt momenteel gesproken alsof het een eenduidig begrip met een uitsluitend negatieve betekenis is. Maar ze bestaat ook altijd tussen ouders en hun kinderen. Machtsongelijkheid is in relaties niet, zoals velen nogal eens simpel stellen, per definitie kwaadaardig. Die ongelijkheid kan in relaties ten goede (ter bescherming en voor het bieden van hulp) en ten kwade (in dienst van eenzijdige winst en lustbevrediging) worden aangewend. Machtsongelijkheid is tussen volwassenen en kinderen altijd aanwezig en onvoldoende grond voor uitsluiting van intimiteit. Machtsmisbruik bij grensoverschrijdend gedrag, ten dienste van het genot van de machtigste, is verwerpelijk.
Het lijkt zo gesteld misschien duidelijk. Niets is minder waar. De mogelijke schade is ook cultuurafhankelijk. In de ene cultuur knuffelt en kust men veel vaker en anders dan in de andere. In sommige culturen zijn de kleintjes bij het liefdesspel van de ouders aanwezig en worden er zelfs meer of minder ver bij betrokken, in andere culturen gaat de slaapkamerdeur op slot. Wat men beleeft als te beheersen gedrag, is ook in hoge mate afhankelijk van het gedrag en het voorbeeld van de ouders en andere opvoeders. Het gaat bij de schadelijkheid zeker niet uitsluitend om het gedrag of de betrokkenheid van de pedofiel. De schade os ook van de reacties en het voorbeeld van de medemensen afhankelijk. Welke psychische schade lijdt het kind door verhoren en onderzoeken? Welke betekenis hebben de vele uitingen van angst en walging in aanwezigheid van het kind dat contact had met een pedofiele oudere? Ik maakte begin zestiger jaren nog mee hoe een zesjarig jongetje door een geüniformde agent van school werd gehaald nadat een even oud meisje thuis verteld had dat hij voor een kwartje in haar broekje had gekeken! De ouders verkeerden in paniek. Ik heb het gezin en het kind enige maanden begeleid! Het ging er vooral om de opgetreden schaamte en de angst voor de toekomst te bestrijden door al het zogenaamd 'zieke' en 'zondige' weer een normale plaats te geven. Wat betekenen de vele beangstigende televisie-uitzendingen? Na liefdevolle contacten zal nogal eens de traumatisering door milieureacties ernstiger gevolgen hebben dan het contact zelf. Dat betekent overigens ook, dat de pedofiel rekening moet houden dat mogelijk zelfs op zichzelf positieve handelingen schadelijke gevolgen kunnen hebben. De pedofiel zal met de normen van de primaire leefcultuur rekening moeten houden.

Begeleiding en behandeling

Wij kennen in ons land voor wetsovertredingen straf, begeleiding en behandeling. Straf heeft verschillende doeleinden, waaronder beveiliging en vergelding. Wij kennen gelukkig geen doodstraf. Dat betekent dat in principe iedere dader na eventuele vrijheidsberoving opnieuw terugkeert in de maatschappij. Dat houdt in dat naast straf, begeleiding en behandeling nodig zijn, in de hoop dat de gestrafte zich weer een plaats in de vrije maatschappij zal weten te veroveren, met zo min mogelijk kans op herhaling en op zo'n bevredigend mogelijke manier. Straf die alleen dient ter vergelding en beveiliging leidt tot angst, agressie en depressiviteit. Zij ondermijnen de mogelijkheid tot behandeling en begeleiding. De thans groeiende neiging alle pedofiele en pedoseksuele verlangens en gedragingen als onmenselijk, misdadig en smerig en pervers voor te stellen, zullen begeleiding en behandeling belemmeren en daarmee crimineel gedrag bevorderen. In dat opzicht lijkt er sprake van een vergelijkbare ontwikkeling als met de drugsbestrijding. Het is te hopen dat bepaalde Amerikaanse benaderingen, zoals het melden van de komst van een ex-gedetineerde pedofiel in de wijk, hier geen verdere navolging zullen vinden. De belangrijkste pijler die wij de pedofiel kunnen bieden is medemenselijkheid. Dat is overigens niet hetzelfde als goedkeuring van grensoverschrijdend pedoseksueel gedrag, en al helemaal niet het aanmoedigen van gewelddadigheid, dwang, chantage, financiële exploitatie en andere vormen van criminaliteit.

Tenslotte: heeft de pedofiel behoefte aan begeleiding en steun? Zolang deze voelt dat de hulpverleners geen weet hebben van de aard van de problemen en per definitie uitgaan van criminaliteit en minderwaardigheid, luidt het antwoord: nee. Dat familieleden van misbruikte kinderen angstig worden en zich soms vijandig gaan opstellen is volkomen begrijpelijk. Maar daarop kan het antwoord alleen maar zijn dat er adequate slachtofferhulp moet worden geboden en dat men hen niet met hun nood alleen laat. Tot die hulp behoort niet het stimuleren van een heksenjacht. Een heel goed voorbeeld werd destijds gegeven door de burgemeester van Ochten bij Tiel, die zowel met een pedofiele delinquent en zijn familie, als met de familieleden van de geschade kinderen contact opnam en actief meehielp zoeken naar een goed begeleide terugkeer van de betrokken jongeman in de gemeenschap.

bron: 'Geen onbekende gevoelens' door Dr. F. van Ree (psychiater); VOORLOPIG (uitgave: Stichting Hervormd Nederland/Oecumenische Pers); 31e jaargang, no. 2; februari 1999