Het belang van de ervaring

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Sommige auteurs zoals Herman (1981) en Travin et al (1985) beschouwen seksuele contacten tussen kinderen en volwassenen als misbruik, omdat deze contacten per definitie schadelijke gevolgen zouden hebben. Zoals uit het overzicht van studies naar gevolgen van contacten met volwassenen is gebleken, is deze aanname niet juist. [...]

Kinderen nu kunnen volgens Finkelhor niet instemmen omdàt ze kind zijn. Ze beschikken niet over de kennis om een 'geïnformeerde' beslissing te nemen en hebben vanwege het inherente machtsverschil zowel in wettelijke als psychologische zin niet de vrijheid 'ja' of 'nee' te zeggen. Omdat kinderen niet kunnen instemmen moet seksueel contact met ouderen volgens hem in moreel opzicht dan ook altijd veroordeeld worden. Aan deze veronderstelling wordt echter niet consequent vastgehouden. In de literatuur over seksueel misbruik worden kinderen namelijk wel geacht te beschikken over het vermogen om instemming te geven wanneer het contacten met leeftijdgenoten betreft (zie bijvoorbeeld Baker & Duncan, 1985; Wyatt & Peters, 1986a). Het is de vraag of het ontbreken van 'instemming' als zodanig werkelijk het criterium is om bij contacten met volwassenen van misbruikt te spreken. Logischerwijs zou dan namelijk alle omgang met kinderen, en niet alleen de seksuele, in moreel opzicht afkeurenswaardig zijn. In het kader van opvoeding en onderwijs doen volwassenen immers uiteenlopende dingen met en voor kinderen, zonder dat instemming als criterium wordt gebruikt om het gedrag van die volwassenen te beoordelen. (Zie O'Carroll (1980) voor een discussie over het begrip consent bij seksuele contacten tussen kinderen en volwassenen). [...]

Wanneer in de hulpverlening seksuele contacten, ongeacht de wijze waarop ze tot stand gekomen en ervaren zijn, a priori als misbruik worden beschouwd, bestaat het gevaar dat het proces van het tot slachtoffer maken van de betrokkene, door de hulpverlener wordt gestart (Schulz, 1982). [...]

Wanneer geloof voor ouders belangrijker was, bleek daar een beschermende werking van uit te gaan. Tegelijkertijd kon dat geloof jongeren ook van seksueel contact afhouden. Als het gaat om het huidig seksueel functioneren lijkt het geloof van de ouders weinig invloed te hebben. Alleen voor jongens geldt dat naarmate geloof voor de ouders belangrijker was, ze nu meer angst voor seksueel contact hebben. Mogelijk hebben zij, doordat het geloof hen van seksueel contact afhield, minder ervaring met seksueel contact opgedaan en zijn ze vanuit die onervarenheid nu angstiger voor seksueel contact. Jongeren blijken naarmate geloof voor de ouders belangrijker was, inderdaad ook minder ervaring met seksueel contact te hebben. Onduidelijk is echter waarom meisjes nu dan ook niet meer angst voor seksueel contact hebben; mogelijk spelen voor hen andere factoren een meer bepalende rol. Geloof leek meisjes tegen vervelende ervaringen te beschermen. Dat is dan mogelijk ook de reden waarom naarmate geloof voor de ouders belangrijker was, meisjes nu meer tevreden zijn met hun seksuele leven. [...]

De term seksueel misbruik doet dus geen recht aan deze verschillen tussen en binnen vrijwillige en onvrijwillige contacten. Omdat deze term een te grote verscheidenheid aan ervaringen omvat is hij voor zowel hulpverlening als onderzoek weinig bruikbaar. Gezien de evocatieve kracht, heeft het begrip waarschijnlijk alleen politieke betekenis. De morele opvatting dat seksueel contact tussen kinderen en volwassenen altijd een vorm van misbruik is - een opvatting die ook het uitgangspunt is geweest bij veel onderzoek naar dit onderwerp - wordt niet door de empirie gesteund. De resultaten van het onderzoek maken namelijk duidelijk dat er jongeren zijn die in hun vroege jeugdjaren seksueel contacten hebben met volwassenen, welke contacten door hen, volgens hun beoordeling achteraf, als vrijwillig zijn ervaren. Verschillen in macht tussen twee personen, welke kunnen voortvloeien uit leeftijd en ervaring, blijken er niet noodzakelijk toe te leiden dat seksuele contacten onvrijwillig tot stand komen [...]. Uitgaande van de hier beschouwde kenmerken van het huidig functioneren, lijken de vrijwillige contacten met volwassenen geen nadelige gevolgen te hebben gehad; de effecten lijken identiek aan die van de vrijwillige contacten die jongeren met leeftijdgenoten hebben.

bron: Uit het boek 'Het belang van de ervaring - Over seksuele contacten in de vroege jeugdjaren en seksueel gedrag en beleven op latere leeftijd' door Theo Sandfort; Publicatiereeks Homostudies Utrecht (13); 1988