Het doen en laten doen van de Grieken

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Het ideale 2Oste eeuwse jongetje heeft, zoals bekend, geen seksualiteit. Het heeft het niet nodig, en vandaar ook dat kinderseksualiteit niet bestaat. Pas wanneer het zich kan gaan voortplanten, wordt het automatisch heteroseksueel. De onzekerheid over de geldigheid van dit automatisme weerspiegelt zich in de angst voor de veronderstelde gevolgen van homoseksuele verleiding. Pedofielen betwisten - en terecht - de veronderstelling van deze algemeen heersende a-seksualiteit onder jongetjes, maar ook zij - zoals geregeld valt te beluisteren - melden met vaak nauwverholen trots dat hun vriendjes ondanks alles later toch allemaal keurig hetero zijn geworden. Het Griekse jongetje had in het ideale geval al evenmin zoiets als seksualiteit. Het was a1 even gedeseksualiseerd, zij het niet op grond van het primaat van de hetereoseksuele genitaliteit, maar vanwege wat ik voorstelde te noemen het primaat van zijn oudere, actieve partner. Het maakte niet uit hoe "homo-" of "heteroseksueel" het jongetje zich naderhand ging gedragen; zaak was alleen dat het, eenmaal man geworden, een actieve rol ging vervullen ten opzichte van drie mogelijke seksuele objecten (vrouw, man, jongen).

Centraal staat bij elk van de drie mogelijke seksuele betrekkingen de greep van de actieve partner op het seksueel object. Bij verhoudingen tussen man en vrouw en tussen man en man is zij vanwege het te verwachten tegenwerk geringer dan bij die tussen man en jongen en zijn de risico's om het onderspit te delven groter. Kenmerkend voor man-vrouw-verhoudingen zijn de grote geneigdheid en de actieve bereidheid tot overspel die aan vrouwen worden toegeschreven. Het zijn de projecties van mannelijke verlangens en angsten (waarbij het er maar van afhangt of je haar man bent dan wel haar minnaar). Fantasieën en angsten als deze zijn een functie van de relaties van mannen onderling, zoals ook de relaties van mannen onderling een functie zijn van deze angsten en fantasieën. Man-man-verhoudingen worden gekenmerkt door de strijd om de actieve rol. De algemene haat tegen de passieve partner verraadt de angst dat deze in staat is de rollen om te draaien en dat men zelf onder hen komt te liggen. Essentieel bij man-jongen-verhoudingen is de initiatiefloosheid, het a-seksuele van de jongen (totdat hij, opgegroeid tot man, bedreigend wordt en seksueel minder aantrekkelijk). Dit ideaalbeeld is de projectie van vroegere angsten en verlangens van de man: wederkerigheid zou de superioriteit van de actieve partner in gevaar brengen (en - zoals we bij man-man-verhoudingen zien - agressie oproepen).

Waar het gaat om een driedeling op basis van seksueel object (man-vrouw, man-man, man-jongen), is Dover van een tweedeling uitgegaan (omgezet in een kwaliteitsverschil, maar desondanks gehandhaafd), waarbij de ene helft niet wordt behandeld en waarbij wat overblijft, het "homoseksuele", niet of niet voldoende wordt onderscheiden naar object (de passieve man / de gedeseksualiseerde jongen).

bron: Boekbespreking 'Het doen en laten doen van de Grieken' door Coos Dijkema; Betreft het boek 'Greek Homosexuality' door K.J. Dover, London-Duckworth, 1978; Uit: Groniek, nr. 6; Themanummer 'Homoseksualiteit & geschiedenis'; januari 1980