Mogen we meerijden, vroegen we

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Franciska: We waren op weg naar grootmoeder, toen er langzaam een auto voorbij kwam. Mogen we meerijden, vroegen we. Toen haalde hij zijn piemel te voorschijn en zei dat ik hem even moest helpen. We zouden een ijsje krijgen. Ik deed het. Hij zette ons af bij de rijksweg, maar hij gaf niet eens een ijsje, alleen maar een dubbeltje.

Aloysius: Ik keek m'n fiets na toen hij naast me stopte. Hij beloofde me een cent als ik door het portierraampje heen even zijn roe vasthield. Speel hier eens mij, zei hij. Toen ik het gedaan had, kreeg ik een dubbeltje. Hij had een cent beloofd, maar ik deed net of ik niets merkte.

Treesje: Hij beloofde dat er mooi wit spul zou komen, maar toen kwam mijn moeder de weg op en hij reed hard weg. Dat mooie spul hebben we niet eens gezien.

[Voorbeelden betreffende dezelfde kinderlokker.]

bron: Uit het boekje 'De kinderverleider', samengesteld door W. Rietman (pseudoniem); Uitgeverij Semper Agendo N.V. Apeldoorn; 1970