Pedoseksualiteit wel of niet?

From Brongersma
Jump to: navigation, search

In het NRC/Handelsblad van 29 februari verscheen van het hoofdbestuurslid J.L. [edit] een artikel met de kop "Oude Pekela gooit alle 'viezerikken' op één hoop". U vindt het op deze pagina nog eens integraal afgedrukt. Hij pleit hierin voor een ruimhartiger benadering van pedoseksualiteit, oftewel seksueel contact van volwassenen met kinderen. Dit contact zou niet als regel een schadelijk effect hoeven te hebben. Het kind zou er zelfs voor kunnen kiezen. Voor de lezers misschien nog het opmerkelijkst was, dat J. zich bereid toonde om incest onder bepaalde omstandigheden te aanvaarden, namelijk wanneer het zelfbeschikkingsrecht van het kind er geen geweld door wordt aangedaan.

Van kinderpsychiater G.H.F. van der Most uit Smilde volgde enkele dagen later een scherpe veroordeling van dit artikel in hetzelfde dagblad. Bovendien verlangde Van der Most dat het Humanistische Verbond zich van de uitlatingen van J.L. zou distantiëren. Op 12 maart werden er in de vergadering van de Verbondsraad vragen gesteld naar aanleiding hiervan. Op 19 maart gaf algemeen secretaris Jorine Boegem in een ingezonden brief aan het NRC/Handelsblad het standpunt van het hoofdbestuur: "J.L. ... heeft zijn argumenten mede ontleed aan de discussies binnen het Humanistisch Verbond. Zijn uitspraken dienen echter niet gelezen te worden als het oordeel van het Verbond over pedoseksualiteit. Het hoofdbestuur verwacht over enige tijd met een afgewogen standpunt over pedoseksualiteit naar buiten te treden ..."

Vervolgens besloot het hoofdbestuur op 13 april tot de instelling van een studiecommissie pedoseksualiteit. Onder voorzitterschap van Arie den Broeder. Deze commissie, bestaande uit vijf hoofdbestuursleden, zal ook gebruik maken van het advies van deskundigen. Als uitgangspunt zal ze onder andere hanteren de paragraaf over jongerenrechten uit het Humanistisch Manifest 1987-1989, die luidt: "Jongerenrechten dienen zoveel mogelijk gesteund te worden uit het oogpunt van opvoeden in vrijheid tot zelfbeschikking en (de daaruit voortvloeiende) eigen verantwoordelijkheid. De rechtspositie van minderjarigen moet daarom versterkt worden, evenals de bescherming van kinderen tegen geweld en niet door hen gewenste intimiteiten. Wél door jongeren gewenste intimiteiten dienen even constructief benaderd te worden als andere vormen van ontplooiing, gericht op zelfbeschikking."

Bijdragen aan de gedachtenvorming over pedoseksualiteit worden door de commissie op prijs gesteld. Ze kunnen worden gericht aan het hoofdbestuur in Utrecht. In HUMUS zal plaats worden ingeruimd voor een keuze uit de binnenkomende reacties. Een eerste reactie is hiernaast al afgedrukt: het standpunt van een aantal leden van de landelijke vrouwengroep naar aanleiding van het artikel van J.L.



Oude Pekela gooit alle 'viezeriken' op één hoop - J.L. [edit] in NRC/Handelsblad, 29 februari 1988

In de media vallen regelmatig de begrippen incest, gewelddadige seksualiteit en pedofilie en helaas worden ze zeer vaak in één adem genoemd. Het verschijnen van de voorzitter van 'Martijn', de belangenorganisatie van pedoseksuelen op de televisie en 'Oude Pekela', de plaatsnaam die een zeer beladen betekenis heeft gekregen, worden op onjuiste manier met elkaar in verband gebracht. Toch is er in beginsel een essentieel verschil tussen wat in Oude Pekela gebeurd schijnt te zijn en dat wat we onder pedoseksualiteit dienen te verstaan. Op het moment dat het zelfbeschikkingsrecht van kinderen wordt aangetast, kan niet meer over pedoseksualiteit worden gesproken, maar moeten termen als aanranding, misbruik en verkrachting worden gehanteerd.

Onder incest wordt meestal het gewelddadige seksuele contact van een ouder en een kind, meestal vader en dochter, verstaan. Dat er echter ook andere vormen van 'bloedschande' bestaan, die niet gewelddadig zijn en dus het zelfbeschikkingsrecht van eenieder onaangetast laten, lijdt geen twijfel. En wat zou daar tegen kunnen zijn, behalve uit een levensbeschouwelijke hoek? Daarmee wil gezegd zijn dat niet incest op zichzelf verkeerd is, maar dat de aantasting van het zelfbeschikkingsrecht is te veroordelen. Echter: zowel incest als pedofilie wordt door velen principieel afgewezen als waren zij te allen tijde verkeerd.

Voorstellingsvermogen

'Oude Pekela' is een bijzonder geval. Niet alleen door het feit dat (helaas!) amper bekend is wat er met kinderen werd uitgevoerd, maar ook doordat opvoeders, politie en media blijkbaar niet weten hoe ze met de materie moeten omgaan. Het zou kunnen zijn dat de schade die de kinderen is berokkend meer door de publiciteit en ophef over het misbruik dan door het misbruik zelf is ontstaan. Let wel: dit zou kunnen. Veel mensen gaan er van uit dat gewelddadige seksualiteit het enige is dat met kinderen mogelijk is. Ze kunnen zich niet voorstellen dat er seksualiteit tussen kinderen en volwassenen mogelijk is, waarin het voor beiden heerlijk toegaat. Dat dit contact niet met dat van twee volwassenen mag worden vergeleken, spreke voor zichzelf. Dit geldt niet alleen voor het geestelijke, maar ook voor het lichamelijke contact. Zo zal coïtus niet of zelden voorjkomen. Dat wil echter niet zeggen dat het contact minderwaardig is. Waarom ook? Als ze er beiden voor kiezen, is dat toch hun zaak?! Of kunnen volwassenen zich niet voorstellen hoe ze met kinderen kunnen knuffelen en seksueel bezig zijn? En de gedachtengang dat de volwassene altijd de baas is getuigt ook van gebrek aan fantasie en ervaring. De afkeuring van de pedoseksualiteit en de koppeling van pedoseksualiteit aan verkrachting en misbruik berust dan ook niet alleen op afwezigheid van bezinning, maar ook op gebrek aan kennis over en inzicht in seksualiteit in het algemeen en dat van kinderen in het bijzonder.

Twijfel

De jaren zestig hebben dan een golf van meer openheid over seksualiteit teweeggebracht, om de mentaliteit over seksualiteit te veranderen van een negatieve naar een positieve instelling is meer nodig. De meeste 'pedofielenhaters' willen zich niet (laten) informeren. Hun afkeer tegen het verschijnsel pedoseksualiteit is daarvoor te groot. Waarom houden mensen zo hardnekkig aan hun schijnzekerheden vast? Het is voor hen bedreigend dat kinderen wel degelijk een eigen vorm van seksualiteit bezitten en dat zij het wel spannend en leuk vinden om met volwassenen seksualiteit te beleven.

Stel dat 'bescherming' van kinderen tegen seksualiteit met volwassenen net zo schadelijk blijkt te zijn als of misschien wel schadelijker dan het (krampachtig) onderdrukken van seksualiteit. Dat zou betekenen dat men zelf een 'verkeerde' opvoeding meegeeft. Als opvoeder moet men keuzes maken en of die keuzes goed of slecht worden bevonden, kan de toekomst alleen uitwijzen. De faalangst van ouders is echter groot: ze doen alles om hun kinderen zo goed mogelijk tegen vreemde invloeden te beschermen. Het lijkt me niet juist kinderen van seksualiteit te weerhouden, zonder dat daar goed over is nagedacht en rekenschap is afgelegd over de bestaande vooroordelen. Onderzoek kan hierbij helpen. Het zou wel eens kunnen dat het ontbreken van seksualiteit in de kindertijd met volwassenen ertoe leidt dat men later als volwassene niet met kinderen seksualiteit beleeft en er zijn kinderen voor wil 'beschermen'. Die kinderen zullen later als volwassene de kringloop vol maken.

Dat seksualiteit van volwassenen met kinderen iets anders is dan seksualiteit met volwassenen wil hier niet bestreden zijn. Onderstreept moet worden dat volwassenen een bijzondere verantwoordelijkheid hebben jegens kinderen en hun seksualiteit. Het is en blijft verkeerd als kinderen (en volwassenen!) tot iets gedwongen worden dat ze niet willen. Het recht op zelfbeschikking mag niet worden aangetast. Maar het gaat te ver als de speciale verantwoordelijkheid van de volwassenen een verbod van pedoseksualiteit zou betekenen. Zo'n verbod is een bewijs dat de samenleving niet in staat blijkt met de seksualiteit tussen kinderen en volwassenen om te gaan.

'Oude Pekela' en 'Martijn': alle 'viezerikken' op één hoop? Nee. Maar om dat te accepteren is het inzicht nodig dat niet de leeftijd ter discussie staat maar het recht op zelfbeschikking van kinderen en volwassenen, waarmee velen nog niet genuanceerd kunnen omgaan. Om dat te leren dient men niet alleen beter op de hoogte te geraken van dat wat kinderen met volwassenen kunnen beleven, maar moet ook de bereidheid aanwezig zijn om de eigen zekerheden ter discussie te stellen. Niet in twijfel hoeft te worden getrokken dat geweld met en tegen kinderen bestreden moet worden. Wel moet worden betwijfeld of vervolging van pedoseksuelen terecht is en of daarmee niet volwassenen en kinderen schade wordt aangedaan.

De auteur is hoofdbestuurslid van het Humanistisch Verbond.



In de NRC van 29 februari geeft J. zijn persoonlijke mening over een bepaalde vorm van een seksuele relatie, namelijk die tussen een volwassene en een kind. Als een dergelijke verhouding bestaat tussen een ouder en een kind noemen we het incest, gaat het over een volwassene en een kind van anderen dan heet het pedoseksualiteit. J.L. is van mening dat dergelijke relaties niet bij voorbaat slecht voor het kind en daarom afkeurenswaardig zijn, maar dat men pas van slecht kan spreken als het zelfbeschikkingsrecht van het kind aangetast wordt, zolang beide partners in de relatie vrij kiezen is het hun eigen zaak, vindt hij, en is bescherming van het kind door ouders of anderen overbodig. Het kind kiest immers zelf in vrijheid voor het geestelijke en lichamelijke contact met de oudere.

Het is deze opvatting over de vrijheid van het aangaan en afbreken van de relatie en over de mogelijkheid van en daarmee het recht op zelfbeschikking van een kind, die wij met klem willen bestrijden.

Natuurlijk kan een kind in zekere mate zelf beschikken en zelf keuzen maken en heeft het in die zin ook een zelfbeschikkingsrecht, maar hoe jonger een kind is des te meer moet het ook in zijn handelen en zijn keuzen begeleid worden. Dit zo goed mogelijk te doen is een plicht van op de eerste plaats de ouders en is vervolgens een verantwoordelijkheid van andere opvoeders in de omgeving van het kind. Het hele groei-, leer- en ontwikkelingsproces is een begeleide gang waarvan wij hopen dat die zijn voltooiing vindt in een volwassen mens die zelfstandig in vrijheid en verantwoordelijkheid kan leven en aan wie daarom een zelfbeschikkingsrecht toekomt. Tijdens dit proces mag een kind niet, méér vrijheid gegeven worden dan waarvoor het zelf verantwoordelijkheid kan dragen. Dat kinderen een volledig zelfbeschikkingsrecht zouden hebben zoals wij dat volwassenen toekennen, is een opvatting die niet strookt met de realiteit. Vanwege dit alles hebben kinderen een bepaalde mate van bescherming nodig van hun ouders, en die hoeft niet op grond van de faalangst gegeven te worden die J.L. de ouders toedicht, maar gewoon uit vanzelfsprekend verantwoordelijkheidsbesef.

Dat ouders hun kinderen dan ook beschermen tegen seksuele toenadering ligt voor de hand en is des te begrijpelijker naarmate kinderen jonger zijn. Kinderen moet hun eigen groeiproces gegund worden, zij zijn niet zonder seksualiteit, maar hebben hun eigen, zich ontwikkelende seksualiteit die bij hun leeftijd past. Ze kunnen daar in het algemeen heel goed zelf en met hun leeftijdsgenoten mee omgaan, wat niet wegneemt dat ze uiteraard met vragen en problemen bij hun opvoeders terecht moeten kunnen, waar ze dan ook op openheid en eerlijkheid moeten kunnen rekenen. 'Leren' in de vorm van een seksuele relatie tussen volwassene en kind heeft niets te maken met openheid, noch met eerlijkheid, maar alles met de behoefte van de oudere. Voor elke eerlijke seksuele relatie geldt dat gelijkwaardigheid en wederzijds respect essentieel zijn. Een dergelijke relatie tussen een volwassene en een kind is echter per definitie een machtsverhouding, omdat juist in deze verhouding beide partners niet in een gelijkwaardige positie zijn. Er is namelijk enerzijds een kind dat nog zoekend is en daardoor afhankelijk en snel te intimideren en anderzijds een volwassene die ter bevrediging van zijn behoeften dat kind nodig heeft. Hier is onmiskenbaar sprake van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. Een volwassene die zo'n verhouding durft aan te gaan neemt wel een zeer grote verantwoordelijkheid op zich.

Dat het bij een pedofiele relatie meestal anders toegaat dan in een relatie tussen volwassenen mag dan waar zijn, dat niet alle kinderen schade oplopen van zo'n relatie willen wij ook wel aannemen, maar het idee dat een kind vrij en onafhankelijk kan kiezen in dit soort zaken wordt door ons ten enen male verworpen. Dit idee kan niet dienen als basis voor verdediging van pedosexuele relaties.

Dat J.L. zijn mening in eerste instantie via de krant naar buiten heeft gebracht, vinden wij jammer; wij hopen dat de discussie binnen het H.V. voortgezet wordt.

Truus van Boljouw, Thea de Groot-Zurné, Elly Hoekzema, Margreet de Leeuw, Hanneke Looyen, Clari Passchier, Grietje Santing, allen lid van de landelijke vrouwengroep.



bron: Artikel 'Pedoseksualiteit wel of niet?'; HUMUS, nummer 2; 1988