Rapport "pedofilie en samenleving"

From Brongersma
Jump to: navigation, search

De eind 1973 geformeerde werkgroep pedofilie van het Nationaal Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid heeft op 8 december haar rapport "Pedofilie en Samenleving" bij het bestuur van het N.C.G.V. ingediend. De werkgroep heeft getracht de problemen, die er in de samenleving op het gebied van pedofiele relaties of verlangens bestaan, te inventariseren, er de achtergronden van te bestuderen, na te gaan welke tekorten de psychologische hulpverlening hierbij vertoont en tenslotte aanbevelingen te doen die gericht zijn op het verminderen van de gesignaleerde problemen, in het bijzonder met betrekking tot de hulpverlening.

Een van de leden van de werkgroep, die had meegedeeld pedofiele ervaringen te hebben, probeerde tijdens de gedachtenwisselingen steeds aan te geven wat er onjuist of slechts ten dele juist was aan de opvattingen van de overigen. Daarmee kon de groep een reeks opvattingen als veronderstellingen herkennen; dat werd bovendien nog vergemakkelijkt door het feit dat de meeste leden van de groep een aantal pedofielen persoonlijk hadden leren kennen. Tussen de bijeenkomsten van de groep door werden verschillende tijdrovende activiteiten ondernomen. Zo maakte bijvoorbeeld Jos van Ussel, die op 6 juli 1976 overleed, een cultuurhistorische studie over de positie van het kind in onze samenleving.

Er werd een landelijke enquête onder 200 hulpverleningsinstellingen voor jongeren over het schadelijkheidsvraagstuk gehouden en er werd bijvoorbeeld gesproken met politiefunctionarissen over hun ervaringen met het verhoor van kinderen in zedenzaken. De literatuurstudie leverde nogal eens het probleem op dat veronderstellingen als vaststellingen werden gepresenteerd waardoor men bijvoorbeeld goed moest letten op de verschillen en overeenkomsten tussen "een pedofiele vriendschap" en "een seksueel contact" met het kind.

Toegespitst op de taakopdracht van de werkgroep zijn de volgende onderwerpen aan de orde gekomen: de ontkenning en onderdrukking van de kinderlijke seksualiteit in de opvoeding, de strafbaarstelling van seksuele contacten met kinderen, het stereotiepe beeld over pedofilie en pedoseksuele contacten, het tekort aan wetenschappelijke kennis over het seksueel beleven van en met kinderen, het bewustwordingsproces van een pedofiele gerichtheid - respectievelijk het afweermechanisme daartegen, knelpunten bij de hulpverlening, problemen met de voorlichting, het vraagstuk van de schadelijkheid ten aanzien van de persoonlijkheidsontwikkeling van kinderen. In een afzonderlijk hoofdstuk zijn aanbevelingen gedaan over de genoemde onderwerpen, in het bijzonder ten aanzien van hulpverlening, de wetgeving en de strafwetstoepassing. De aanbevelingen zullen nog eens in een afzonderlijke brochure worden uitgegeven. Overigens zal Sekstant medio '77 uitvoerige aandacht geven aan het onderwerp "Kind en Seksualiteit" waarbij ook op de inhoud van het rapport zal worden ingegaan.

bron: < Rapport "pedofilie en samenleving" >; Sekstant, no. 1; januari 1977