Zedenangst - Oude Pekela

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Het verslag laat ook zien hoe de verhalen eerst over spelletjes gaan en van lieverlee veranderen in ernstige gevallen van misbruik. Volgens de onderzoekers Wakefield en Underwager is dit precies het patroon, dat kenmerkend is voor kinderen die bij herhaling worden ondervraagd. Die ondervragingen werken namelijk als leersituaties. De kinderen leren wat de volwassenen graag willen horen. De psycholoog Kagan heeft aangetoond dat kleuters en schoolkinderen er in sterke mate op uit zijn om volwassenen dat plezier te doen. Zij hebben nog niet het verstandelijke niveau bereikt dat ze kunnen begrijpen waar het allemaal precies om gaat, maar ze hebben wel het intuïtief vermogen om aan te voelen wat volwassenen prettig vinden en daar proberen ze aan te voldoen. Volwassenen die bezig zijn met een ondervraging letten op de logische en feitelijke inhoud van hun vragen. De kinderen echter reageren op gezichtsuitdrukkingen, toonhoogte van de stem en lichaamstaal. [...]

Als kinderen werkelijk meegenomen en misbruikt waren, zouden in hun herinnering die ervaringen het meest op de voorgrond dringen, die samenhingen met de traumatische momenten. De kinderen zouden hun ouders hebben verteld over slaag, bijna verdrinken, injecties en sadomasochisme vóórdat ze zouden beginnen over zulke relatief neutrale dingen als snoep, speelgoed en zwembaden. De geleidelijke escalatie in de verhalen waarbij de ernstige elementen pas later aan bod komen is kenmerkend voor het opwekken van informatie door ondervraging.
Marijke de Vries: "Later kwam eruit dat ze met haar hoofd zo lang onder water was gehouden tot ze bijna was gestikt. Dat was gebeurd als waarschuwing. De kinderlokkers hadden gedreigd: 'Als je iets tegen je mama of papa zegt, dan boren we hier een gaatje en dan rukken we je hartje eruit.' Ze prikten met hun vinger hard in haar borstje. (...) Wat ze die kinderen allemaal hebben laten doen! Sado-spelletjes met het uitdrukken van peuken, stokken en wie weet wat nog meer."
Het idee dat dit soort bedreigingen kleine kinderen er inderdaad toe zouden kunnen brengen de walgelijke aspecten van een ervaring te verzwijgen, schrijft aan hen een veel grotere verstandelijke beheersing van hun gedrag toe dan zij in feite hebben. Kleine kinderen gooien er juist die aspecten uit, die de meeste indruk op hen hebben gemaakt, zonder dat ze blijk geven van veel overweging vooraf. [...]

Na weken en maanden van verhoren gaan zeer jonge kinderen ook geloven dat zij misbruikt zijn. Het voortdurende paranoïde gedrag van de ouders versterkt het geloof van de kinderen dat er echt gevaar dreigt en leidt zo tot nog meer gedragsstoornissen. Ook het gedrag van anderen die in de affaire geloven versterkt die overtuiging. De algemene eensgezindheid is waarschijnlijk een voorwaarde voor het in stand blijven van de overtuiging van zowel ouders als kinderen. [...]

De kinderen van Oude Pekela leerden te geloven dat ze misbruikt waren. Zoals zij nu de wereld om zich heen ervaren, is er weinig onderscheid tussen hen en kinderen die werkelijk het slachtoffer van mishandeling zijn. De enigen die de kinderen schade hebben berokkend, waren de ouders, onderwijzers, artsen en hulpverleners. Het is echter niet eerlijk van hen een eenzijdig beeld te schetsen als van een dorp vol verontwaardigde zedenprekers. De meeste volwassenen van Oude Pekela waren zelf ook het slachtoffer van de massahysterie. [...]

Veel mensen vonden het moeilijk te geloven dat er in Oude Pekela niets was gebeurd. Maar eigenlijk had de politie het 'misdrijf' op de derde dag van het onderzoek al opgelost, toen zij de vijfjarige R.S. hadden ondervraagd die een takje in de anus van een vierjarig vriendje had geduwd. Dit vriendje was het enige kind in Oude Pekela met een aanwijsbare verwonding. Toch bleven sommige autoriteiten twijfelen. Waar rook is moet vuur zijn, was de opvatting. "Het kan niet allemaal gefantaseerd zijn. Er zijn te veel overeenkomsten tussen de afzonderlijke verhalen." Maar deze overeenkomsten zijn niet moeilijk te begrijpen als men weet hoe de kinderen tot het vertellen van hun verhaal zijn aangezet. [...] De socioloog Peter Hofstede heeft geopperd dat de verhalen over sterke lampen en injecties zijn voortgekomen uit het medisch onderzoek in het ziekenhuis in Winschoten. Volgens justitie was geen van deze elementen in de verhalen vóór het bezoek aan het ziekenhuis.

bron: Artikel 'Zedenangst' door drs. B.R. [edit] (endocrinoloog en psycholoog); PSychologie, 8e jaargang; januari 1989