Boylove geschiedenis

From Brongersma
Revision as of 20:44, 26 May 2014 by Admin (talk | contribs)
Jump to navigation Jump to search

Door: John Stefan

Jongensliefde bestond al bij de oude Grieken. De dichter Straton schreef:

"Als een jongen twaalf is
heb ik plezier aan hem
en wanneer hij dertien is,
trekt hij mij nog meer.

Toch zoeter bloeit de liefde met veertien,
en groter zelfs is de lust met een vijftienjarige.
Zestienjarigen zijn bestemd voor de goden;
met zeventien zoek ik ze zelf niet meer: die zijn voor Zeus.

Val je op nog oudere,
dan is het geen spel meer,
want dan zoek je er een
die het terugdoet bij jou."

Geen man schaamde zich voor zijn omgang met jongens. Phidas, de grote beeldhouwer, maakte het reusachtige beeld van de oppergod Zeus en grifte in de duim van het kunstwerk, voor iedereen leesbaar: "Wat is Pantarkes toch een mooie jongen!" In alle huizen zag men vazen en schalen met portretten van jongens, voorzien van het bijschrift "kalos" (de mooie). Vanaf een jaar of acht gingen de jongens naar school. Ze kregen les onder streng toezicht, vooral als ze naar de "gymnasia", de scholen voor lichamelijke opvoeding, gingen. Vanaf hun veertiende deden de jongens hun intrede in de openbare samenleving en mochten ze deelnemen aan openbare bijeenkomsten. Ze deden hun eerste seksuele ervaringen op met prostituees en met andere jongens en oudere mannen. In de Griekse samenleving bestond geen taboe op homoseksualiteit. Er bestond de overtuiging dat homoseksuele ervaringen de vorming van jongens in hoge mate gunstig zou beïnvloeden.

In de stadstaat Sparta kwamen jongens na hun dertiende in een systeem van leeftijdsgroepen terecht. Het was gebruikelijk de "tentgenootschappen" van de oudere mannen regelmatig te bezoeken en van de jongen werd verwacht dat hij een "beschermer" koos, met wie hij een seksuele relatie aanging. De "beschermer" stond wettelijk gelijk met de vader en speelde een grote rol in de opvoeding tot "volwaardig Spartaans staatsburger". Deze relaties waren vaak langdurig van aard en werden pas beëindigd wanneer de jongere partner de "beschermer" van een andere, jongen werd. Op zijn twintigste was zijn opleiding voltooid en werd hij volledig Spartaans staatsburger. Omdat de mannenprostitutie uit de hand liep, werden er later strenge wetten uitgevaardigd aangaande de contacten tussen mannen en jongens. Homoseksuele relaties werden met een scheef oog bekeken.

De bekende wetenschappers en filosofen Plato en Aristoteles, zelf boylovers, betoogden in hun verhandelingen over de opvoeding dat kinderen verre moeten worden gehouden van onwelvoeglijke handelingen en uitingen.

In de vijfde en vierde eeuw v. Chr. was het nodig om schoolgaande jongens tegen al te opdringerige mannen te beschermen. Op seksuele handelingen met kinderen die nog niet geslachtsrijp waren, rustte een taboe.

Misschien wel het oudste verhaal over de liefde tussen een man en een jongen is de Griekse mythe over de god Zeus en het veehoedertje Ganymedes. Ganymedes was de zoon van koning Tros of Laomedon en de schoonste aller stervelingen. De oppergod Zeus stuurde zijn grote arend naar de aarde om Ganymedes te roven. De knaap onderging het kalm, omdat hij wist dat hij de lieveling van de hoge god was. Hij werd aangesteld tot schenker der goden. Die begeerden hem heftig. Hij ontweek de hitsige goden en vond bescherming bij de harde Zeus, die mild werd door de invloed van de goede, schone knaap.

In de Bijbel wordt wel gesproken over homoseksuele relaties, maar niet over de jongensliefde. Dat is anders bij de Koran, waarin staat dat de gelovige in het Paradijs zal komen, waar "jongelingen wier bloei nimmer verwelkt (eeuwig levende knapen) onder hen zullen rondgaan om hen te bedienen, met bokalen en bekers en kelken met stromende wijn".

Yusuf ar Razi schreef in 916: "Ik heb meer dan honderd keer een overeenkomst met God gesloten dat ik niet meer met knapen om wil gaan. Doch de schoonheid van hun wangen, de groei van hun gestalte en de schelmachtige schittering in hun ogen hebben het iedere keer weer onmogelijk gemaakt."

De dichter Abu Nuwas speelt een rol in de Vertellingen van Duizend-en-een-Nacht en is altijd met jongens bezig. "Als ik maar een jongen heb, kan ik best zonder vrouwen," zei hij. Tijdens woestijntochten, waarbij de vrouwen ontbraken, hadden de Arabieren geslachtsgemeenschap met jongens. Turken en Arabieren hebben menige strijd tegen Europese volkeren geleverd, met het enkele doel mooie, blanke jongens buit te maken. Er was een speciale slavenmarkt voor hen in Constantinopel (nu Istanboel). Ze werden dan opgevoed tot rechtgelovigen en kregen geleidelijk vertrouwensfuncties. De minder fortuinlijken kwamen in jongensbordelen terecht. Ook Abu Nuwas had zijn fortuin te danken aan het feit dat hij een mooie jongen was, met een knap gezicht en fijne huid. Met zijn schoonheid had hij vele mannen bediend en was zo aan zijn geld gekomen. Op deze manier leerde hij tenslotte ook zijn leermeester Waliba kennen, een beroemd dichter die het literaire talent van zijn vriendje ontdekte en bevorderde. Later zat hij zelf achter de jongens aan en kwam daar in zijn geschriften onomwonden voor uit. Hij wist heel goed dat wat hij in zijn hartstocht deed, als zonde beschouwd werd: "De mensen zeggen: "Je hebt je leven gebeterd." Nee, bij God, dat heb ik niet gedaan. Zolang ik leef zal ik het niet kunnen laten, de wangen van baardeloze knapen te kussen. Waar ik ook heenga, zie ik baardeloze jongens bij me komen. Als ik later doodga, Heer, hoop ik op uw vergeving."

In China en Japan was de liefde tussen een oudere en een jongere vriend een vanzelfsprekende zaak. Voor de Japanse ridders, de Samoerais, stond jongensliefde ver boven vrouwenliefde. Ze hielden er schildknapen en pages op na om hun lusten te bevredigen. De hoge Shoguns hielden er soms harems van wel veertig jongens op na.
Ook bij de monniken beperkte de verhouding leraar/leerling zich niet tot de schoolbanken.

Zowel in Japan als China kregen jongens in het theater de rollen van vrouwen toebedeeld, omdat deze niet op het toneel mochten. Het kon dan gebeuren dat deze jongens na de voorstelling in vrouwenkleren bleven rondlopen en door mannen werden betaald voor seks. Zo kregen de schouwburgen een tweede functie als jongensbordeel. Jongens werden als ze klein waren door hun ouders verkocht aan bordeelhouders en opgeleid tot hoerenjongens. Omdat in sommige Japanse streken jongemannen tot hun 30ste geen geslachtsverkeer mochten hebben met meisjes en vrouwen, kon het jongensbordeelwezen nauwelijks aan de vraag voldoen. De loopjongens in winkels waren ook steeds beschikbaar. Pas in het midden van de 19de eeuw kwam er een einde aan deze toestanden. De ridderstand verdween, omdat men behoefte had aan moderne bewapening. Een strafwet van 1871 verbood alle gelijkgeslachtelijke handelingen, maar jongensbordelen bleven in het geheim bestaan.

In de Romeinse tijd, die voorafging aan de westerse, christelijke beschaving, was homoseksualiteit tussen burgers bij de wet verboden (m.a.w. wat men met slaven deed was ieders eigen zaak). Keizer Augustus wilde deze wet krachtiger toepassen, terwijl zijn dichters opgewekt voortgingen de aantrekkelijkheden van zowel jongens als meisjes te bezingen. De beroemdste man-jongenverhouding in de oudheid was die tussen keizer Hadrianus (117-138) en de buitengewoon mooie Antinous, die 9 jaar duurde. Toen die tijdens een boottocht met Hadrianus op de Nijl verdronk, was het verdriet van de keizer zo intens, dat zijn onderdanen zich hier op tactische wijze bij aansloten: overal in het Rijk verschenen standbeelden van de gestorven favoriet en in sommige steden werd hij zelfs tot god verklaard. In de Satyricon van Petronius Arbiter, die leefde onder de wrede keizer Nero, rond het jaar 60 n. Christus., wordt een liefdesrelatie beschreven tussen de student Encolpius en de jongen Giton, allebei woonachtig in het zuiden van Italië. Het is een relatie vol hartstocht en jaloezie, omdat er ook een medestudent van Encolpius bij betrokken is. In de eerste eeuwen na de val van het Romeinse Rijk (476) waren noch de verchristelijkte maatschappij als een geheel, noch de christelijke theologie in het bijzonder, gekant tegen homoseksualiteit. Bepaalde antihomoseksuele wetten bleven echter bestaan.

Vanaf de 12de eeuw was er een steeds grotere verspreiding van "homoseksuele thema's" onder alle lagen van de bevolking, zowel in de beeldende kunst, de literatuur, als in de filosofie. Men begon de "sodomie" (homoseksuele handelingen) ten strengste af te keuren en er werden brandstapels opgericht voor degenen die zich aan "de ten hemel schreiende zonde" hadden schuldig gemaakt.

In de 14de en 15de eeuw had men geen enkele moeite om minderjarigen in allerlei seksuele relaties te betrekken. Homoseksualiteit werd echter wel streng veroordeeld. Een zekere Arnaud de Vernoilles werd rond 1300 in het dorp Montaillou gestraft voor ontucht met verschillende jongens.

In 1504 beschreef Arent Janszoon uit Mechelen dat hij een hele tijd daarvoor, toen "hij een joncxken was ende liep spelen upter straten" hij door een zekere Jan Lyen "in zijnen huyse geroepen was". "Met schoene ende subtyle woerden" werd Arent daar in een kamer gelegd. En verder gaat de tekst: "...den vornoemden suppliant (= Arent) in de camere hebbende, zo heeft de selve meester Jan de vorseide suppliant angegaen ende heeft den suppliant sijn manlicheit in de hant genomen, ende heeft alzoe den voirnoemde suppliant naer hem getogen ende op zijnen lijve gehaelt; maer zo waer bij meester Jan den voirseiden suppliant zijn manlicheyt liet, en soude hij, supliant, bij zijne henevaert niet weten te zeggen of verclaren".

In Noord-Italiaanse steden moet de jongensliefde vrij openlijk zijn voorgekomen. De universele uitvinder en schilder van de Mona Lisa, Leonardo da Vinci (1452-1519), werd enkele dagen vastgezet, omdat hij verdacht werd van seksuele betrekkingen met "verdachte" jongens. Bij de hulpjes en huisgenoten die Leonardo later aannam dook een knaapje op: Jacomo, Salai (= duivel) genoemd. "Op de naamdag van de heilige Magdalena in het jaar 1490, stond er een Jacomo voor mij, tien jaar oud. De volgende dag liet ik twee hemden voor hem vervaardigen, alsmede een paar kousen en een jack." Die knaap scheen niet veel lijfgoed te hebben. "Maar toen ik het geld daarvoor opzij had gelegd, stal hij het uit een doos, de dief, de leugenaar, de dwarskop, de lekkerbek. En het was mij niet mogelijk om hem tot een bekentenis te brengen, hoewel ik volkomen zeker van mijn zaak was." Desondanks hield Leonardo hem tot het einde van zijn Italiaanse dagen bij zich. In zijn testament liet hij hem de helft van zijn bezit na. Vasari zegt over Salai: "Hij was bekoorlijk in zijn bevallige schoonheid, hij had prachtige gekrulde lokken, die Leonardo hogelijk bevielen ..."
Ook van de schilder Michelangelo (1475-1564) was bekend dat hij op jonge jongens viel, en sommige stonden model voor zijn engelenportretten.

De beroemde Duitse schrijver Goethe (1747-1832) schreef het volgende over de jongensliefde: "Knapenliefde is zo oud als de mensheid, en men kan dus zeggen dat het iets natuurlijks is, iets wat berust op de natuur. Iets wat de cultuur overwonnen, veroverd heeft op de natuur, en wat niet meer uit handen mag worden gegeven. Iets waar we tot geen enkele prijs de greep op mogen verliezen."

De Italiaanse priester Giovanni "Don" Bosco uitte zijn liefde voor jongens op een hele bijzondere manier. In 1841 vestigde hij zich in Turijn, waar honderden jongens zijn kapel en zijn avondschool bezochten. Samen met zijn moeder opende hij een kostschool voor leerlingen, waar ze o.a. het vak van kleermaker en schoenmaker konden leren. Dit werk groeide uit en in 1854 werd er een congregatie opgericht om het voort te zetten. Don Bosco, die later heilig zou worden verklaard, schreef eens dat hij zich niet kon herinneren een jongen ooit te hebben moeten straffen (terwijl sommige van zijn protegés jeugdige delinquenten waren). Zijn genie met jongens was deels aangeboren, deels opgedaan door ervaring. Hij probeerde de dingen voor leerlingen altijd aantrekkelijk te maken, of het nou school of religie betrof. Een van de tegenslagen die Bosco moest verwerken, was de dood van de 15-jarige Dominic Savio, die hij had willen opleiden tot helper. Er zijn over de hele wereld nog altijd jeugdinstellingen van Don Bosco te vinden. Sommige dragen de naam "Dominic Savio-Instituut".

In 1812 verscheen de novelle Der Tod in Venedig (Dood in Venetië) (Dood in Venetië) van de wereldberoemde Duitse schrijver Thomas Mann (1875-1955). Het is het verhaal over een schrijver die in zijn werk altijd de hoogste zuiverheid heeft nagestreefd en die zuiverheid gesymboliseerd ziet in de schone, veertienjarige Tadzio, op wie hij wanhopig verliefd wordt.

In Nederland droeg de dichter/onderwijzer Willem de Mérode (1887-1939) veel van zijn werk op aan jongens op wie hij verliefd was. In 1924 moest hij de gevangenis in vanwege ontucht met een 16-jarige leerling, Jaap, die bij hem thuis was gekomen. Volgens De Mérode had de jongen een seksueel contact uitgelokt. In een brief schreef De Mérode: "Ik geef er totaal niets om. Als ik een jongen maar een beetje mag verwennen. Jaap gaf er nu WEL om, en omdat hij zoo aardig was geweest om mij te willen troosten toen Okke (een ander vriendje, T.) wegging, zei ik: nou vooruit, fiat, laat ik het maar doen. Het was natuurlijk oer-oer-stom." In de gevangenis schreef De Mérode het gedicht Sledevaart, opgedragen aan een andere jongen van wie hij hield, Jopie, die na zijn vrijlating weer contact met hem opnam, want de liefde was wederzijds. In een dichtbundeltje dat hij van De M. kreeg, stond:

Voor Jopie
die mij zoo trouw bleef
6 November 1924

Andere bekende schrijvers/dichters uit de 20ste en 21ste eeuw die het thema van de jongensliefde behandelen zijn o.a.:
VS: Walt Whitman, Allen Ginsberg
België: Astère Michel Dhondt (God in Vlaanderen, Zeven geestige knaapjes)
Nederland: Gerard Reve, Boudewijn Büch (De kleine blonde dood), Jan Hanlo, Kees Verheul (Een jongen met vier benen), dr. Edward Brongersma (Seks met kinderen), Hafid Bouazza (De voeten van Abdullah)
Frankrijk: Roger Peyrefitte (Les Amitiés Particulières)
Italië: Pier Paolo Pasolini (Jongens uit het leven, Daden van onkuisheid, Amado mio), Sandro Penna.

Tot ver in de jaren vijftig van de 20ste eeuw werd de jongensliefde, net als de mannenliefde, als een ziekte beschouwd die genezen kon worden (o.a. door castratie). Iemand die van jongens hield werd niet gewaardeerd om zijn pedagogische kwaliteiten, maar beschouwd als een perverseling. Dat kwam voornamelijk voort uit de angst voor seks in de noordelijke gebieden. In het zuiden en in de Aziatische landen stond men veel meer open voor seksuele relaties die buiten het normale patroon vielen. Veel jongensminnaars trokken daarom naar landen als Marokko en de Filipijnen.

De al eerder genoemde dr. Edward Brongersma (1911-1998) was van 1946 tot 1950 lid van de Eerste Kamer en kreeg in 1950 een psychiatrische behandeling vanwege een affaire met een 16-jarige jongen (toen nog strafbaar). Hij raakte nogal diep in de put en kreeg pas in 1956 een functie als directeur van het Maatschappelijk Buurtwerk in Haarlem. 3 jaar later mocht hij zijn advocatenpraktijk weer uitoefenen. In 1963 kwam hij terug in de Kamer als justitiespecialist van de PvdA. Alleen Willem Drees was daartegen. Brongersma trad daarna ook vaak op als getuige-deskundige bij zedenzaken. Tijdens de Dutroux-affaire in 1996 werd hij als bekende Nederlandse pedofiel het slachtoffer van een hetze. Zijn ruiten werden ingegooid en hij moest onderduiken. Hij raakte in een depressie en verzocht om euthanasie, welk verzoek in 1998 werd ingewilligd door zijn arts.

In de jaren zeventig, na de seksuele revolutie, ontstond er een toleranter klimaat t.o.v. pedofilie en werden er bij de NVSH speciale werkgroepen in het leven geroepen om het onderwerp bespreekbaar te maken en informatie en hulp te bieden aan mensen met gevoelens voor kinderen. Ook in andere Europese landen kwamen dergelijke initiatieven tot stand. De leeftijdsgrens waarop men seks mocht hebben verschilde van land tot land en lag meestal rond de 16 jaar.

In 1982 werd in Nederland de Vereniging MARTIJN opgericht om ouderenjongeren-relaties bespreekbaar te maken en te streven naar versoepeling van de zedenwet. In de uitgaven van het verenigingsblad OK komt een voornamelijk positief beeld naar voren van de speciale liefde voor kinderen via artikelen, verhalen, gedichten en dagboeken, zowel van ouderen als van kinderen. Dat is ook het geval met het boek van Theo Sandfort uit 1986, Jongens over vriendschap en seks met mannen, dat ook in het Engels is vertaald. De leden van de Vereniging MARTIJN waren net als andere gevoelsgenoten genoodzaakt om een strikte anonimiteit te handhaven, zeker gezien de massahysterie en de misverstanden omtrent pedofilie na de affaire-Dutroux. Ook het feit dat zo'n 400 priesters in de VS ontucht met minderjarige jongens bleken te hebben gepleegd droeg niet bepaald bij tot een beter begrip van de jongensliefde, net zo min als de netwerken van de makers van kinderporno die werden opgerold. In 2003 waren er twee leden van MARTIJN die hun anonimiteit op het internet doorbraken: Marthijn Uittenbogaard en Norbert de Jonge, hetgeen een golf van publiciteit met zich meebracht. [Edit: Beiden zetten zich voor 2003 al actief in voor pedofilie, onder hun eigen naam.]

BL-forums op het internet worden steeds populairder: o.a. Boy Chat, het Jongensforum, BL.net en Boy Moment. BL'ers geven elkaar daar ondersteuning en advies en wisselen ervaringen en meningen uit. In 2005 worden op BL.net de eerste BL Awards uitgereikt aan genomineerden in verschillende BL gerelateerde categorieën.


Bronnen:
OK, 1985, 1986, 1991, nr. 87 - 2003
De Mérode en de Jongens, Hans Werkman, 1991.
Homologie, 1984, februari 1986.
Leonardo da Vinci, Richard Friedenthal, 1973.
Michelangelo, Rolf Schott, 1963.
De Grieken en Romeinen, Nathaniel Harris, 1981.
De roof van Ganymedes, Dominique Fernandez, 1989.
The Penguin Dictionary of Saints, Donald Attwater, 1965.
Interview met dr. Edward Brongersma, uit NOS-radioprogramma Een leven lang, 6-5-1993.


NB: Deze geschiedenis is niet volledig, maar probeert een beeld te schetsen van de ontwikkeling van de opvattingen over jongensliefde.

bron: Artikel 'Boylove geschiedenis' door John Stefan; OK Magazine, nr. 94; juni 2006