'Een kind is de mens op zijn mooist' - Interview met Dr. E. Brongersma

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Interview van Dr. E. Brongersma door: Bibeb

Dr. E. Brongersma over pedofilie, de ouders, de politici, de justitie en zijn eigen gevangenisstraf

Dr. E. Brongersma schreef destijds een serie artikelen voor het blad 'Intermediair' die onder de titel 'Over pedofielen en "kinderlokkers" ' gebundeld werd. Enkele citaten hieruit: 'Pedofilie is het verschijnsel dat volwassenen zich erotisch vooral of uitsluitend aangetrokken voelen tot kinderen. Het beeld van de pedofiel als oversekste kinderverkrachter, zoals dat bij het grote publiek leeft, staat ver van de werkelijkheid. Uit het onderzoek blijkt dat geweld uiterst zeldzaam is. En dat een heel klein deel van de seksuele handelingen tussen volwassenen en kinderen gepleegd worden door werkelijke pedofielen. Men komt door romans en gedichten over dit onderwerp meer te weten dan door de vakliteratuur.' (genoemd worden 'Les amours du Chevalier de Faublas' door Louvet de Couvray, gaat over de successen van een vijftienjarige jongen bij oudere dames; 'Les chansons de Bilitis' van Pierre Louys, over de liefde van een vrouw voor jonge meisjes; Nabokovs 'Lolita'; 'Sandel' door Angus Stewart, over de verliefdheid van een man op een kleine jongen; 'Dood in Venetië' door Thomas Mann; werk van Jan Hanlo, Christiane Rochefort, André Gide en het laatste boek van Iris Murdoch ('Henry and Cato'.)
'Volgens mij (aldus Brongersma) heeft nog niemand voldoende aandacht gevestigd op het feit dat zich hier hetzelfde euvel voordoet, dat de publiciteit over homofilie zo lang vertekent heeft. De schrijvers van de vakliteratuur gronden hun conclusies op de gegevens betreffende strafrechterlijk veroordeelde personen en of psychiatrische patiënten, zonder er zich rekenschap van te geven dat dit een heel ongunstige selectie is.
De grootste en meest fatale verwarring komt voort uit de gelijkstelling van pedofiel met een man veroordeeld wegens ontucht met een kind.
De commissie-Speyer die in 1969 in opdracht van de regering een rapport schreef over de betekenis van homoseksuele contacten voor jeugdigen, stelde uitdrukkelijk vast dat niet zelden het initiatief ligt bij de jongste partner.
Bij min of meer verwaarloosde jeugd vooral in gestichten is de behoefte aan lichamelijk geuite affectie vaak enorm groot. De pedofiel die uit zijn neiging aan deze verlangens tegemoet komt bereikt pedagogische wonderen.
Dat de ongelijkheid een beletsel zou zijn voor een liefdesrelatie valt moeilijk in te zien maar ze legt wel een extra zware verantwoordelijkheid op de volwassenen. De Engelse journalist Michael Davidson zegt in zijn autobiografie: "Ik geloof dat de emotionele ondergrond bij elke echte pedofiel zijn moederlijkheid is. De diepste aandrift heeft veel weg van een merrie die haar veulen met de neus wrijft en likt."

Dat tegenover een gemiddelde van één moord na pedoseksueel contact per jaar een aantal van twaalfhonderd kinderen staat dat door de eigen ouders levensgevaarlijk mishandeld wordt of doodgeslagen en een gemiddelde van ruim vierhonderdvijftig doden en bijna negenduizend gewonde kinderen per jaar door verkeersongelukken kan relativerend werken maar neemt de angst niet weg. Het is een winst als men zou begrijpen dat moord na een pedoseksueel contact nog iets anders is dan moord van een pedofiel.
Bij beter inzicht zal men ook de meer dan een miljoen pedofiele contacten die per jaar plaats vinden, leggen naast dat ene ellendige moordgeval.
Homoseksuele handelingen met een jongen van zestien (niet eens meer een strafbaar feit) vinden de burgers volgens een enquête verwerpelijker dan een flinke mishandeling. De wetgever is niet verstandiger. Wie een kind mishandelt, zodat het zwaar lichamelijk letsel oploopt, krijgt hoogstens vier jaar maar wie er ontuchtige handelingen mee pleegt kan zes jaar krijgen. Dezelfde straf als voor het doodranselen van een kind. De Rotterdamse psycholoog dr. F. Bernard schreef in "Sexualmedizin" over volwassenen die als kind pedofiele contacten hadden. Hij kwam tot soortgelijke resultaten als voor hem vele anderen. "De ervaringen van jonge mensen waren dikwijls positief. Behalve het seksuele aspect zoeken ze genegenheid, tederheid, een gevoel van geborgen zijn. De richting die de geslachtsdrift later zal krijgen wordt er kennelijk niet door beïnvloed. De houding van de maatschappij heeft wel een negatieve invloed. Van pedagogisch standpunt zou een verandering hier wenselijk zijn." En de psychiater Maas tegen J. Rogier in "Pompe of Verzuipen": "Ik denk dat kinderen feillozer aanvoelen wat goed is dan volwassen mensen. En dat de meeste kinderen zonder dwang tot het beleven van deze dingen komen."
De Orde van Advocaten dringt aan op de algehele afschaffing van de "beschermde leeftijd". Op voorwaarde dat het kind niet tegen zijn wil gebruikt wordt. Het is opvallend dat juist organisaties die zich speciaal met jeugdbescherming- en vorming bemoeien ervan overtuigd zijn dat hier in het belang van de jeugd de bemoeienis van politie teruggedrongen moet worden.'




Hij wachtte bij de uitgang van het kleine station van Overveen. Lang, opvallend rechtop, verlegen lachend toen hij me zag. We liepen naar zijn huis, dichtbij maar van de weg haast onzichtbaar door struiken en bomen.

'Jammer dat het zo'n donkere dag is,' zei hij terwijl hij de sleutel in het slot stak. 'Dr. E. Brongersma, advocaat' stond in zwarte letters op de groen gelakte deur. Maar 'Hier woon ik' zei hij pas toen we op de eerste verdieping van deze grote villa, in een een kamer kwamen waarin veel boeken achter glas, schilderijen, beelden en antiek. Het door de boomkruinen getemperde licht dat via twee tot het plafond reikende ramen binnendrong, versterkte de beslotenheid van het vertrek. Ik bewonderde de zeventiende-eeuwse kast en de kleur van het velours, dieppaars, van de kussens in een armstoel.

'Bijna alles hier was van mijn ouders,' zei hij. 'Ook de schilderijen en sculptures. Hiervoor heb ik model gestaan, toen ik dertien was. En dat is mijn vader.' Twee bronzen beelden: een tengere jongen, over een boek gebogen en een oudere man, eveneens verdiept in een boek. De beelden staan tegenover een geschilderd levensgroot portret van iemand die uitzonderlijk streng de kamer in kijkt.
'Dat is mijn grootvader, Hotze Brongersma, destijds directeur van een hbs in Haarlem.' Maar het meest opvallend is wat er vlak naast hangt: een foto van een uitdagend mooie knaap.
Nadat hij aanvankelijk weigerde, vertelde hij ten slotte toch waarnaar ik had gevraagd. Vaak aarzelend, soms verblekend tot in de merkwaardige kleur van zijn ogen (geel-groen-zilver) en driftig schommelend met de rechtervoet.
'Toen ik 's avonds thuis kwam, stonden ze in de tuin. Ik moest mee naar het bureau en daar hebben ze me meteen vast gehouden. De volgende dag werd ik verhoord en naar het huis van bewaring gebracht. Iemand had me met een jongen gezien... in de auto. Ze hadden hem ondervraagd en ik heb niet ontkend. 't Was in juli, vlak voor de zomervakantie dus voorlopig gebeurde er niets. Maar ik zat in de cel. Justitie is een kil, onmenselijk apparaat. In het begin denk je dat je gek wordt maar je went aan alles. Niemand wist waar ik was. Alleen mijn ouders waren gewaarschuwd want ik woonde bij hen thuis.
Toen, na dagen, gebeurde er iets dat voor mij een enorm houvast betekende. Langemeyer kwam me opzoeken. Hij had mijn ouders opgebeld... Ik zat met hem in de redactie van het Nederlands Juristenblad. Dat gesprek met hem heeft erg veel voor mij betekend. Ook bisschop Zwartkruis, een vriend, kwam geregeld. Later in de observatiekliniek had ik een goed contact met Baan (prof. Baan, destijds directeur van de Psychologische Observatiekliniek). Ik heb daar vier maanden gezeten.
Ze dachten: als we hem iets langer houden kan hij na de uitspraak meteen naar huis. De taks was: zes maanden. De eis bleek anderhalf jaar. De officier was de beruchte Sikkel. Anderhalf jaar voor iets dat sinds 1971 geen strafbaar feit meer is.
Mijn advocaat zei: "'t Komt wel goed. Ik heb aan de ogen van de president gezien dat ie schrok." Ze hebben me tien maanden gegeven. 't Ergste vond ik die veertien dagen wachten op het vonnis. Ik heb daar later in de Kamer fel tegen aangeschopt maar er nooit gehoor voor gevonden. Die veertien dagen zijn een volstrekt onnodige kwelling voor een verdachte. Rechters en griffier weten precies wat er gebeuren gaat en jij mag het niet weten. Ze houden er geen rekening mee dat dit voor de betrokkene een ontzettende marteling is. Er zijn natuurlijk uitzonderingen zoals de Baarnse moordzaak bij voorbeeld, waarbij de rechtbank meer tijd nodig heeft, maar bij al die lichtere gevallen is het wachten alleen maar een gevolg van de onmenselijkheid van het justitieapparaat. Ik heb in de Kamer gezegd: "Laat men dan desnoods een informele mededeling geven."
Kenmerk van de rechterlijke macht is nog altijd een "schandelijk contempt of people", zoals Herman van Run het onlangs noemde. Een totaal gebrek aan respect, dat blijkt ook uit de afgrijselijke taal die voor gewone mensen volstrekt onbegrijpelijk is. Juristen hebben vaak iets arrogants, dat is altijd zo geweest en de meesten trachten het krampachtig zo te houden. Er is door de jaren wel veel veranderd maar er blijft nog veel onbegrip, domheid, gemis aan menselijkheid. Ik heb zeer haatdragende gevoelens gehad ten opzichte van officieren van justitie en rechters. En af en toe kom ik nog geweldig in opstand. Ik merk ook bij mijn oud-cliënten een geweldig brok haat. 't Wordt iets beter maar ik maak toch geregeld dingen mee die mij tot in mijn ziel grieven. Maar in de jaren dat ik bij het Criminologisch Instituut was, werd een man als Overbeek voor mij van groot belang. Zo iemand is het bewijs dat er ook officieren zijn die aan de goeie kant staan. En natuurlijk een figuur als Langemeyer, die meteen tegen me zei: "Waar ik kan, zal ik je helpen. Je mag mijn naam altijd als referentie gebruiken." En Pompe heeft op mij veel invloed gehad. Ik was zijn naaste medewerker. Dit voorval heeft op mij een ongelooflijke indruk gemaakt. Pompe was z'n papieren vergeten. Hij gaf me zijn sleutelbos en vroeg of ik naar zijn huis wilde gaan om ze te zoeken. Hij wist niet meer precies waar hij ze gelegd had. "Je mag overal kijken," zei hij. Ik stond te trillen. Dit vertrouwen van iemand voor wie ik zo'n ontzag had, een zo groot geleerde, een briljant mens.

De twee laatste maanden in de gevangenis van Haarlem waren het ergst. De cel was kleiner dan de helft van deze toch vrij kleine kamer. Geen raam, alleen een getralied lichtgat hoog in de muur. Opklapbed, rechte stoel en tafel. Slecht licht dat om kwart over negen uitging. Een ramp. De lichtknop zit aan de buitenkant van de cel. Dat is nóg zo. Ik ben neurotisch actief, ik kan nooit niks doen en daar werd je ertoe gedwongen. Die duisternis na kwart over negen was de hel. Het hele systeem is volkomen infantiliserend. Wat je ook voorstelde altijd werd er gezegd: "Dat doen we hier nooit." Ik vroeg om vertaalwerk. "Nee,dat doen we hier nooit. Dat schept precedenten." Ik moest enveloppen vouwen, daar werd ik gek van. "Laat me dan aan de breimachine," zei ik. Nee, dat moest me geleerd worden en omdat ik te kort bleef, loonde het de moeite niet. Vreselijk star systeem, griezelig, afschuwelijk. En er is niet veel veranderd. Als je in Breda komt... daar zijn honderdvijfenzeventig bepalingen. Voor alles moet je toestemming vragen. Ik heb me in de Kamer altijd erg druk gemaakt voor het gevangeniswezen. Ik geloof dat erg weinig mensen werkelijk gevaarlijk zijn. Je kan ervan uitgaan dat de mensen die een gevaar betekenen opgesloten moeten worden. Die mensen brengen een offer in het belang van de gemeenschap. Geef die mensen dan een menswaardig bestaan. Maar het gros van hen die niet gevaarlijk zijn zal op een andere manier gestraft moeten worden.
In het nog altijd geldende systeem word je niet als mens beschouwd. Geen wonder dat iedereen er alleen maar slechter door wordt. Men ziet dat duidelijk en toch gaat men ermee door. Ik heb het aan den lijve ondervonden, maar toch is het niet mogelijk het ontzettende van die ervaring mee te delen. Toen ik in het huis van bewaring zat... de haat en verachting die je koesterde voor de zogenaamde brave burgers buiten de gevangenis. Ik ben als bezoeker in Portugese gevangenissen geweest en ook daar heb ik bij de gevangenen die haat en verachting gemerkt: Ik herkende het, ik kon het begrijpen. Het is een middel waarmee je je zelf, in gevangenschap omhoog haalt.
In de Observatiekliniek wilde ik aanvankelijk liever een cel voor mij alleen. Maar Baan zorgde ervoor dat ik bij twee mensen kwam met wie ik al gauw een goed contact had. Een dienstweigeraar en een student. We hebben samen een satirische roman geschreven: De Paardebloemen der Gerechtigheid. Het huis van bewaring heet daar de Barmhartigheidsstichting. Tijdens het werken aan de roman heb ik geleerd alles dat me overkwam in het ridicule te trekken. Kijk... de schitterende illustraties zijn van de student. Leest hardop het onderschrift bij de tekening van een monster: 'De bewaarder bleek een heel geschikte lustmoordenaar te zijn.' En bij die van een aapachtig wezen: 'Plotseling bleef dr. Ratelaar hangen voor het kijkraampje van een cel.' Slaat bladzijden om van het lijvige manuscript: 'Het speelt in de Observatiekliniek. We voelden ons daar volstrekt normale mensen die terechtkwamen in een wereld van volslagen gekken.'

"Wat hier gebeurde (leest voor) heeft Spencer nooit begrepen doch was in werkelijkheid zeer simpel. De beide visiteurs pakten hem beet, lichtten zijn schedeldak en maakten zich meester van zijn hersenen, die nu vrij slordig in een stuk pakpapier gewikkeld werden en voorzien van een label in een van de vakjes van een duf ruikende kast gedeponeerd. 'Dat is alweer gebeurd,' zei de dikke bewaarder vrolijk. 'Hersenen heeft u hier toch niet nodig.'" Kijkt op. Even later, ogen dicht: 'Het verhaal gaat over de nobele door schoonheidsdrang bezeten Spencer, die een parketwachter dwingt zich te verdrinken omdat door diens toedoen een man, die een paardebloem plukte, werd gearresteerd.

"De uren die volgden (leest voor) bracht Spencer door in een ijl waas, dat hij nooit zou kunnen beschrijven. Voortgejaagd door de hoofdagent strompelde hij naar het politiebureau, waar men hem in een cel wierp. De publieke vrouw, die hier door de agenten werd aangewend om de cellen aan te vegen, had vergeten het lijk van een jongetje mee te nemen, dat nog in de hoek lag, waar het de vorige avond was neergeknuppeld. Omdat het zijn tong tegen een agent had uitgestoken. De rechercheurs die Spencer verhoorden werden ongedurig omdat hij bruutweg ontkende een moord te hebben gepleegd. Toen fotografeerde men zijn voetzolen, knipte hem een haarlok af voor het dossier en geleidde hem voor de Officier van Justitie."

Ik heb dit manuscript 's aan Kempe (prof. Kempe, destijds directeur van het Criminologisch Instituut) gegeven. Hij zei dat het koude zweet hem was uitgebroken toen hij het las.
Jij hebt Kempe destijds geïnterviewd. Je weet hoe sterk hij zich altijd inleeft. Kijk, om het daar te kunnen volhouden moest je er de spot mee drijven. We waren erg goed in het pesten van bewaarders. We hingen bij voorbeeld een bordje op de celdeur: "Heden geen observatie."
Je had in de kliniek de meest wonderlijke kerels, ook heel triest. Een man had geregeld aanvallen van razernij, dan deed hij pogingen tot zelfmoord. Hij heeft me z'n polsen laten zien, vol kerven. Een keer, terwijl er op hem werd in gepraat, haalde hij onder de deken borst en buik met een scheermes open. De darmen puilden eruit. Moesten met dotten watten worden terug gedrukt.
Het was voor mij een geweldig moment toen me werd gevraagd of ik met hem wilde praten omdat hij mij vertrouwde. Dat gaf me zo'n goed gevoel, het feit dat je toch iets voor een ander kon doen. "Als u bang bent," werd er gezegd, "nemen we voorzorgsmaatregelen." "Niks ervan," zei ik, "hij en ik zijn gevangenen; collega's." En tegen de man zei ik: "Ik ben geen graad beter. Wanneer mijn complete zondenregister bij de officier zou liggen, weet ik niet hoe lang ik zou moeten zitten." Ik heb hem tot bedaren gekregen, maar later heeft hij zich zelf toch gedood.

Het ergste was de onzekerheid... Wat te beginnen als je eruit kwam. De plof die ik gemaakt had was niet mis... Tegen kerst had ik een ontzettend diepe depressie. Toen werd ik door de directeur van het huis van bewaring in Utrecht, Postma, uitgenodigd om een avond door te brengen in zijn gezin.'
Ogen dicht: 'Zitten in een makkelijke stoel, thee met een koekje, mensen die vriendelijk tegen me waren. Het zijn dingen die ik niet gauw vergeet. Lange stilte.
'Ik heb 's tegen Baan gezegd, dat ik weinig kijk had op mensen en me dus vaak erg had vergist. Toen zei Baan: "Je hebt je vrienden toch maar zo gekozen dat ze je niet in de steek lieten." En dat is zo. Van enkelen kreeg ik heel fijne brieven. Bij voorbeeld van Schlichting, een heel bijzonder mens, de vader van Tessel Pollmann. Ik heb er geen enkele vriend door verloren. Er waren er wel die ermee in zaten, maar ze hebben mij allemaal bij hen thuis ontvangen. Ik heb er zelfs nieuwe vrienden door gekregen.
Toen ik vrij was heb ik zes jaar erg veel artikelen geschreven. In '56 werd ik directeur van Maatschappelijk Buurtwerk in Haarlem. Er was vreselijk veel verzet tegen mij van de kant van de KVP, Haarlem. Maar toen heeft Rome, die ik zo vaak in artikelen en elders had aangevallen, zich heel royaal gedragen. Hij heeft me zeer gesteund, net als de burgemeester, Cremers. In 1960 ben ik benoemd tot wetenschappelijk hoofdambtenaar, naast medewerker van Pompe aan het Criminologisch Instituut. Ook hiertegen was hier en daar weerstand maar niet op het Instituut zelf. Langemeyer, procureur-generaal bij de Hoge Raad, had al in een vroeg stadium gezegd, dat ik in de Kamer zou terug komen, maar dat kon ik nooit geloven. Ik ben de partij (PvdA) dankbaar voor de moed... maar ook voor de politieke tegenstanders, die nooit gebruik maakten van mijn veroordeling. Een vriend uit Engeland zei: "Hier hadden ze je met woorden verscheurd."
Nee, de PvdA heeft me nooit laten vallen. Er waren wel enkelen... maar niet de partij als zodanig. Oude Drees was erg tegen mijn terugkomst in de Kamer. Dat heb ik hem niet kwalijk genomen. Ik was er zelf van overtuigd dat mijn terugkeer een rel zou veroorzaken.
Op de dag van mijn beëdiging reed ik met zeer gemengde gevoelens naar Den Haag. Als ik ook maar iets van weerstand voel, ben ik meteen weg, dacht ik. Na de beëdiging.... alles draaide, het plafond, de wanden... Plotseling voelde ik een hand op m'n schouder. De oude Algra. Een van de meest conservatieve figuren voor wie ik het beduchtst was, vooral om zijn felle aanvallen op Van het Reve. Algra had een groot gezag in de Kamer. "Nou meneer Brongersma," zei hij, "U zult zich hier wel gauw weer op uw gemak voelen."
Ik heb altijd een heel grote achting voor Algra gehouden. We verschilden van mening maar ik heb hem heel hoog geschat. Dat was in 1963 en acht jaar later maakte ik mee dat artikel 248 bis uit het Wetboek van Strafrecht werd geschrapt. Het door mij diep gehate artikel volgens welk ik veroordeeld was. Ik voelde me zo uitgelaten. Begon mijn speech in de Kamer mer: "'t Is vandaag een feestdag."
De vreugde om in een Nederlands staatsstuk (de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp) te lezen dat het zwaar beladen begrip verleiding beter vervangen werd door initiatie. En dat deze initiatie in welke richting ook een betere ontplooiing van de opgroeiende jongere kan bewerkstelligen. De commissie-Speyer wees onder andere op de veelvuldigheid van seksuele handelingen bij kinderen en weidde uit over de wenselijkheid van zeer intieme contacten in de pre-adolescente fase.
Op een congres in Malmö heb ik gezegd: "Ik ben trots op mijn land waar een dergelijk staatsstuk kan verschijnen met een aanbeveling van de Minister van Justitie."
Maar we zijn er nog niet. Laatst vertelde een rechter, dat hij samen met z'n zoontje onder de douche ging en dan pakten ze elkaar bij de piemel en dat gaf een gelach. Toen zei ik: "Artikel 249 ontucht ouder met minderjarige kinderen." Hij schrok. Ik zei: "Je moet het er niet om laten. Ik hoop alleen dat je er ook 's aan denkt... Jij veroordeelt er mensen voor. In de taal van een door de politie opgemaakt proces verbaal ziet het er verschrikkelijk uit."
Ik heb 's een jeugdleider verdedigd die affectief verwaarloosde jongens had gestreeld. Hij was natuurlijk niet opzettelijk met een bochtje langs het geslachtsdeel gegaan. Die man had om heel andere dingen ruzie gekregen met iemand die de officier van justitie kende. Dus werd het een zaak. Op een gegeven moment zei de rechter tegen mij: "Uw cliënt onderging lustgevoelens toen hij dat deed." Ik zei: "Goddank wel." Ze schoten overeind. Of ik die opmerking wilde uitleggen. Dat deed ik maar al te graag. "Kinderen," zei ik, "hebben veel intuïtie. Plichtmatig aangehaald worden voelen ze als een vernedering. Ze vinden het fijn als degeen die het doet er zelf plezier in heeft."
De woede en angst bij het horen van het woord pedofiel wordt veroorzaakt door een verkeerde voorstelling van zaken. Men denkt aan een dodelijk benauwd kind en een kerel met een heel grote fallus die hij door de heel kleine opening naar binnen wil duwen. Zo iets doet terecht ieders bloed koken. Het heeft alleen niets met de werkelijkheid te maken. Meestal wil die man niet zo erg veel. Meestal is het knuffelen, strelen, stoeien, masturbatiecontact. Ik heb de levensgeschiedenissen gehoord van een groot aantal pedofielen. Ook uit het buitenland want vooral de laatste jaren ben ik internationaal bekend. Ik heb een onvoorstelbare hoeveelheid brieven en op de band opgenomen gesprekken met jongeren, en veel foto's. Ik ben nu bezig een stichting op te richten waarin ik alles kan onderbrengen voordat ik straks het moede hoofd ter ruste leg.
Kijk, dit is de geschiedenis van een liefde, geschreven door een vriend van me. Tweehonderdvijftig pagina's tekst met foto's. Deze jongen pikte hij op in Sicilië, kind uit een groot arm gezin. Hier zie je het afscheid van z'n moeder. De jongen heeft een verlamde linkerarm, die werd in opdracht van mijn vriend geopereerd. Zie je hoe heerlijk ondeugend hij kijkt? Dit is de eerste keer dat hij na de operatie z'n vingers kon bewegen. Deze foto heb ik gemaakt. Je ziet zeker wel hoeveel ze van mekaar houden. Ik geloof dat dit de tederste liefdesroman is die die ik ken. Zo'n boek zou veel mensen de ogen openen, maar mijn vriend is in Italië door zijn beroep te herkenbaar, daarbij was de operatie van de jongen z'n arm een spectaculaire ingreep.
Nu is de jongen eenentwintig. Ze zijn nog wel vrienden maar de erotische aantrekkingskracht is weg. De jongen is een man, heeft een meisje.
"Aan je vraag merk ik dat je je inleeft," zegt hij mij vriendelijk observerend. 'Natuurlijk was het zien veranderen van de jongen in man voor mijn vriend triest. Het afstand moeten doen kan heel moeilijk zijn, maar het is een vast gegeven dat de erotische aantrekkingskracht van het vriendje voor de man – daar weet ik het meeste van – geen stand houdt. Deze jongen (kijkt naar de wand, waarop de foto van de beeldschone knaap) ziet er helaas niet meer zo uit. Is nu in de twintig... De meeste volwassenen zijn niet mooi. Volwassen mensen zeggen mij erotisch helemaal niets. Een kind is de mens op z'n mooist. Dokter Rozenburg heeft me 's gevraagd: "Wat vindt u dan zo mooi aan jonge jongens?" Ik zei: "De gladde huid, de glanzende open en haren." Ze zei: "Dat zijn allemaal eigenschappen van een meisje."
Glimlachend, ironisch: "Een man van mijn leeftijd trekt mij niet. Ik zie mezelf dan nog eerder met een vrouw.
Uit de vele gesprekken die ik opnam blijkt dat de goede verhoudingen overwegen al zijn er natuurlijk ook rot-pedofielen, echte lammelingen. Ik hamer er altijd op dat men eerst contact moet zoeken met de ouders van het kind. Doe nooit iets buiten de ouders om," zeg ik altijd. Maar tegen de ouders zou ik willen zeggen: "Veel schadelijker voor uw kind zijn de verhoren door de politie en uw eigen woede en verontwaardiging."
Een van de vreselijkste ervaringen is de volgende: een jongen die van z'n elfde tot dertiende seksueel contact had met een man van dertig werd na de arrestatie van de man uit zijn klas gehaald. En acht uur lang in het verhoorkamertje op het politiebureau ondervraagd. "Geef het maar toe. Als je blijft zwijgen moet je weten wat er gebeurt. Je vader is razend, slaat je vriend dood en moet wegens moord de gevangenis in." Toen is dat kind ingeklapt. Zijn vriend kreeg acht maanden. Benny, totaal van de kaart omdat hij z'n vriend had verraden, moest naar een psychiater. De vriend heeft hem een heel aardige brief geschreven en Benny schreef terug dat z'n ouders hem hadden verboden met hem om te gaan tot z'n zestiende jaar. Onlangs heeft Benny hem weer opgezocht. "Ik ben vandaag zestien," zei hij. "Ik ben er weer." Hij wilde geen seks. Had een meisje.
Van Agt begon destijds uit zichzelf over mijn Pedofilie-serie in Intermediair. Hij zei: "Ik geloof ook niet dat het gevaarlijk is als de ouders zich maar verstandig opstellen." Ik zei toen: "Dat geldt ook voor jouw politie. Zolang die zich nog zo kan misdragen... En ik vertelde het geval van Benny. Ik drong bij hem aan op spoedige herziening van de bepalingen omtrent zedenmisdrijven met kinderen. Zelf voelde hij er het meest voor de leeftijd te verlagen en er een klachtdelict van te maken. Ik wilde dat hij deze herziening voorrang zou laten geven bij de Adviescommissie Zedelijkheidswetgeving, de commissie-Melai. Maar toen er steeds niets gebeurde en ik in de Kamer vroeg: "Wat doet de commissie-Melai hieraan?" Toen kreeg ik het verbijsterende antwoord: "De commissie-Melai zet de werkzaamheden voort." Nu heb ik gemerkt: In 1976 heeft de commissie die opdracht inderdaad gekregen maar de eerste letter moet nog op papier worden gezet.
Ik denk radicaler dan toen ik mijn boek Sex en Straf schreef, acht jaar geleden. Ik vind dat de leeftijdsgrens helemaal moet worden afgeschaft.
Artikel 247 dat het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaar verbiedt is een juridisch monstrum, maar bovendien is het aantal veroordelingen op grond van dit artikel opmerkelijk gedaald, door het versterkte sepotbeleid bij het OM. Maar deze bereidheid tot seponeren is er niet in alle arrondissementen en soms zelfs bij verschillende officieren in eenzelfde arrondissement in zeer ongelijke mate aanwezig. Omdat de zaken zo emotioneel liggen krijg je te grote verschillen. De ene officier maakt zich om een geval verschrikkelijk kwaad en een ander stelt zich uitermate ruim op. Dat betekent een levensgroot gevaar voor rechtsonzekerheid en ongelijke rechtsbedeling.
Ik heb laatst een zaak meegemaakt, een jeugdleider had vijf jongens op z'n kamer gefotografeerd. Op een daarvan zie je een jongetje van tien, dat ligt hem te zuigen. Toch is dit geval geseponeerd. Tot m'n stomme verbazing hoorde ik: "dit mag niet weer gebeuren. Ik wil niet zeggen, dat u dan de gevangenis wacht, maar u zult wel uw baan kwijt raken." In Engeland is men nog lang niet zo ver. Ik heb hier de stukken van een zaak tegen een man veroordeeld wegens seksuele relaties met jongens. Drie jongens waren weggelopen van huis, kwamen op zaterdagavond bij hem, alle organisaties waren gesloten. Hij liet hen blijven, had maar één bed. De politie kwam erachter. Weet je wat hij kreeg? Vier jaar gevangenisstraf. Als ik de stukken niet had, zou ik het nooit geloven.
Elke morgen zit ik brieven te schrijven aan mensen in Duitse, Franse, Engelse gevangenissen. Van Ree, die zich opsloot in een kast om te weten te komen wat je in een geïsoleerde cel ondergaat is een goede vriend van me. Iemand die zelf nooit werd ingesloten beseft niet wat gevangenisstraf uitricht maar Van Ree probeert het tenminste te benaderen. Een revolutionair denkend man, die voortdurend nieuwe wegen zoekt.
Mevrouw Haars die de overtuiging heeft dat God haar als staatssecretaris op Justitie geplaatst heeft... Ik vind dat verschrikkelijk griezelig. De hoogmoed van Het Is Gods Wil. Ze weten precies wat God wil. Zien niet in dat het hun eigen wil is.
Ze rechtvaardigen zich met de gedachte dat God het hun opdroeg. Vandaar ook het harde oordelen over mensen. Zo'n pater Koopmans [Koopman] met z'n strijd tegen de abortus loopt iedere week te brevieren en dat betekent dat hij almaar bloedige dingen zegt. "Gelukkig hij die uw zuigeling grijpt en tegen de rots te pletter slaat." Psalm 137, negende vers. Ik wilde het in mijn Kamerspeech over abortus opnemen maar ik vond het toch te negatief. Ik had het citaat wél bij me voor het geval dat... De tekst van mijn speech werd gepubliceerd in Opzij, dat vond ik plezierig.

'Spencer keek met verdwaasde ogen om zich heen. De ruimte, het gemis aan bewaking en het ontbreken van tralies benauwde hem. Toen zag hij in een hoek van het voortuintje iets liggen en plotseling voelde hij zich opgelucht. Het was het lijk van een van de verdronken gedetineerden, de polsen nog bijeen gehouden dor handboeien. Met de vaardigheid die hij in het Huis van Bewaring had opgedaan, peuterde hij met een kromme spijker het slot open en nam de stalen ketens van het lijk af. In een triomfantelijk gebaar knipte hij de boeien om zijn eigen polsen. De rust keerde weer in zijn hart.'

Uit het in gevangenschap geschreven 'De Paardebloemen der Gerechtigheid'.


Als ik nu lees wat ik vroeger over katholiek-zijn schreef ben ik intens verbaasd, zegt hij na mijn vraag, de oogleden seconden lang omlaag. 'Ik denk er totaal anders over. En dat geldt ook voor veel andere zaken.' Vertelt mompelend dat hij tot een jaar of tien geleden katholiek was, sinds 1960 geregeld naar Marokko en Tunesië rest, veel over de Islam las en een geloof met een God die zegt: 'De mens heb ik zo gemaakt en dan moet ik hem ook nemen zoals hij is,' verhevener vindt dan het christelijke geloof met zijn idee van een zoenoffer. 'En dan die seksualiteit onderdrukkende moraal!
De frustratie van de seksuele drift leidt tot agressiviteit en geweldpleging, dat is door de Duitse filosoof Arno Plack duidelijk aangetoond. De zachtmoedige, vriendelijke, maar seksueel zeer ongebonden levende Eskimo's zijn sinds de christelijke moraal er doordrong, seksueel gedisciplineerder maar harder, liefdelozer en crimineler geworden.

Ik werd op m'n achttiende katholiek, uit overtuiging. Maar er is wél een voorgeschiedenis. Hidde, mijn zeven jaar oudere broer, had al als klein kind een enorme religieuze behoefte tot schrik van m'n ouders en grootvader, zelf een groot Multatuli-vereerder. Op aanraden van kennissen ging mijn moeder ten slotte naar een goeie predikant. Hidde zou bij hem op catechesatie komen maar tijdens de eerste lessen sloeg hij de dominee met bijbelteksten om de oren. In een groep bleek hij niet te handhaven dus stelde de dominee voor hem privé-les te geven. Dat gebeurde, maar toen de dominee werd overgeplaatst kreeg m'n broer les van diens collega die weinig op had met het katholieke geloof. Op z'n veertiende had Hidde een soort openbaring. Hij moest God beloven katholiek te worden. Mijn ouders en de dominee beseften tenslotte dat niets hem van zijn overtuiging kon afbrengen. M'n ouders zeiden dat hij alles mocht lezen maar ze verboden hem met een priester te praten en mij te beïnvloeden. Ook mocht hij z'n vriendjes niet inlichten. Hij probeerde het een poos en toen zei hij: "De belofte aan God weegt zwaarder dan die aan de mensen." M'n ouders gaven toe toen hij zestien werd. Hij is gedoopt en in het klooster gegaan. Hij stierf in 1955 aan een vreselijke ziekte.
Hidde was voor mij, in m'n kindertijd, de paus.'
Stilte, vreemde lichte blik: 'Hij heeft me vaak verschrikkelijk geplaagd, daar heb ik wel onder geleden. Ik kon door die zeven jaar verschil natuurlijk nooit tegen hem op; bovendien was hij superintelligent. Op z'n twaalfde jaar besloot hij dat ik moest worden gestraft. Hij schreef – mijn moeder heeft 't allemaal bewaard – dat voor die bestraffing een leger nodig was. Met stokken en andere wapens moest ik door hem en z'n vriendjes bedreigd worden. Hij had het over "de waardige woede, die het hele mensdom tegen mij moest bezielen." Waardige woede tegen een jongetje van vijf jaar. Mijn moeder was een enorm intelligente vrouw met onstuitbare belangstelling, ze had erg veel gelezen, kon prachtig handwerken. Intellectueel heeft ze geweldig met ons meegeleefd... Maar we werden nooit aangehaald, nooit gezoend. Zoenen vonden m'n ouders onhygiënisch. Mijn vader, oogarts, had praktijk aan huis. Als er patiënten waren, was de gang voor ons strikt verboden gebied. Op een dag holde ik door de gang, ik was toen vier jaar. Een patiënt vroeg m'n vader: "Is dat uw zoontje?" "Ja, de jongste," zei hij. En op de vraag hou oud ik was, antwoordde hij verstrooid: "Een maand of tien... Ja kijk, pas tegen de tijd dat hij met ons kon praten toonde hij interesse. Toch zei hij ook vaak: "Tot je zestigste blijf je zuigeling." Hij speelde nooit met ons, een kind speelde met leeftijdsgenoten. Ik herinner me een keer... ik was een jaar of negen, m'n vader zat in zijn stoel te lezen en streek met een hand over mijn rug. Ik denk volkomen in gedachten... Ik geloof dat ik het zalig vond.
Lange stilte. "Er zijn dingen die ik je niet vertel. Gevoelens die ik in geen geval prijs geef. Ik ben een gesloten mens. Mijn ouders waren niet makkelijk, mijn broer was zeer dominerend. Toen ik elf was begon ik aan een roman Het treurige leven. Dat werd natuurlijk ontdekt en dat gaf veel gelach en geplaag. Maar het was wél een noodkreet. Jammer genoeg heb ik me te weinig verzet maar degenen die boven mij stonden waren toch niet ontvankelijk voor verzet. Baan heeft 's tegen me gezegd: "Ik wou dat je maar 's godverdomme zei."
Bij mijn afscheid van de Kamer zei Anne Vermeer dat als een rooie draad door mijn werk liep het op de bres staan voor de gevangenen. Dat heeft me echt plezier gedaan. Ik ben altijd voor de gevangenen opgekomen. Daarmee word je niet populair in Nederland. Ik lees een dossier als advocaat. Al staan er nog zulke verschrikkelijke dingen in... als de man in kwestie binnen komt, krijg je een schok, maar vaak bloeit er in een gesprek toch iets op, begrip, contact. Dat herken ik in het werk van Graham Greene. Alleen met chanteurs heb ik grote moeite, dat zijn mensen die een ander koelbloedig martelen, zelfs langzaam de dood in drijven. Maar dokter Rozenburg heeft terecht gezegd: "Elke misdaad is een produkt van de hele omgeving. Vader, moeder, echtgenoot, directeur enzovoort zouden allemaal met de verdachte op het verdachtenbankje moeten zitten."
Vroeger, op het gymnasium... ik voelde wel waarnaar mijn verlangen uitging. Maar ik had het nooit durven zeggen. Ik kan de jongens van nu benijden omdat ze zo vrij over de intiemste dingen kunnen praten.
Dansen mochten wij niet. Heb ik dus nooit geleerd. Mijn vader vond dansen verderfelijk.
Mijn arrestatie was een verschrikkelijke slag. Mijn vader heeft mijn come-back nog meegemaakt maar mama is in 1953 gestorven.
Ik heb last van m'n nek en vaak van gevoelloze handen en voeten. 't Is begonnen in de gevangenis. Toen ik vrij kwam ging ik op de fiets naar Heemstede. In de gevangenis zag ik geen kleuren meer, ook niet waar ze wél waren. Alles leek grauw. Nu reed ik langs perken vol bloemen in schitterende kleuren. Ik wilde naar links en rechts kijken maar kon m'n nek niet bewegen. Loodzwaar leek m'n hoofd en ik had vreselijke pijn.
Anderhalf jaar voor z'n dood heb ik m'n vader die blind werd geregeld voorgelezen. Vooral boeken van Graham Greene. Vijfenveertig jaar heb ik in m'n ouderlijk huis gewoond, maar de laatste tijd werd ik bezeten door de angst dat ik een been zou breken en dagenlang onopgemerkt zou blijven liggen. Ik woon nu samen met een gezin, ouders, zoon, dochter en grootmoeder. Een familie die ik jarenlang ken en waar ik voor honderd procent van op aan kan. Die betrouwbaarheid is een noodzaak voor mij als advocaat en juridisch adviseur van de werkgroep Pedofilie. Er wordt voor me gezorgd maar ik leef m'n eigen leven. Alleen 's avonds eet ik bij de familie aan tafel. Altijd om zes uur. 't Is bijna zes uur, we worden aan tafel verwacht, zullen we naar beneden gaan?
Na mijn antwoord ('Kunnen we niet hier wat eten... of wat later?') blijft de uitdrukking van z'n gezicht gelijk maar in z'n ogen zie ik een hevige onrust. Mij onbeschrijfelijk aangrijpend fluistert hij als een verschrikt kind: 'Nee, dat zou mama verdriet doen.'

bron: < 'Een kind is de mens op zijn mooist' - Dr. E. Brongersma over pedofilie, de ouders, de politici, de justitie en zijn eigen gevangenisstraf > door Bibeb; Vrij Nederland; 2 september 1978