Artikel 248 bis Wetboek van Strafrecht - De geschiedenis van een strafbaarstelling

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Men kan Regout [Minister van Justitie, 1910-1913] zeker een kruisvaarder noemen, maar dan wel een die zijn wil wilde opleggen aan een groeiend aantal weerstrevende "heidenen". Want de opvattingen over het sexuele leven ontwikkelden zich rond 1900 niet alleen in een bekrompen richting. Het taboe op gelijkgeslachtelijk gedrag werd juist steeds meer doorbroken, met name door kunstenaars en wetenschappers. De tijd van de onbespreekbaarheid ervan was voorbij. [...]

[...] Von Römer [wetenschapper] houdt in 1902 een enquête onder studenten te Amsterdam waaruit blijkt dat 2,3% zich homosexueel beschouwt. [...]

Ook Schorer [voorvechter van homorechten] krijgt de wind van voren. In Themis heeft hij in 1904 geschreven dat men niet van ontucht kan spreken als het uitingen betreft van ware liefde, en dat voor homosexuelen de bevrediging van hun behoeften volkomen natuurlijk is. De voorzitter van de Hoge Raad, de heer Coninck Liefsting, viel hem hierover aan in een andere aflevering van Themis (1905). Het Eerste Kamerlid Van der Biessen vindt deze hele zaak "eenvoudig verschrikkelijk" en vraagt: "... is het dan te verwonderen dat de Christelijke partijen zich vereenigen en tot elkander zeggen: dat gaat te ver, daar moeten wij zooveel mogelijk paal en perk tegen stellen". En ieder jaar wordt bij de begroting van Justitie aangedrongen op een strenger optreden tegen de zedeloosheid door de Rooms-katholieke afgevaardigde Regout, voormalig officier van justitie te Amsterdam, en daarom, zo herhaalt hij, de behoeften des te beter kennend. [...]

Met de komst van de dertiger jaren worden de politieke en culturele tegenstellingen weer scherper. Er verschijnen schotschriften als van Ernest Michel: "Anti-homo, een geschrift tegen de weekdieren onzer samenleving". Organisaties als de Actie voor God en Nederland Waakzaam agenderen tegen communisme en tegen instellingen die de sterke band tussen sexualiteit en voortplanting willen verbreken. Vooral het Wetenschappelijk Humanitair Kommitee van Schorer moet het ontgelden. Met name in de katholieke pers en in de Telegraaf.

Na de [Tweede Wereld] oorlog begint het tij langzaam te keren. [...] Maar Kinsey's cijfers blijken niet typisch Amerikaans te zijn. Ook hier komen onderzoekers tot overeenkomstige conclusies. Dat namelijk sexualiteit bij de jeugd veel verbreider, veelvormiger en onschadelijker is dan wetenschap en wetgeving zo lang hebben aangenomen. En dat homofielen geen klein gedegenereerd groepje vertegenwoordigen, maar een overal aanwezige minderheid van minstens 1:20. Hoewel dit geen nieuwe geluiden zijn (ze zijn al rond de eeuwwisseling te beluisteren) dringen ze nu in ruimere kringen door. Psychologen, pedagogen, priesters, artsen en strafrechtfunctionarissen gaan zich afvragen of het taboe niet meer schade aanricht dan de overtreding ervan.

bron: Artikel 'Artikel 248 bis Wetboek van Strafrecht - De geschiedenis van een strafbaarstelling' door Maarten Salden; rjh.ub.rug.nl/groniek/article/view/16479/13969; Uit: Groniek, nr. 6; Themanummer 'Homoseksualiteit & geschiedenis'; januari 1980