Bespiegelingen over de ontwikkeling van de westerse houding tegenover het kind

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: Jos van Ussel

In de zestiende eeuw vindt men in het hele Westen een situatie die vandaag nog alleen bij de lagere sociale lagen en in de wereld rondom de Middellandse Zee bestaat, namelijk een kleine afstand tussen volwassenen en jongeren. De volwassenen zou men meer kinderlijk en de kinderen meer volwassen kunnen noemen. Er is geen duidelijk verschil in psychische structuur. Volwassenen kennen niet de zelfbeheersing die in het Westen als noodzakelijk verondersteld wordt, zij treden niet steeds verstandig of rationeel op, zij laten zich soms gaan, wekken de indruk er wat op los te leven, Gods water over Gods akker te laten stromen zonder veel besef van verantwoordelijkheid en zonder veel te denken aan de toekomst. Het tijdsperspectief waarin deze mensen leven is anders: het verkleden en de toekomst zijn van minder belang dan in het huidige Westen. Het heden domineert. Zoals dit het geval is bij bij voorbeeld zigeuners en andere culturen. Het miertje leert nog niet aan de mens dat hij moet zorgen voor morgen, of werken zoals de bezige bij of sparen zoals de eekhoorn. Oudere kinderen en jongeren zijn niet kinderlijk zoals hun leeftijdsgenoten uit het huidige Westen vaak zijn. Hun plaats in de samenleving wordt minder bepaald door hun leeftijd in jaren. Niet steeds kende men iemands leeftijd precies: het bijhouden van betrouwbare geboortenregisters dateert uit de zeventiende-achttiende eeuw. Na een lange zoogperiode neemt het kind vóór zijn tiende jaar meer en meer deel aan de bezigheden der volwassenen, namelijk aan die dingen waarvan wij vandaag zeggen dat zij iemand vroeg rijp maken: helpen in de handel, in de landbouw, in het ambacht, direct contact hebben met de reële maatschappij. Op jonge leeftijd moesten zij soms inspringen voor een zieke of gestorven vader of moeder. Nog in de zeventiende eeuw gingen de meesten niet naar school, en de scholen die er waren, waren niet wereldvreemd zoals vele van de huidige. In de leges barbarorum, waarin het oude volksrecht neergeschreven werd, lezen we dat de mondigheid bij de Angelsaksen op 11 jaar begon, bij de Longobarben, de Salische Franken en Saksen op 12 jaar. Meestal op 12 jaar soms op 10 of 7 was men strafrechtelijk verantwoordelijk. Vanaf 7-8 jaar werd men geacht zijn brood te kunnen verdienen. Na 8 jaar mocht men daarom, volgens een verordening uit 1478 in Nürnberg niet meer bedelen. De verlaten wezen die door de kerk werden opgevoed, moesten na hun zevende jaar zichzelf bedruipen. In de zeventiende eeuw werkten hele groepen kinderen vanaf 4-5 jaar in Holland voor uitbuitende werkgevers. In de Schwabenspiegel uit 1287 staat dat de 'jongeling' vanaf 14 jaar en het meisje vanaf 12 jaar zonder toestemming van de vader een geldig huwelijk konden sluiten. Trouwen deed men zodra er kans op zwangerschap was.

Het verschil in psychische structuur was niet groot. Voorts was het niet zo dat de kinderen en jongeren weinig rechten en vooral plichten hadden. Ook waren er geen twee leefwerelden, die van de jongeren met daarnaast die der volwassenen. Er was ook geen barrière tussen de leeftijdsgroepen. Kinderen en jongeren droegen dezelfde kleding als de volwassenen, zoals vandaag nog soms het geval is bij kinderen van vissers op Marken en Volendam. Kinderen gebruiken dezelfde taal, dezelfde woorden als volwassenen, zingen dezelfde liederen, ook minneliederen. Er bestaan nog geen gecensureerde of gezuiverde liederenboeken voor jongeren. De schilderkunst heeft in de vijftiende eeuw nog geen oog voor het babyachtige kleine kind; kinderen worden weergegeven met een ernstig gelaat, een gespierd lichaam en kleine borstjes. De jeugd heeft direct contact met het bestaan als mens: de ziekte wordt niet afgezonderd in klinieken, de dood wordt niet weggemoffeld: het is een gaan en komen van geboorte (thuis) en van dood. De ontwikkeling van het lichaam doorheen de leeftijdsfasen is voor elkeen zichtbaar, men is naakt als dit nodig is, bij voorbeeld wanneer men zich wast, in bed of bij het zwemmen. Een 'seksuele' voorlichting is overbodig: het zou te gek zijn in woorden of met plaatjes te beschrijven van wat men in werkelijkheid kan zien. Nudisme is evenmin noodzakelijk. Ook het beroep is zichtbaar: bakker, smid, arts, leerlooier, molenaar et cetera. Men heeft geen voorlichting over de beroepen nodig, het contact met alle aspecten van het leven en van de samenleving is direct en hiervan zijn de kinderen niet uitgesloten. Van conflicten tussen generaties of van puberteitscrisissen, typisch voor het Westen vanaf de negentiende eeuw, vindt men geen spoor. Op schilderijen ziet men ook dat kinderen en jongeren aanwezig zijn op bruiloften, oogstfeesten, lentefeesten, kermissen. Om licht en verwarming te sparen, kwamen boerenfamilies tijdens de winteravonden samen in één grote ruimte: daar werd gevrijd terwijl de jongeren dit zagen. Na een boerenbruiloft bleef men in sommige gewesten samen slapen, allen naakt bij elkaar, ook de jongeren. Vandaar de zegswijze dat de ene bruiloft de andere meebracht: het was gebruikelijk dat men pas huwde nadat het meisje bewezen had vruchtbaar te zijn. In huis sliep men samen, allen naakt bij elkaar, zonder onderscheid van seks of leeftijd, het hele gezin plus het personeel, de bezoekers et cetera. Wie een kledingstuk zou aangehouden hebben, werd ervan verdacht een heimelijke ziekte te verbergen. Uit de vijftiende en zestiende eeuw zijn mooie afbeeldingen van het dagelijks leven bewaard gebleven; wanneer mensen uit de negentiende eeuw deze in handen kregen konden zij niet geloven dat het werkelijke leven van toen was weergegeven; daarom beweerden zij dat de afbeeldingen gemaakt waren door mensen met een perverse geest. Datgene wat vier eeuwen eerder heel gewoon werkelijkheid was, werd vanaf de negentiende eeuw aangezien als pornografie.

Dezelfde moeilijkheid hebben hedendaagse mensen wanneer zij vernemen welk lichamelijk contact tussen volwassenen en kinderen of jongeren vroeger als heel gewoon werd aangezien. Hiervan zijn treffende beschrijvingen bewaard, bij voorbeeld het contact van de personen uit de omgeving van de kleuter die later Lodewijk XIII van Frankrijk zou zijn. Ook hier aarzelde de bekende psychiater en seksuoloog N. Prätorius uit het einde der negentiende eeuw niet te spreken van bewuste pervertering van de aanstaande vorst. Uit tal van andere voorbeelden mag men echter afleiden dat dit gedrag heel gewoon was: aanrakingen van het hele lichaam, strelingen van de penis, andere 'distractions' en 'mignardises' (pleziertjes, lieftalligheden, pretjes), kortom gedragingen waarvoor de volwassenen van vandaag jaren in de gevangenis terecht zouden komen. Een gewoonte die men in het begin van de twintigste eeuw hier en daar ook in Nederland nog aantreft, is het masturberen van kinderen. Bakers, ouders en andere personen 'wrijven en kittelen' de geslachtsdelen van kinderen on hen welbehagen te geven of om ze beter te doen slapen. In de achttiende eeuw begint men zich hiertegen te verzetten. Men waarschuwt tegen kindermeisjes; deze mogen niet bij het kind slapen want zij masturberen het kind en laten zichzelf gebruiken. 'Zelfs vele ouders wrijven en kittelen de geslachtsdelen der kinderen om ze deugd te doen, om ze stil te houden of uit geilheid. Dit lijkt ongelooflijk maar de feiten worden door bevoegden als waar erkend', zo schrijft men. Een eeuw later vindt iemand een sociale draagstoel voor kinderen uit, om te verhinderen dat bakers het kind op de arm zouden dragen waarbij zij hun vingers steeds op de blote genitalia hielden om deze te strelen. Iemand anders construeert een wieg vastgemaakt aan een schommelstoel: de baker kan al schommelend het kind in slaap wiegen in plaats van het te masturberen. Rond het einde van de achttiende eeuw schrijft een zekere dokter Faust: 'meer dan men zich inbeeldt, heerst nog de verderfelijke gewoonte om met de teeldelen der kinderen te spelen en hen zelf daar mede te leren spelen. De moeder van een jongen van drie jaar oud, wiens grootmoeder waarschijnlijk het eerst met zijn teeldelen gespeeld had, zeide mij, dat hij menigmaal zijn mannelijk lid aantastte en zich daar mede recht wat te goed deed'. Dezelfde Faust zegt dat men vanaf hun derde de jongens een broek aantrekt. 'Kinderen, dienstmeiden en knechten helpen hen en trekken en spelen met zijn teelballen. Een andere schrijver spreekt herhaaldelijk van de invloed van het huispersoneel, dat zelfs bij opgroeiende kinderen de geslachtsdelen ontbloot, bekijkt, betast, kittelt, een gewoonte die zo verspreid is dat men er niet meer op let. De ouders doen het niet zelden zelf.' Op kermissen worden aapjes getoond die zo gedresseerd zijn dat ze op een gegeven teken zichzelf masturberen. Het publiek is niet verontwaardigd, zoals dat in de negentiende-twintigste eeuw het geval zou zijn. De reactie is tekenend: er ontstaat een algemeen gelach. Deze westerse houding is geen coriosum. Margaret Mead schrijft over Bali: 'De penis van het jongetje is een voorwerp waarmee zijn moeder, zijn kindermeisje en alle mensen uit zijn omgeving voortdurend spelen, waaraan ze plukken, trekken en wriemelen. Deze lichte prikkeling wordt begeleid door steeds herhaalde woorden: mooi, mooi, mooi, een adjectief dat alleen op mannen wordt toegepast. De vagina van het meisje wordt zachtjes beklopt met de bijbehorende vrouwelijke adjectiva: lief, lief, lief.' Soortgelijke gebruiken vindt men bij vele volkeren. We kunnen ons indenken dat mensen die zo opgevoed worden, minder kans maken om 'ziek te zijn aan hun genitalia' dan de huidige westerlingen.

Van bekende minnaars en minnaressen uit de geschiedenis kennen we de leeftijd. Achilles beminde Deidamia vóór zijn vijftiende jaar en had bij haar een kind. Chione had reeds 'duizend' minnaars gehad vóór haar huwbare leeftijd van 14 jaar. Narcissus was zestien toen hij bemind werd. Helena telde 12 jaar toen ze door Paris ontvoerd werd. Daphnis was vijftien en Chloë dertien. Juliette werd op haar 14e jaar gevrijd door Romeo. Dante's Beatrice was 9 jaar oud. Kinsey merkt hierbij op dat sommige van deze 'helden' der liefde vandaag als jeugdige delinkwenten in instellingen worden opgesloten. Leest men de brieven die de graaf van Chesterfield (1694-1768) aan zijn bastaardzoon schreef, dan vindt men in plaats van de waarschuwingen die vandaag gebruikelijk zijn, de ene aanmoediging na de andere om toch maar in contact te treden met vrouwen. De jongen is dan zestien. Chesterfield was wellicht de best gemanierde Engelsman van zijn tijd; zijn raadgevingen verschilden niet van datgene wat aan andere jonge edellieden gezegd werd, namelijk dat ze zich vroegtijdig moesten laten inwijden in een fijne omgang met de vrouw. In hedendaagse termen zou men kunnen spreken van jonge weduwen of vereenzaamde vrouwtjes die pedofiel contact kennen met jongeren van de adel, soms jonger dan 15 jaar en dit met medeplichtigheid van de ouders van de jongen. maar dit zou een anachronisme zijn. Die 'jongere' streed soms op zijn veertiende jaar mee op het slagveld aan de zijde van grote krijgsmannen. De kinderen werden toen niet kinderlijk en kinderachtig gehouden, integendeel. Zij mochten op jonge leeftijd uit vrijen gaan, - de alom verspreide gewoonte van het nachtvrijen, de kiltgang, het kweesten of hoe men dit ook noemt.
Men kan honderden soortgelijke feiten aanvoeren die steeds hetzelfde aantonen, namelijk dat mensen elkaar meer aanraakten dan wij ons voorstellen, dat deze aanraking niet gezien werd als de overschreiding van een grens der persoonlijke intimiteit, dat hierbij weinig onderscheid gemaakt werd tussen oud en jong, tussen geslachtsdelen en andere lichaamsdelen, behalve wanneer de voortplanting in het gedrang kon komen. Seksuele contacten zijn hierbij niet ongewoon, maar worden niet speciaal afgekeurd, tenzij in enkele elite-middens, tijdens enkele perioden van de geschiedenis. We vinden een samenleving met vele jongeren die leven te midden van de volwassenen, en die zowat overal deel aan hebben. Geleidelijk verandert deze situatie. Datgene wat vanaf de zeventiende-achttiende eeuw in enkele progressieve pedagogische elite-middens nagestreefd werd, namelijk het vormen van aseksuele jongeren, werd een van de idealen van de maatschappij die stilaan verburgerlijkt.

Het kind bij burgerij

Vanaf de zestiende eeuw wordt een ontwikkeling duidelijker die tijdens de volgende eeuwen bij steeds meer mensen verspreid zal worden. De volwassenen worden meer 'volwassen', de kinderen en jongeren blijven langer kind. Een van de oorzaken van deze evolutie is te vinden in het complexer worden van de maatschappij. De opvoeding omvat meer dingen, die een fundamentelere ingreep op het menszijn hebben. Daarom moet zij op jonge leeftijd beginnen en langer duren. De voorbereiding op het leven in die nieuwe maatschappij kan niet meer door de ouders gegeven worden. Vandaar dat gespecialiseerde instellingen, zoals scholen, een grote invloed krijgen. Daar leert men de zelfbeheersing, het zichzelf in de hand houden, het uitstellen van lustbevrediging, het niet tonen van wat men wil of voelt, het onrechtstreeks zijn en andere eigenschappen die maken dat iemand in de burgerlijke maatschappij goed functioneert. Om dit mogelijk te maken, werd de jeugd in scholen afgezonderd. Hier werd een soort sluis- of sas-situatie geschapen: een kunstmatige wereld waarvan verwacht werd dat hij de beste voorbereiding zou geven voor de intrede in de echte maatschappij. Een niet beoogd resultaat hiervan was dat de ver-scholing tot ver-kinderlijking of infantilisering leidde. De jongeren werden wel meer geletterd en geleerd, maar bleven duidelijk ten achter bij de jongeren die in de reële maatschappij leefden voor wat de zelfstandigheid, de psychische rijpheid of volwassenheid betreft. Vaak werd het zo dat, hoe meer iemand geschoold was, hoe infantieler hij bleef. Daarom waren, algemeen gesproken, de jongens die meer geschoold waren, ook kinderachtiger dan de meisjes die minder levens- en wereldvreemd bleven. Studenten die vele jaren studeerden, waren op het einde van hun studies - soms op vijfentwintig- tot dertigjarige leeftijd - psychische kleuters in vergelijking met hun leeftijdsgenoten, die in het arbeidsproces stonden en die op die leeftijd, theoretisch althans, reeds grootvader konden zijn.

Aan het kind werden eigenschappen toegeschreven. Het zou redelijk zijn alvorens het de rede leert gebruiken. Het is lief, grappig en ontroerend-naïef. Het belangrijkste kenmerk is de onschuld. Daar waar Freud spreekt van het polymorf perverse kind, werd vanaf de zestiende eeuw steeds vaker gewezen op de natuurlijke onschuld van het kind. Deze onschuld werd geleidelijk steeds meer 'seksueel' geïnterpreteerd. Onschuld kwam gelijk te staan met aseksueel zijn. Onschuld was zoiets als argeloosheid, onwetendheid van het kwaad, onberoerd zijn door of afstoten van het kwaad. Men verspreidt ook de opvatting dat het kind overal ter wereld in een primitieve staat van smetteloosheid verkeert, tenzij het door de beschaving verknoeid wordt. Daarom mag het kind niet in contact treden met de wereld der volwassenen. Het reine, ongerepte en rijpe kind mag zich volgens J. J. Rousseau (midden achttiende eeuw) 'van geen enkel geslacht voelen'. Men moet 'het kind in het kind laten rijpen', een mysterieuze uitspraak van Rousseau waarmee hij mijns inziens bedoelt dat men het kind moet infantiliseren, kinderlijk en kinderachtig houden. Dus censuur en talrijke verbodsbepalingen. 'Levend in een woestijn zou men sterven zonder ooit de seksualiteit ervaren te hebben', schrijft Rousseau. De 'seksualiteit' komt van buiten, is exogeen. Daarom begint men met aanrakingen te verbieden. Daarna komen er taboes op gevoelens, wensen en begeerten, ten slotte wordt het weten tegengegaan: op de hoogte zijn van seksuele elementen staat gelijk met het verlies van onschuld, en is het begin van de onzedelijkheid.
De onschuld is uiterst kwetsbaar, zodat men ze moet beschermen. Zij wordt definitief verloren door van buitenaf werkende invloeden. Een aanraking waarvan het kind de zin niet begrijpt, het zien of horen van sommige feiten of woorden, kortom vele elementen uit de wereld der volwassenen zijn verderfelijk. Het is voldoende dat de onschuld van het kind bedreigd wordt en dat het de taal van de bedreiging begrepen heeft zonder ermee in te stemmen, opdat iets onherstelbaars is geschied. De houding van het kind zelf is eerder bijkomstig. Tegen zijn wil in, kunnen anderen zijn onschuld vernietigen. Typerend is ook de onherstelbaarheid. Het contact met het kwaad veroorzaakt een verandering die door geen rituelen goed te maken is. Men gaat uit van een psychische maagdelijkheid, die even onherstelbaar is als de fysiologische maagdelijkheid.

Essentieel is ook de zwakte die men in het kind veronderstelt. Daarom zijn het de volwassenen die zijn onschuld moeten beschermen. Dit gebeurt op twee wijzen. Men ontwerpt een strategie om het van buitenaf te beschermen. Het kind wordt onder een langdurige voogdij geplaatst; volwassenen treden 'voor het welzijn van het kind' als plaatsvervangende personen op, tot het sterk genoeg zal zijn om zelf weerstand te bieden aan de verleidingen van de onzedelijke wereld. Men sterkt het ook inwendig. Hiermee wordt bedoeld dat het rijper en ouder moet worden. De betekenis van deze woorden is niet eenvoudig. Het kind moet én naïever en wijzer worden. De traditionele opvatting dat het best kan leren door schade en schande, dat de jeugd moet experimenteren, wordt als gevaarlijk verworpen. Die ervaring kan achterwege blijven, maar het kan wel van de opvoeders veel wijsheid mee krijgen, zodat het is alsof het heel wat ervaring achter de rug zou hebben. Ervaring maakt rijp, ouder en wijzer. Maar zij kan ook schadelijk zijn. De nieuwe opvoeders van die tijd gaven aan de jongeren de vruchten der ervaring mee, zonder de gevaarlijke doornen. Daarom ook kreeg de jongere slechts een onrechtstreeks, gecensureerd contact met de wereld. De opvoeding van Rousseau's modelkind Emile is daarvan een voorbeeld. Het is de volwassene die een zorgvuldige, gedoseerde, geleidelijke en middellijke contactname leidt. Bij de 'seksuele' voorlichting, die vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw gepropageerd wordt, geschiedt hetzelfde. De volwassene is de bemiddelaar tussen de jongeren en de gevaarlijke 'seksualiteit'. In ruil voor het aanvaarden van zijn gezag, deelt hij kennis mede. Deze kennis is gezuiverd van elementen die de onschuld bedreigen. Het aantal van deze gevaarlijke woorden, platen, situaties et cetera stijgt voortdurend naarmate de gevoeligheid voor het 'seksuele' onder meer ten gevolge van censuur groter wordt. Ten slotte kan nagenoeg niets meer gezegd worden, want alles is bedreigend voor de onschuld. De inwendige sterking van het kind omvat ook het inprenten van een 'seksueel' zondebesef. Aanvankelijk wordt de afwijzing van de 'seksualiteit' nog gerechtvaardigd door opvattingen omtrent lichamelijke hygiëne: wie vroeg actief is, zou ook vroeg uitgeput zijn, of niet groeien of zelfs dood gaan. Daarna wordt de schade van lichamelijk tot psychisch. Vroeg rijp is niet alleen vroeg oud of vlug dood, maar ook vroeg rot, vroeg verdorven. Enkele tientallen jaren later wordt het 'seksuele' ook als zondig voorgesteld.

Deze kenmerken werden voorgesteld als wezenlijk, als inherent aan het kind. Maar zij waren in feite onderdelen van het modelkind, dat progressieve opvoeders van die tijd wilden verwezenlijken. Deze opvoeders kregen unieke kansen om veel invloed uit te oefenen op een elitejeugd die zij beweerden voor te bereiden op de betere maatschappij, de burgerlijke, die steeds meer kansen maakte. Deze opvoeding gaf meer kansen om hoger op de sociale ladder van die nieuwe maatschappij te komen: de jongeren werden omgevormd om aan de nieuwe eisen te voldoen. Deze opvoeders waren meestal geestelijken die van een nieuwe pedagogiek droomden. Zij kregen hierdoor ook de kans om hun ideaal te verwezenlijken namelijk het voorbereiden op een wereld waarin de burger in staat zou zijn de christelijke idealen reëel te beleven. Daarom werd het internaat een gebied dat, zoals een klooster, van de wereld afgezonderd is, en waarin bijzondere regels gelden. Zo wordt het gebruik van elk ogenblik van de dag en de nacht door het reglement bepaald: wat men moet doen, waar men moet zijn, met wie et cetera. Het doet denken aan kazernes en kloosters. De controle is streng en adequaat: men trekt toegewijde opzichters aan; de opvoeding wordt een roeping; 's nachts dragen de toezichthouders pantoffels van vilt; men voert bij de leerlingen een kliksysteem in. De tucht wordt van een middel tot een doel. De jongeren leren zichzelf te harden, haast te kwellen, nogmaals een beetje zoals in sommige kloosters of kazernes. De sociale contacten moeten gespreid zijn over de hele groep. Geen 'amitiés particulières', nooit alleen zijn, want dan krijgt men onzedelijke gedachten, niet met twee, liefst met drie of meer. De keuze van een boezemvriend wordt in de achttiende eeuw door enkele progressieve opvoeders 'de meest hachelijke zaak' genoemd.
De jeugdige periode is er een van ernst. Ook dit is een nieuwe opvatting. Buiten het milieu van de burgerij werd niet veel aandacht aan 'later' besteed, want alles lag toch ongeveer vast. De burgerlijke maatschappij is dynamisch, die van boeren en adel statisch. De jongeren van de burgerij leren zich voor te bereiden op later, ze leren te sparen, kennis te vergaren en lustgenietingen uit te stellen. Zij studeren langer zodat de afstand tussen de sociale rijpheid (in staat zijn om te trouwen, dus vooral de economische zelfstandigheid) steeds verder af komt te liggen van de biologische rijpheid (de leeftijd waarop verondersteld wordt dat de 'seksuele' behoeften duidelijker worden). Het vraagstuk van de kuisheid, de onthouding of het voorzien in uitingskansen doet opgeld. De progressieven kiezen voor de onthouding. In een tekst uit de tweede helft der achttiende eeuw lezen we de volgende formule: 'de liefde tussen de beide geslachten: scheiding, verwijdering, arbeid!!!' Dansen kan alleen per sekse. Aan de ouders wordt op het hart gedrukt dat ze thuis het beste een afzonderlijk bed en daarna een aparte slaapkamer per sekse kunnen hebben, later een per leeftijdsgroep en tenslotte een per persoon. In de internaten werd deze splitsing reeds vroeger doorgevoerd.
In verband met seksuele contacten tussen volwassenen en kinderen is het van belang op te merken dat men eerst in de achttiende eeuw aandacht schenkt aan het bij elkaar groeperen van personen die even oud zijn. Dit gebeurt in de moderne scholen (in de dorpsscholen zit jong en oud vaak samen), de slaapkamer, bij het spel en elders. Argumenten om dit te rechtvaardigen worden gezocht in opvattingen omtrent de ontwikkeling van het verstand en het karakter, maar het is waarschijnlijk dat de echte bedoeling van zedelijke aard was. De groep van kinderen en jongeren wordt duidelijk afgezonderd van die der volwassenen. Hierdoor kon men aanvaardbaar maken dat jongeren die nog-niet-volwassenen waren, minder rechten en vrijheden mochten kennen. Daarna splitst men in kinderen en jongeren. De sociale categorie der kinderen tekent zich af vanaf de zestiende-zeventiende eeuw; die der jongeren vanaf de achttiende. Zoals de kleine jongen tientallen jaren eerder dan het meisje als een kind wordt aangezien, zo ontstaat ook eerst het type van de 'Flegel' en daarna dat van de 'Backfisch'. Geleidelijk splitst men verder op: baby, peuter, kleuter, prepuberaal kind, puber, post-puber, et cetera. Doordat men deze leeftijdsgroepen samenzet, krijgen zij enigszins dezelfde psychische kenmerken en gaat men modellen ontwerpen van het normale kind van 3,4 jaar en ouder. Achteraf verrichten psychologen zoals Gesell en Ilg, onderzoek en constateren dat die kinderen in doorsnee inderdaad deze eigenschappen bezitten. Maar zij vergeten dat men ze bij hen heeft doen ontstaan. Een algemene regel is dat, hoe meer scholing iemand onderging, hoe infantieler hij of zij is, en hoe meer verschil er bestaat tussen de verschillende leeftijdsfasen.

Om het kind en de jongere te kunnen infantiliseren, is het nodig de invloed van de 'wereld' te verhinderen. Een kunstmatige, drop-out-wereld wordt geschapen, waarvan beweerd wordt dat hij de beste voorbereiding op het leven in de reële maatschappij geeft. Aan de volwassenen wordt geleerd dat zij in de wereld moeten leven, maar toch niet van de wereld mogen zijn (de 'innerweltliche Aszese'). De jongeren leert men om buiten de wereld te staan. Talrijke maatregelen worden hiervoor getroffen. De scholen bevinden zich afgezonderd van de wereld buiten. Aanvankelijk komen nog vreemden, ook meisjes op bezoek, in de kamers en elders. Geleidelijk worden vaste uren en plaatsen voor het bezoek bepaald; daarna moet men zijn bezoek zelfs in de kapel ontvangen; later ontstaan aparte lokalen voor bezoekers (de 'parloirs'). Het personeel is aanvankelijk van de beide seksen; later wordt dit 'aangepast'. Ook datgene wat men in het internaat naar binnen mag brengen wordt bepaald: geen wapens, drank, boeken. Er komt controle op de briefwisseling. De vakantieperiode wordt als zeer gevaarlijk voorgesteld omdat men dan veel kansen heeft op contact met de reële en dus slechte wereld. Daarom worden de vakanties ingekort. Ook wordt aan de ouders steeds duidelijker gezegd wat zij in hun huis moeten veranderen, om hun opvoeding in de lijn van die der internaten te brengen. Leerlingen die door de wereld 'besmet' zijn, worden verwijderd. De leerstof wordt gezuiverd, en vooral de handboeken en leesboeken worden grondig gecensureerd. De ontwikkeling van deze behoefte om te censureren is bijzonder typisch. Aanvankelijk lezen jongeren dezelfde boeken als de volwassenen. Daarna tracht men sommige werken uit hun handen te houden. Om dit consequent te kunnen doorvoeren, wordt in de achttiende eeuw een afzonderlijke jeugdbibliotheek samengesteld. Schoolboeken worden steeds ingrijpender gezuiverd. Hetzelfde gebeurt met de bijbel. Jeugdbijbels worden gemaakt, die keer op keer opnieuw moeten gezuiverd worden omdat de gevoeligheid voor het 'seksuele' steeds groter werd. Het resultaat is een kinderbijbel en andere kinder- en jeugdboeken waarin alle gegevens in verband met intieme omgang tussen mensen verdwenen zijn. Als feedback ontstaat daarnaast het instituut der 'seksuele' voorlichting.
Het resultaat van deze en andere acties is een jeugd die meer dan de jongeren in andere culturen, psychisch infantiel of babyachtig is. Men pleit voor een zo groot mogelijke 'eerbied' voor het kind. Gaat men na wat die eerbied precies inhoudt, dan lijkt hij vooral op het vlak van de intieme aanrakingen te liggen. Hier betekent de 'eerbied' niet dat men in zijn benadering fijn moet optreden, maar dat er niets mag geschieden. De eerbied is dus vaak een negatief begrip. Nog meer opvallend is dat in dezelfde periode ook jonge kinderen in het produktieproces en in de prostitutie misbruikt en uitgebuit worden, tot aan het begin van de twintigste eeuw. De 'zuiverheid' is iets waardoor de burgerij zich boven de andere standen, zoals de perverse adel en het losbandige gewone volk, wil verheffen.
Na het principe dat het kind een kind moest blijven, volgt op het einde van de achttiende eeuw de regel dat de knaap een knaap moest blijven; wat later gold hetzelfde voor de jongeling tot op het ogenblik - soms als hij 30 jaar oud was - dat hij huwde. Voor het vrouwelijke geslacht golden soortgelijke regels. Bij allen waardeerde men wel geleerdheid, geletterdheid, grote kundigheid op een of ander gebied. Maar datgene wat men met het kind-, knaap- of jongeling-zijn bedoelde was de seksuele onwetendheid, onmondigheid en inactiviteit.

Het anti-seksueel syndroom van vroeger tot nu

Vanaf de zestiende eeuw komt de burgerlijke maatschappij duidelijker in zicht. Zij zal tijdens de volgende eeuwen in landen zoals Engeland, Frankrijk, Nederland de hefboom van de macht in handen krijgen. Zij legt aan allen haar waardensysteem op, dat fundamenteel van dat van adel en landbouwers verschilt en geeft aan bepaalde types van mensen grotere kansen op sociaal succes. Bloedverwantschap en bezit spelen een belangrijke rol, wil men vooruit komen. Maar er zijn ook psychische eigenschappen die het sociaal succes kunnen bevorderen. Deze leert men aan in speciale scholen van progressieve pedagogen die een nieuw mensentype als model nemen, namelijk diegene die later de burger zal genoemd worden. Deze kent een geheel verschillende houding tegenover het gebruik van zijn tijd ('time is money'), geld ('er is geen groter plezier dan het doen van zaken', schreef Bagehot), energie (nuttig te investeren), gevoelens (onder bedwang te houden), genieting van lichamelijkheid (het lichaam is vies), de functies van het lichaam (de meeste worden met taboes belegd: spuwen, boeren, winden laten, zich ontlasten et cetera), de genieting van wellust (is zeer gevaarlijk) en het contact met anderen (de anderen zijn steeds mogelijke vijanden of tegenstrevers). De opvatting ontstaat dat het individu een wereldje op zich is, levend in 'splendid isolation' en dat het pas volmaakt is wanneer het ook zelfsufficiënt is.

In de maatschappij van veetelers en landbouwers die voor de middeleeuwen typerend was, en die tot in de negentiende, twintigste eeuw zou blijven voortbestaan in vele gebieden, golden andere waarden en normen. Het bestaan van de mens maakte deel uit van één groot geheel, de kosmos, waarin zowat alles met alles samenhing. Als een meisje haar menarche kende, was dit een gunstig teken dat de natuur in haar werkzaam was: zij zou weldra een jonge vrouw zijn. Men was er blij om, en had geen schuldgevoelens of zelfmoordgedachten zoals in de negentiende, twintigste eeuw. Hetzelfde gold voor de polluties van de jongen. Jongeren konden aan ouders hun behoeften aan orgastisch, sensueel en amoureus contact uitspreken, want deze behoeften waren geen tekenen van perversiteit. Zij werden aangezien als iets dat de 'natuur' in hen verwekte, zonder dat zij er wat aan konden doen en dat even positief was als dat in de lente de bomen bloeien en het koren rijpt. Te lang in onthouding leven werd haast als gevaarlijk gezien. Zijn lichaam 'rein' houden kende vroeger een andere betekenis. De Hollandse arts J. van Beverwijck schrijft in 1660, dat tot de hygiëne behoort 'het afschieten van natuurlijk zaad' (men dacht dat de beide geslachten zaad hadden). 'Want als dit in zijn vaten overvloedig is, zo moet het bijtijds geloosd worden, ofwel bederven en een venijnige natuur aannemen, inzonderheid bij diegenen die gezond en fris van lichaam, warm en vochtig van kompleksie zijn...' Om dit te verwezenlijken kon men zichzelf bevredigen of omgang kennen. Van de eerste uiting werd gezegd dat zij een 'onschuldige vereiste der natuur' was; van de geslachtelijke omgang dat hij met 'grote geneugte gepaard ging'. In de discussies over de schadelijkheid der onthouding kregen de tegenstanders der onthouding haast altijd gelijk. (Dus het omgekeerde van wat vanaf de negentiende-twintigste eeuw als vaststaand aangezien wordt.) Onthouding verstoort het lichaam, veroorzaakt hysterie bij vrouwen en verzwakking bij mannen. In de literatuur worden gevallen vermeld van personen die dood gingen omdat zij weigerden te ejaculeren. Bij het begin van de vijftiende eeuw noteerde J. Gerson (een geestelijke die ook een individuele campagne voerde tegen het algemeen aanvaarde 'aanraken van kinderen') dat personen die een behoorlijk godsdienstig leven wilden leiden, er zich bij hem over beklaagden 'dat het hun onmogelijk was om kuis te leven'. In een andere passage vernemen we de gangbare houding: 'de jonge jaren moeten voorbijgaan, en wat er gebeurt is de kleinste zonde die er bestaat. Dit is wat nog vandaag in sommige sociale groepen aanvaard wordt, namelijk dat men zijn wilde haren moet kwijt spelen.' De leuze van Erasmus van Rotterdam was: 'indien niet kuis, dan toch voorzichtig'. Goethe oordeelt, einde achttiende eeuw, 'jong is jong' en pleitte voor geslachtelijke activiteiten. Pestalozzi wilde niet dat men bij het huwelijk 'een kat in de zak' kocht. In alle landbouwgebieden kende men het samenslapen voor het huwelijk. Vandaag de dag vindt men deze aanvaarding der geslachtelijke behoeften nog bij sommige sociale groepen en kritische enkelingen (Sartre: 'de zuiverheid is een opvatting van fakirs of monniken'). De progressieve opvoeders der zeventiende en achttiende eeuw gaan nogal te keer tegen de toestand in de gezinnen. Zij eisen steeds meer de opvoeding voor zich op (er is nog geen discussie over het alleenrecht der ouders op de opvoeding van hun kinderen). Volgens de grote pedagoog Campe 'krioelen' de huizen der rijken van 'onkuise afbeeldingen en boeken, werktuigen der helle, opgesteld door gedrochtelijk snode mensen'. De ouders wekken de wellust bij de kinderen. Deze zien, horen en beleven ontoelaatbare dingen.
Dit alles verbaast ons niet. In een wereld waarin kind en jongeren deel uitmaken van het midden waarin ook de volwassenen leven, en waarin zij aan al hun activiteiten deelnemen, is het vanzelfsprekend dat er weinig sectoren bestaan waar zij uitgesloten worden. In deze maatschappij waarin geen barrières tussen de leeftijdsgroepen bestaan, valt het samenzijn van volwassenen en jongeren niet op.

Vanaf de zeventiende eeuw wordt de verburgerlijking der maatschappij duidelijker zichtbaar. Dit proces verloopt langzaam. Vandaag zijn bij voorbeeld in de Nederlandse samenleving niet alle sociale categorieën verburgerlijkt (terwijl anderzijds een ander deel bezig is zich te ontburgerlijken). In tal van westerse landen vindt men nog afgesloten enclaves, relictgebieden, achtergebleven gewesten, hele sociale categorieën (adel, laagste sociale klassen et cetera) die niet ten volle aan de verburgerlijking toe zijn (een reden waarom hun gedrag en normenstelsel door de burgerij niet begrepen en niet aanvaard wordt). Daarnaast wordt het burgerlijk mensmodel over zowat de hele wereld verspreid, ook bij de elites uit de arme landen. Niet alleen de westerse taal, de opvoeding, kleding, voeding worden overgenomen. De rijke inheemse jongeren worden in westerse scholen omgevormd om zoveel mogelijk op het burgerlijk mensmodel te gelijken.
Dit model is geheel verschillend van dat van de veeteler of de boer. Voor het betere begrip van de afwijzende houding tegenover seksuele contacten tussen volwassenen en kinderen, wijzen we hier op slechts enkele facetten. De burger moet zijn tijd, zijn geld, zijn energie, zijn gevoelens, zijn liefde nuttig besteden. Hierdoor komen de genieting van de lust, het genot, de wellust, de zinnelijkheid, de lichamelijkheid, de romantische liefde et cetera in het gedrang. Want deze 'brengen niets op', zij zijn een niet renderende verspilling van tijd en energie, en gevaarlijk omdat men van de opvatting uitgaat dat de mens tot het kwade geneigd is: de gemakkelijke en verleidelijke weg der wellust. Van de 'seksualiteit' vallen dus alle aspecten weg die niet produktief zijn. Alleen de reproduktie of voortplantingsdaad blijft over. De beoordeling van 'seksuele' gedragingen geschiedt volgens hetzelfde principe: masturbatie, homoseksualiteit, omgang na de bevruchting, omgang waarbij bevruchting vermeden wordt of na de menopauze of vóór de puberteit, pedofilie, sommige coïtushoudingen, et cetera worden afgekeurd. Deze afwijzing van vele aspecten van de intieme omgang tussen mensen, heeft anderzijds tot niet beoogd gevolg dat de belangstelling ervoor groot wordt, vooral omdat de prikkels niet systematisch gecensureerd worden (prostitutie, pornografie, verleiding van de dienstmeiden door de zonen der burgerij, gedrag in internaten, leger, et cetera). De belangstelling voor het 'seksuele' was wellicht nooit zo groot als toen men haar het felst wilde bestrijden. Een zeer belangrijk gevolg hiervan is dat vele feiten en situaties die weinig geslachtelijke elementen bevatten, toch als 'seksueel' gezien worden. Andere wezenlijk belangrijke elementen worden terzijde geschoven. Zo komt het dat een gedrag omwille van een eventuele geslachtelijke component of bestanddeel geheel als 'seksueel' aangezien wordt: de homoseksualiteit, de pedofilie, de buitenechtelijke omgang. Dit leidt tot een veroordeling van deze gedragingen wanneer, zoals in het westen vanaf de negentiende eeuw, de 'seksualiteit' zelf nauwelijks geduld werd, althans officieel en bij de burgerij en de verburgerlijkte christelijke kerken. Deze afwijzing van de wellust en de zinnelijkheid maakt, zoals we zagen, deel uit van een groter geheel. Vanaf de zestiende eeuw verschijnen de eerste uurwerken op de kerktorens: een andere houding tegenover de tijd leidt tot afkeuring van het nietsdoen of het niet nuttig bezig zijn. Voor liefde, sensualiteit, orgasmen koop je niets, ze zijn dus overbodig. Geleidelijk komt ook de stoel in zwang. Daarop zit men in de beste werkhouding: men ligt niet, zoals op een matras of op de grond. Op die stoel zit men niet alleen om te presteren, maar ook bij het eten en het ontvangen van bezoek. De Grieken en Romeinen lagen aan een tafel. Op die stoel zit men afgezonderd als individu, en niet dicht bijeen zoals bij voorbeeld op een bank. Horloge en stoel zijn symbolen van een andere houding tegenover de prestatie en de omgang met andere mensen. In de middeleeuwen huldigde men de norm dat 'geen enkele christen een handelaar kon zijn'. Tijdens de laatste eeuwen hebben zelfs sommige kerken zich tot economische machten ontwikkeld. De arbeid werd voordien aangezien als een straf van God voor de zonde in het aards paradijs. Vanaf de negentiende eeuw wordt het ideaal 'arbeid adelt'. En dan het 'rust roest', 'ledigheid is des duivels oorkussen'. Zo kunnen we nog talrijke aspecten opsommen die dit gemeen hebben: wie als een volwassen burger aangezien wil worden, moet zichzelf in zekere zin aftakelen, openingen dichtschroeien, aan kansen om meer te worden of echt gelukkig te zijn verzaken. Dit ziet men duidelijk wanneer men de houding van een kind van een jaar tegenover zijn eigen lichaam en dat van de anderen (het verschil in leeftijd en sekse, de lichaamsdelen die aangeraakt worden, de wijze waarop contact geschiedt, bij voorbeeld met de mond, et cetera) vergelijkt met de houding die men na tien en na twintig jaar van opvoeding aantreft. Een ander menstype is ontstaan waarvan men niet op overtuigende wijze kan beweren dat het beter is. Men zou ten dele kunnen spreken van wangedrochten van mensen die zichzelf nodeloos kwellen, niet vriendelijk zijn voor hun lichaam, die zich uitbuitend moeten opstellen, om zich tussen anderen te handhaven, en die aan bijzonder waardevolle dingen verzaken. Zij zijn vervreemd van hun gevoelens en behoeften. Het zijn niet deze mensen die hun eventuele ervaringen met of behoeften aan seksuele contacten met kinderen zullen durven te waarderen. Hoe meer die hen bekoren, hoe feller zij deze zullen bekampen. Tegenover hun kinderen nemen zij zowat dezelfde houding aan, vaak met de beste bedoelingen. De kinderen worden psychisch verminkt om, zoals lichamelijk verminkte bedelaars, meer succes te kennen in de burgerlijke maatschappij. De westerse jeugd is hoogstwaarschijnlijk de ongelukkigste van de hele wereld. Wie met het welzijn van zijn kinderen begaan is, kan hieraan niet helemaal ontkomen. Men zou zijn kinderen ongelukkig maken door hen te zeer op de genieting van allerlei vormen van lust (behalve de lust van de arbeid) te richten. Het geluk, een geslaagde carrière, sociaal succes vallen niet in iemands schoot (tenzij men toevallig geboren wordt bij rijke ouders). Men moet dus hard werken en tijdelijk ongelukkig zijn om 'later' gelukkiger te kunnen zijn. Zo verzamelt men kapitaal dat 'later' volop zal renderen.

Het kind als bezit van de ouders

In feite is er niets normalers en meer aan te prijzen dan dat de ouders voor hun kinderen het beste wensen en doen. Even normaal is het dat zij zouden inzien dat zijzelf niet in staat zijn om aan hun kind alles te geven wat het nodig kan hebben. Men zou ook mogen verwachten dat zij dankbaarheid tonen tegenover degenen die hen helpen, die zich bijzonder voor hun kinderen inspannen, van een bijzondere genegenheid voor hen getuigen. Deze houding vinden we voor enkele aspecten van het bestaan (het leren, het geven van materiële hulp, et cetera). Wanneer het meer de sensuele, lichamelijke, wellustige en erotische aspecten betreft vinden we echter een afwijzende houding.
Dit gebeurt niet omdat de ouders van slechte wil zijn of een gebrek aan liefde kennen. Hun houding is vanzelfsprekend in een cultuur waarin Freud het had over het kind als 'lustvol monster', polymorf pervers. Waar men weinig zichzelf kan zijn en waar ouders een onbegrijpelijk grote macht over hun kinderen hebben. Alleen zigeuners en hippies zeggen dat het leven te kort duurt om te werken. Zij leven dan ook aan de rand van onze maatschappij. Na een liefdesnacht, kan men 's anderendaags niet flink presteren; volkeren die van de lust genieten zouden van geen tel zijn op het militaire slagveld of in de strijd om de grootste produktie: jongeren kunnen zich niet tegelijkertijd op hun studies, het vooruit komen èn op lust en liefde richten. Wat er met het kind moet gebeuren, is dus duidelijk. Wie daarvoor verantwoordelijk is, staat eveneens vast, de ouders.

Het kind werd als bezit aangezien in die gevallen waarin het inderdaad daarmee in verband kon worden gebracht. Dit was bij voorbeeld in geval van troonsopvolging, overerving langs bloedschapslijnen van titels, bezit en andere privileges. Dit was eveneens het geval wanneer de gezondheid stevig genoeg was (de kindersterfte was groot) om er op te rekenen als latere erfgenaam van bezittingen, privileges et cetera. Daarnaast was er nog tijdens de vroegere middeleeuwen heel wat kindermoord (om ongewenste kinderen te doen verdwijnen), misbruik van kinderen bij de arbeid en later het plaatsen van kinderen die men vlug wilde doen doodgaan, bij minnen die 'engelenmaaksters' genoemd werden. Het kind was dus volledig bezit van zijn ouders. Deze hechtten er zich soms sterk aan: men sprak toen van de zogenaamde apenliefde, namelijk domme dieren die hun jong tegen zich aan dooddrukken, zogenaamd omdat ze er zoveel van houden. Maar het is verbazend hoeveel hardvochtige moeders en vaders men vindt, hoe gemakkelijk men zijn kinderen te vondeling legt (bij voorbeeld J. J. Rousseau die mooie dingen over de opvoeding schreef, legde al zijn kinderen te vondeling). Men verbaast er zich vandaag over hoe harteloos sommige brieven van ouders aan kinderen zijn, hoe vaak sommige welgestelde ouders zich helemaal niets van de opvoeding aantrokken. De liefde van ouders voor hun kinderen werd soms belachelijk gemaakt, en het kleine kind werd helemaal niet als een aantrekkelijk en vertederend wezen aangezien, integendeel.
Voorts valt op dat een huiselijk leven zoals wij dat vandaag kennen ('Oost, west, thuis best'; 'eigen haard, goud waard', 'zoals het klokje...') vroeger niet bestond. De straat zette zich voort tot in het huis, dat vaak slechts één of een paar kamers kende. Men leefde op straat, op markten en pleinen, zoals vandaag nog bij de laagste sociale klassen en in de landen rondom de Middellandse Zee. Het kind had contact met vele en van elkaar verschillende personen. Ook hield zowat de hele groep zich met zijn opvoeding bezig. Bij de adel en de rijken hadden de ouders geen zin of tijd om aandacht aan hen te besteden. Zij waren vaak afwezig, op het slagveld, op jacht of aan het hof. Andere vaders maakten reizen, gingen naar verafgelegen markten. Kinderen werden bij de geboorte uitbesteed aan een min, die vaak haar eigen kinderen weer aan een andere min uitbesteedde, omdat deze goedkopere prijzen had ten gevolge van een grotere afstand van de stad. Daarna kregen de rijke kinderen een opvoeding door een privé-leermeester, een 'dame de maintien' et cetera. In gezinnen waarin vele generaties samenleefden, waren het ouderen die niet meer in staat waren om te werken, die zich met de kinderen bezighielden. Andere kinderen werden vanaf hun tiende jaar als page aan het hof geplaatst, maakten een grote reis, gingen ergens in de leer of werden als goedkope arbeidskracht uitbesteed. Hoe armer men was, hoe meer kinderen men wenste, want het saldo was batig: kinderen eten niet zoveel, hun kleding kost haast niets, zodat er van hun loon nog wat overblijft.

Onder meer ten gevolge van de grotere overlevingskansen vanaf de achttiende eeuw, tonen de ouders meer affectie voor hun kinderen. Vroeger was er slechts één kans op twee dat een kind in leven bleef, zodat het voorbarig of wat zinloos was er veel gevoelens in te investeren en er verwachtingen op te bouwen. Ook de kinderen tonen stilaan meer genegenheid voor hun ouders. Zij spreken ze niet meer aan met 'sir' of 'lady' en termen zoals 'pappa', 'mamma' en dergelijke komen in voege. Ook de afstand tussen de kinderen onderling wordt kleiner. Zij spreken elkaar met de voornaam aan in plaats van met het vroegere 'mijnheer mijn broer'. De deur van het huis gaat stilaan dicht: het gezin heeft minder contact met de buurt en de hele samenleving. Het gezin is ook kleiner geworden: het omvat vaak slechts twee generaties. Daar waar het in vroegere eeuwen een opeenvolging was van geboorte en dood, waar kinderen vaak op prille leeftijd hun moeder hadden verloren en waar zowat elkeen zich met de opvoeding bezighield, krijgen we nu een groep van meer bestendige personen die ook psychisch dichter bij elkaar staan. Heeft het kind een min, dan wordt deze in huis opgenomen. De norm ontstaat dat wie zijn geluk en plezier thuis niet vindt, het nergens vindt en dat er aan die persoon eigenlijk wat hapert. Het contact tussen het kind of de jongere met iemand van hogere leeftijd werd nu veel ongewoner. Ook wordt alle uiting van affectie binnen het gezin gekanaliseerd: men mag niet even veel van een oom of tante of van een andere volwassen persoon houden als van zijn ouders. Wie beweert zijn vriend boven het eigen gezin te verkiezen moet wel slecht zijn of een verrader. A fortiori keurt men het af wanneer het kind zich sterk tot een volwassene aangetrokken voelt die niet de vader of moeder is. De ouders beleven zoiets als een bewijs dat zij in hun liefde faalden. Voor zover dit mogelijk is zullen zij de schuld hiervan echter aan het kind (dat 'niet helemaal normaal' genoemd wordt) en vooral aan de verleidende volwassene geven.
Zou zo niet wat we nu 'pedofilie' noemen geworden zijn tot een aparte categorie van 'afwijkend' seksueel gedrag - en tot een nauwelijks redelijk bespreekbaar probleem?


JOS VAN USSEL. Geb. 1918. Studeerde kunstgeschiedenis, oudheidkunde en geschiedenis te Leuven. Was leraar en gedurende twaalf jaar wetenschappelijk medewerker van J. Kruithof in de afdeling moraalwetenschap aan de Rijksuniversiteit te Gent. Sinds 1971 was hij wetenschappelijk hoofdmedewerker van K. Trimbos in de afdeling preventie en sociale psychiatrie van de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Publiceerde over sexualiteit, huwelijk en gezin. In 1975 verscheen zijn onderzoek naar communes in Nederland: Intimiteit. Hij overleed in juli van dit jaar.

bron: De Gids, jaargang 139, nr. 7; 1976
Artikel tevens verschenen in iets ingekorte vorm in: 'Pedofilie en samenleving' door Nationaal Centrum voor Geestelijke Volksgezondheid; december 1976; 2de druk: februari 1977