Commentaar op het voornemen van het kabinet om het klachtvereiste in de zedenwet te doen vervallen

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: Vereniging Martijn

Vereniging MARTIJN, de in 1982 opgerichte vereniging voor ouderen-jongeren-relaties [1], tekent protest aan tegen het voornemen van het kabinet om het klachtvereiste uit de zedenwet te halen [2]. Op grond van wetenschappelijke gegevens en maatschappelijke en historische beschouwing stelt de vereniging dat de argumenten die worden aangevoerd om 'ontucht' onder de 16 strafbaar te stellen ondeugdelijk zijn. Het schrappen van het klachtvereiste wordt door het kabinet voorgesteld als een broodnodige, ethisch hoogstaande daad, maar is een immorele en heilloze knieval voor in een paniekklimaat ontstane [3] (internationale) maatschappelijke en politieke druk. Wij voorzien de achtergronden en argumenten voor strafbaarstelling hieronder van kritiek aan de hand van de 'Notitie Bestrijding van seksueel misbruik van en geweld tegen kinderen' van minister van justitie A.H. Korthals uit 1999 [4]. Wij verwijzen in ons commentaar mede naar uiterst relevante onderzoeken die ten tijde van of sinds de verschijning van de Nota werden gepubliceerd. Citaten uit Engelstalige bronnen zijn vertaald.

Vereniging MARTIJN hoopt dat haar commentaar niet zal worden afgedaan als een product van de 'pedofielenlobby', maar op inhoudelijke merites zal worden beoordeeld.

Uit de Nota:
'De aandacht voor seksueel misbruik van en geweld tegen kinderen is sedert de jaren tachtig toegenomen.'

Commentaar:
Deze plotselinge overweldigende aandacht, die midden jaren zeventig in de V.S. ontstond en mettertijd in Nederland werd geïmporteerd, draaide ... behalve om een bezorgdheid over de effecten van porno ... voor een groot deel om een geloof in de wijdverbreidheid van fenomenen als 'satanisch ritueel misbruik' en 'hervonden herinneringen' aan seksueel misbruik op vroege leeftijd. Deze fenomenen, die de in de maatschappij levende veronderstellingen omtrent de aard en uitwerking van seks met minderjarigen sterk hebben bepaald, hebben onder deskundigen en bijgevolg in de maatschappij grotendeels hun geldigheid verloren [5]. Nochtans zijn weinig burgers zich van deze ontwikkelingen bewust. De angst en ophef rond de vermeende intrinsieke schadelijkheid van (leeftijdsongelijke) seks met minderjarigen ... in welke context ook; van incestueuze verkrachtingen tot seksuele relaties die door jongeren zelf worden verdedigd ... zijn niet verminderd, maar eerder toegenomen [6].

Uit de Nota:
'Enkele geruchtmakende zaken in binnen- en buitenland heeft [sic] de afgelopen jaren deze aandacht verder vergroot.'

Commentaar:
Het zijn inderdaad excessen als de zaak Dutroux [7], van een hoog emotioneel gehalte, die de discussie hebben aangewakkerd en haar toonzetting hebben bepaald [8].

Uit de Nota:
'Het begrip seksueel misbruik van kinderen is een ruim begrip.'

Commentaar:
De Nota van de minister definieert 'kinderen' dan ook als personen onder de 18; het is de vraag of dit bijdraagt aan de helderheid van de discussie. (Generalisaties zijn in de discussie over leeftijdsongelijke seks niet zeldzaam.) De vooraanstaande 'American Psychological Association' verklaarde: 'Psychologische theorievorming en psychologisch onderzoek naar cognitieve, sociale en morele ontwikkeling ondersteunen in sterke mate de conclusie dat de meeste pubers in staat zijn om geïnformeerde beslissingen te nemen over belangrijke levenssituaties. [...] In feite ontwikkelen jongeren midden in de puberteit (14-15 jaar) vaardigheden die vergelijkbaar zijn met die van volwassenen inzake het redeneren over morele dilemma's, het begrijpen van sociale regels en wetten en het redeneren over interpersoonlijke relaties en interpersoonlijke problemen. [...] Tegen de tijd dat ze midden in de puberteit zitten, ontwikkelen de meeste jongeren een volwassen identiteit en zelfbegrip. [...] Zodoende hebben de meeste pubers rond hun veertiende jaar volwassen intellectuele en sociale vaardigheden ontwikkeld, waaronder specifieke vaardigheden die in de wet worden omschreven als vereist om [...] risico's en voordelen af te wegen en wettelijk bevoegde instemming ['consent'] te geven. [...] [Voorts] bezitten sommige jongeren van 11 tot 13 op deze gebieden volwassen vaardigheden' [9].
Het zou dan ook van meer precisie getuigen als de overheid tracht een onderscheid aan te brengen tussen kinderen en pubers. In plaats van dit te doen, laat de Nota weten: 'een potentiële dader heeft de neiging om kinderen volwassen eigenschappen toe te dichten waarmee de negatieve gevolgen voor de kinderen weggeredeneerd kunnen worden.' Dat er bij leeftijdsongelijke seks met pubers geenszins per definitie sprake is van 'negatieve gevolgen' (als men de cultuurgebonden verontwaardiging van derden niet meerekent), wordt verderop in dit commentaar aangetoond middels overvloedig empirisch materiaal.
Voorts is het hele begrip 'seksueel misbruik van kinderen' in de wetenschap onder vuur komen te liggen. Voor zover 'misbruik' het optreden van psychische schade suggereert, schiet deze term tekort aan voorspellende waarde, aangezien zij zo breed wordt toegepast dat zij handelingen omvat die veelal geen aantoonbare psychische schade opleveren (zoals vrijwillige seks tussen pubers en volwassenen) [10].
'Seksueel misbruik van kinderen', inzake van jeugdigen tussen 12 en 16, is ook in die zin een ruim begrip, dat bijvoorbeeld seks tussen een jongen in deze leeftijd en een oudere persoon van het vrouwelijk geslacht hier in theorie onder valt. De vereniging MARTIJN is bezorgd dat in de praktijk een absolute criminalisering van 'ontucht' met pubers in de leeftijd van 12 tot 16 zal leiden tot een selectief optreden tegen seks tussen jongens/meisjes en mannen. Seks tussen een homoseksuele jongen en een oudere vrouw wordt eerder beschouwd ... niet in de laatste plaats door de jongen zelf ... als een initiatie; iets om op te pochen dan als misbruik [11]. Daarentegen wordt het, in weerwil van wetenschappelijke bevindingen [12], niet voor mogelijk gehouden dat bijvoorbeeld seks tussen een homoseksuele jongen en een oudere persoon van hetzelfde geslacht positief wordt ervaren door beide betrokkenen. De heersende maatschappelijke vooroordelen zullen leiden tot willekeur bij de toepassing van de wet.
Uit de Nota zelf spreekt al de intentie tot een selectieve interpretatie van de wet: 'Voorop moet worden gesteld dat het klachtvereiste van toepassing is bij het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige tussen 12 en 16. Seksuele handelingen (tussen leeftijdgenoten) die niet als ontucht kunnen worden gekwalificeerd, vallen buiten de strafwet.' Wat 'ontucht' dan betekent ... vies volgens heersende fatsoensnormen? zondig? ... wordt niet vermeld [13]. De opmerking van de homoseksuele voorvechter Schorer, die bijna een eeuw geleden zijn stem verhief tegen de dreigende discriminatie van homoseksuelen middels artikel 248bis (zie daarover voetnoot 27), komt in herinnering: 'De Minister gaat derhalve hiervan uit dat hij in principe iedere sexueele handeling, met geslachtelijk volwassen minderjarigen begaan, zou willen bestraft zien. Hij vergeet ons echter te zeggen, waarom; op welken rechtsgrond dat zou steunen.' [14] Het opzettelijk gebruiken en niet definiëren van onduidelijke begrippen leidt tot rechtsonzekerheid.

Uit de Nota:
'Kinderen hebben conform de Conventie inzake de Rechten van het Kind recht op geestelijke en lichamelijke ontplooiing en op bescherming tegen misbruik.'

Commentaar:
De Nota biedt geen enkel initiatief tot bescherming of bevordering van de seksuele en relationele ontplooiing van pubers. Er zou volgens de Nota voldoende waarborg zijn voor de keuzevrijheid van jongeren tussen 12 en 16 als hun (ontuchtige) seksuele contacten strafbaar zijn en eenieder tot strafrechtelijke vervolging kan aanzetten. De jongere zou zelf gehoord moeten worden tijdens een strafrechtelijk onderzoek (hoorrecht). Dat de strafbaarstelling, het stigma dat in de samenleving aan de oudere betrokkene kleeft, en de negatieve, vooringenomen instelling van de maatschappij enig vertrouwen van jongeren in de weldadigheid van hun seksuele ervaringen drastisch ondermijnt, wordt niet overwogen.
De Nota zelf stelt 'nota' bene: 'Kinderen dient geleerd te worden om op te komen voor zichzelf, door te vertrouwen op eigen kracht en inventiviteit, en zelf keuzes te maken.' Nochtans verwaarloost de Nota het ontplooiingsaspect. In de beleidsvoornemens staat steeds de 'repressie' van als ongewenst beschouwde verschijnselen centraal [15], zelfs zonder dat wordt uitgelegd waarom deze verschijnselen ongewenst worden geacht. Er wordt zonder nuance en precisie gesproken in termen van 'misbruik', 'geweld' [16], 'plegers', 'daders' en 'slachtoffers' [17] en er wordt kennelijk verondersteld dat positieve leeftijdsongelijke relaties en seksuele contacten met personen onder de 16 jaar niet bestaan ... al kwam het klachtvereiste tot stand vanuit de wetenschap dat deze relaties er wel degelijk óók zijn en dat onkritische vervolging ervan inhumaan en schadelijk is [18]. De titel van het in de Nota vermelde programma 'Moord en Zeden' van de CRI is typerend voor de sfeer van de Nota zelf, waarin voortdurend wordt gesuggereerd dat seks met minderjarigen synoniem is aan geweld tegen minderjarigen.

Uit de Nota:
'Hoewel veel over seksueel misbruik reeds bekend is, blijven er ook nog veel vragen onbeantwoord over oorzaken en de omvang.'

Commentaar:
Wij leven in een paniekklimaat waarin het onderzoek naar seksuele ervaringen tussen meerder- en minderjarigen veelal klinisch of forensisch van aard is [19]. Het is moeilijk om onwettig gedrag op een andere wijze te onderzoeken [20]. Dat dit tot enkele decennia geleden ook zo was voor homoseksualiteit [21], wordt vooralsnog door beleidsmakers genegeerd.
Het remediëren van de paniekstemming zou onderzoek kunnen vergemakkelijken. De periode waarin in Nederland minder paniek rond 'pedofilie' heerste ... grofweg de jaren zeventig ... geeft dit aan. De Amerikaanse historicus Vern Bullough merkte op dat in Nederland, anders dan in de V.S., het onderwerp pedofilie betrokken placht te worden bij de beweging voor, seksuele hervorming. Hij schreef: 'dit heeft het onderzoek naar pedofilie zowel acceptabeler als enigszins eenvoudiger uitvoerbaar gemaakt dan in de Verenigde Staten. [22]'

Uit de Nota:
'Bij niet-commercieel seksueel misbruik is sprake van seksueel misbruik van kinderen zonder commercieel oogmerk. Kinderen worden slachtoffer doordat ze kwetsbaar en weerloos zijn. Voorbeelden zijn incest binnen een familie- of pleegrelatie of in een gastoudergezin, misbruik op school door leraren of medeleerlingen, misbruik binnen hulpverleningsinstellingen, in oorlogssituaties en vluchtelingenkampen, en misbruik bij vredesmissies.'

Commentaar:
In deze opsomming vindt men niet de eventueel seksuele relaties waar vereniging MARTIJN in haar reactie tegen het schrappen van het klachtvereiste een lans voor breekt: vrijwillige [23] relaties tussen volwassenen en pubers. Toch zou ook dit soort onvermeld gebleven relaties onvoorwaardelijk worden gecriminaliseerd door het vervallen van het klachtvereiste.
De tweede regel in het citaat is retorisch: jongeren tussen 12 en 16 worden voorgesteld als weerloze kleine kinderen die altijd bescherming behoeven (al dan niet tegen zichzelf) in het geval van seks, terwijl zij op andere gebieden wel over een hoge mate van verantwoordelijkheid heten te beschikken (zie het citaat van de 'American Psychological Association' hierboven) en het hen vrijstaat om van alles en nog wat te doen ... waarbij de grenzen veelal per geval worden bepaald. Men denke aan overleg tussen een puber en zijn/haar ouders over uitgaan, sport, hobby's, kleding, kerkgang.

Uit de Nota:
'Exacte cijfers over het aantal gevallen van seksueel misbruik in relationele context zijn er niet. Dit komt doordat in veel gevallen geen aangifte wordt gedaan en/of hulp en behandeling wordt gezocht.'

Commentaar:
De Nota, die het door het klachtvereiste althans in theorie enigszins beschermde soort leeftijdsongelijke relaties zonder discussie als 'misbruik' karakteriseert, rept niet van de mogelijkheid dat er geen aangifte wordt gedaan omdat daar bij de betrokkenen geen aanleiding toe bestaat ... precies het scenario waar het klachtvereiste op is gestoeld (al heeft het klachtvereiste in het paniekklimaat van de jaren negentig nauwelijks een kans gehad om te functioneren).

Uit de Nota:
'Misbruikte kinderen lopen een groot risico op schadelijke gevolgen voor de gezondheid en de fysieke en psychosociale ontwikkeling. [...] Fysieke gevolgen zijn ongewenste zwangerschappen, evenals lichamelijke verwondingen, seksueel overdraagbare aandoeningen zoals syfilis en gonorroe en beschadiging en misvorming van de voortplantingsorganen met als gevolg daarvan onvruchtbaarheid. Ook lopen de kinderen een groter risico dan volwassenen op besmetting met HIV, omdat geslachtsgemeenschap van een volwassene met een kind de kans op lichamelijke beschadiging van het kind en daardoor de besmetting met het virus vergroot.'

Commentaar:
Bij seksuele ervaringen tussen volwassenen en pubers ... het soort ervaringen dat bij een serieuze implementatie van het klachtvereiste wettelijk en maatschappelijk mogelijk zou zijn ... hangt de kans op schadelijke psychische gevolgen er onder meer af van af of de jongere wel of niet instemt. Van jongens die vrijwillige seks met een oudere persoon hebben gehad, kan geen psychische schade als directe oorzaak hiervan worden aangetoond. Van jongens die seks met een oudere persoon hebben gehad (zowel de vrijwillige als onvrijwillige ervaringen dus meegerekend), reageert 66% positief of neutraal; van meisjes 28% [24]. Het klachtvereiste zou correct moeten worden geïmplementeerd om te kunnen onderscheiden tussen vrijwillige en onvrijwillige ervaringen.
Zwangerschap gaat niet op in het geval van seks tussen jongens (tussen 12 en 16) onderling, tussen meisjes onderling, tussen meisjes en vrouwen en tussen jongens en mannen. De stelling dat 'kinderen' meer kans lopen op besmetting met HIV vanwege een groter risico op lichamelijke beschadiging, lijkt een bevooroordeelde speculatie. Ten eerste is het verschil tussen kinderen en geslachtsrijpe pubers cruciaal op het punt van geslachtsgemeenschap. De Nota dringt wederom een beeld op van pubers als weerloze kinderen, onontwikkeld van geest en lichaam. Voorts lijkt geslachtelijke penetratie allerminst typisch te zijn binnen seksuele relaties tussen tienerjongens en mannen [25]. Het meest recente en uitgebreide onderzoek geeft aan dat penetratie bij seks tussen jongeren en ouderen niet speciaal bijdraagt tot negatieve gevolgen voor de jongeren [26].
Het lijkt nogal mee te vallen met de frequentie van schade wegens ongeschikte penetratie. In ieder geval mogen speculaties hieromtrent geen vrijbrief zijn voor de vervolging van gevallen waarin geen sprake is van schadelijke penetratie en waarin geen sprake is van een klacht van een der betrokkenen. Uit de Nota spreekt cynische selectiviteit en slordigheid in de omgang met argumenten, om maar van het klachtvereiste af te komen. Troelstra stelde over het gebied van het strafrecht: 'Daar hebben wij te doen met personen, met daden, met opzet van bepaalde personen; daar kan het delict van de wil van het individu dat erin betrokken is niet worden losgemaakt en daar kan men niet opereren met algemene, wettelijke vermoedens, waar deze dikwijls zullen indruisen tegen de praktijk. [27]'

Uit de Nota:
'Zo kan bijvoorbeeld AIDS een oorzaak zijn van een seksuele voorkeur voor kinderen, vanwege de mythe dat seks met een heel jong meisje AIDS zou voorkomen of zelfs genezen.'

Commentaar:
Uit het antwoord van het kabinet op een vraag hierover van de vaste commissie voor Justitie blijkt dat deze mythe in zuidelijk Afrika voorkomt. De Nota geeft echter niet aan dat het hier om gelegenheidsplegers uit een andere cultuur gaat, maar insinueert eerder dat AIDS een belangrijke (want als enige genoemde) oorzaak is van de pedofiele geaardheid. De Nota negeert het bestaan van mannen en vrouwen die integere, niet door primitieve mythen of geestesziekten ingegeven liefdesrelaties onderhouden met pubers tussen de 12 en 16.

Uit de Nota:
'Veelal leidt de pleger een dubbelleven: hij is volwaardig lid van de maatschappij en is op een obsessieve en dwangmatige manier met seks bezig.'

Commentaar:
Het is niet vreemd dat men relatief veel obsessie met seks vindt ... om van frustratie en depressiviteit in bredere zin maar te zwijgen ... binnen een onderdrukte en gehate groep voor wie het hebben van liefdesrelaties en seks binnen die relaties onmogelijk wordt gemaakt.
Voorts gaat een dergelijke obsessie ironisch genoeg op voor de generaliserende Nota van de minister. De orthopedagoog Frans Gieles stelt: 'Iedereen heeft het alsmaar over de seks in jong-oud-verhoudingen, maar deze blijkt toch niet zo belangrijk als de jong-oud-verhoudingen zelf [op grond van het prestigieuze incestonderzoek van Nel Draijer zowel als literatuurstudies naar de gevolgen van seks tussen kinderen/pubers en oudere personen]. De kwaliteit hiervan heeft in elk geval wel invloed op het latere welbevinden. Dit wisten en weten we natuurlijk al lang, maar toch richten we de aandacht steeds maar weer op die seksuele component, de geest van onze tijd getrouw die het voornamelijk over seks heeft. [...] Misschien moeten we iets minder geobsedeerd zijn door seks en gewoon eens [...] de kwaliteit van de jong-oud-verhoudingen [...] doorslaggevend laten zijn, in plaats van het al dan niet aanwezig zijn van erotiek in die verhoudingen. Dus niet 'seks = fout, geen seks = goed', maar: diskwaliteit is slecht want schadelijk, kwaliteit is goed en heilzaam. [28]'
De psycholoog Thijs Maasen merkte op: 'Men spreekt ook niet meer over seksueel pleziér. Als men erover spreekt dan is het in termen van misbruik. [...] Ik laat zien hoe dwangmatig men relaties meteen seksuologisch benadert, terwijl er zoveel andere dingen spelen. Het alleen kijken naar dat seksuele aspect werkt zo beperkend; al het andere wordt vergeten. Bepaalde relaties worden door zo'n benadering meteen heel beladen. [29]'
Op een discussieforum van MARTIJN zei advocaat Job Knap: "Een open wettelijke normstelling welke niet is ingevuld met aan seksualiteit refererend jargon, laat de rechter de mogelijkheid om aan de feitelijkheid van het concrete geval af te lezen in hoeverre al of niet seksuele handelingen schadelijk of potentieel schadelijk zijn." [30]
In het licht van de bevinding dat de kwaliteit van een leeftijdsongelijke relatie telt en niet het al of niet aanwezig zijn van seks daarbinnen, is het volgende uiterst interessant. Een door Oxford University gesteunde Britse studie uit 1999, het grootste onderzoek naar jonge mannen ooit uitgevoerd, identificeerde een nieuw, positief mannelijk rolmodel: de 'Highly Involved Man' (de nauw betrokken man). Deze zou een sleutelrol spelen in de ontwikkeling van het gevoel van eigenwaarde en het succes van jongens. Het zou de kwaliteit van de verstandhouding met een dergelijke man zijn waardoor de zeer zelfverzekerde jongen zich van zijn leeftijdgenoten onderscheidt. De man hoeft niet met de jongen onder één dak te wonen en hoeft ook niet diens vader te zijn. Hij moet interesse hebben voor de jongen. Negen van de 10 Britse jongens met een nauw betrokken man in hun leven behoren tot de 25% die blijkens het onderzoek de beste resultaten in het leven boeken. De jongens die het laagst scoren, hebben veelal behoorlijk afstandelijke vaders die hen inprenten dat 'jongens niet huilen'. [31]

Uit de Nota:
'[V]oor een effectieve aanpak van een aantal maatschappelijke problemen die direct of indirect kinderen en jongeren raken, [is] de inbreng van jeugdigen essentieel.'

Commentaar:
Vereniging MARTIJN deelt deze visie. Zij dringt dan ook aan op een niet aflatende aandacht voor werkelijk seksueel misbruik, alsmede op ruimte en respect voor positief beleefde relaties met een seksuele component tussen pubers (m/v) en oudere personen (m/v). De psycholoog Theo Sandfort deed eind jaren zeventig/begin jaren tachtig onderzoek naar seksuele contacten binnen vriendschappelijke relaties tussen jongens en mannen. Hij tekende de getuigenissen op van vijfentwintig jongens tussen de 10 en 16 jaar, gemiddeld 13 jaar en 4 maanden oud. Deze waren overwegend erg positief. In ruim een derde van de gevallen wisten de ouders van de hoed en de rand en stonden zij achter de relatie. Sandfort schreef: 'Wat het 'waarheidsgehalte' van wat de jongens vertellen betreft, zullen de meningen uiteen lopen. [...] Het is [...] eenvoudig om wat de jongens verteld hebben in een klap van tafel te vegen door te zeggen dat het 'maar kinderpraat' is. Kinderen weten niet waar ze het over hebben, en ze praten alleen maar anderen na. Een enkele keer hoor je inderdaad doorklinken wat vermoedelijk de mening van een oudere partner is. Maar over het algemeen komt het verhaal van de jongens spontaan en doorleefd over. Het is konsistent en het lijkt er op dat ze geen dingen achterhouden. Er worden negatieve dingen over volwassenen verteld en ook worden soms twijfels genoemd. Mede onder invloed van Freuds psychoanalyse werd er vroeger weinig waarde aan gehecht wanneer kinderen vertelden dat ze seksueel misbruikt werden. [...] Nu lijken die verhalen serieuzer te worden genomen. En dat is maar goed ook, want de verwachting toch niet geloofd te worden, is voor het slachtoffer vaak reden om het verhaal maar voor zich te houden en de situatie van misbruik te laten voortbestaan. [...] Van de andere kant is het ook eenzijdig om alleen waarde te hechten aan wat kinderen vertellen, wanneer het om seksueel misbruik gaat, en om verhalen die niet zo goed passen bij heersende ideeën over kinderen en hun seksualiteit als kinderpraat af te doen.' [32]
Ter illustratie van positief beleefde relaties, geven wij een aantal gevallen uit de Nederlandse en Amerikaanse samenleving weer. Alle onderstaande gevallen zijn volgens de Nederlandse wet 'ontuchtig' en zwaar strafbaar. Naast een geval van een tienjarige jongen, een geval van een elfjarig meisje en een geval van een jongen wiens relatie met een man op zijn elfde begon, gaat het om jongens en meisjes die tussen de 12 en 16 jaar voor het eerst seks hadden met een volwassene.

1. Toen Ernst Hirsch Ballin minister van Justitie was (1989-1994), ontving hij een brief van een jongen. Deze nemen wij hier over: 'Hallo, ik heet Richard (14) en m'n vriend heet Patrick (37) en we kennen elkaar ± 2 jaar. Ik mag Patrick graag en hij mij. We houden van elkaar, we vertrouwen elkaar, en we zijn in de zomer samen op vakantie geweest. En we slapen dan ook gewoon samen en soms vrijen we samen omdat Patrick en ik het lekker vinden want het is trouwens ons eigen leven en niet van de minister. We hebben vaak seks met elkaar en dat is fijn voor ons maar als het uitkomt is het vervelend voor ons en vooral voor Patrick want hij moet een paar weken vastzitten als het niet meer is. En trouwens waarom, omdat Patrick 37 is en ik 14 en we willen het samen erg graag. En ik heb een paar vriendjes die ook een oudere vriend hebben en die denken er net zo over. En ik vind het gemeen, omdat Patrick moet zitten en ik niet. Waarom is het verboden? De minister moet gewoon de wet veranderen want ik kan zelf wel beslissen, daar heb ik niemand voor nodig. Ik heb gelezen dat de minister heeft gezegd als ik het wil (Richard bv.) dat het dan niet erg is, ook niet voor Patrick, als ik met Patrick seks wil en Patrick met mij en het komt uit dat er geen ouders en straffen worden bijgehaald. En dit alles moet zo in de wet verschijnen.' [33]

2. Een ingezonden brief: 'Ik ben een vrouw van 29 jaar en heb vanaf mijn veertiende jaar een anderhalf jaar durende seksuele relatie gehad met een man van 35. Inmiddels ben ik zelf moeder van twee kinderen van 10 en 7 jaar. Ik heb mijn relatie met Roel - de man in kwestie - als heel veilig en fijn ervaren. Vanaf het moment dat mijn ouders erachter kwamen hebben ze de relatie zoveel ze konden onmogelijk gemaakt, maar de politie hebben ze niet ingeschakeld. Ook de afloop was natuurlijk en dus niet traumatisch. Als ik nu terugdenk aan Roel krijg ik nog steeds een prettig gevoel van binnen. Nu, na een tijd, merk ik dat de uitzending [van Rondom Tien over pedofilie] bij mij een gevoel achtergelaten heeft van 'dit kan nooit goed zijn voor een kind'. Zonder mijn eigen ervaringen in het verleden en mijn vriendschappen van nu zou ik dat waarschijnlijk geloofd hebben.' [34]

3. Een homoseksuele man vertelde over zijn lichamelijke contact als tienjarige met een oudere vriend: "Hij stoeide en vrijde met mij. Meestal streelde en kuste hij mij, wat ik prettig vond. Soms trok hij mij af. Ook dat vond ik fijn. Maar ik had op die leeftijd nog geen behoefte om met zijn geslacht te spelen. Hij vroeg mij daar ook niet om. Hij bevredigde zichzelf en ving zijn zaadlozing in een zakdoek op. Ik heb daar nooit enige last van ondervonden". [35]

4. Een veertienjarige jongen uit de randstad had sinds enkele jaren een geregelde verhouding met een man van ongeveer 60, toen hij vertelde: "Ik vind het prachtig, ik vind het leuk, ook de eerste keer. Ik heb wel eens een meisje gehad maar dat is niet fijn. Met mijn oudere vriend doe ik het altijd graag. Mijn ouders weten dat niet, die horen het ook niet te weten. Het is een geheim tussen ons beiden. Volgens mij moet de wet veranderen. Dan zouden er minder aanrandingen zijn." [36]

5. Een jongen van 12 die sinds zijn elfde omging met een man van 24, vertelde: "Over het algemeen vind ik het heel gewoon. Je maakt als je zo'n verhouding hebt ook nog eens een uitstapje. Het sexuele vind ik ook heel prettig met mijn oudere vriend. Het begon met een kameraad in de straat waar ik woon. Hij was het die begon. Maar met een man vind ik het veel prettiger, omdat alles groter is. Belangrijk ook vind ik het gevoel van veiligheid en dat ik beschermd word. Ik zou het niet willen missen. Als mijn ouders het goed zouden opvatten, dan zou ik het wel prettig vinden als ze het wisten. [...] Ik doe het met de hand en met de mond. Op elfjarige leeftijd kwam ik voor het eerst klaar. Mijn vrienden hebben mij ingelicht hoe het moest. Ik ben door mijn ouders nooit voorgelicht. Als mijn vader het met mij zou doen dan zou ik dat niet zo erg vinden, met mijn moeder wel. Ik vind het niet juist dat deze dingen verboden zijn." [37]

6. Een vrouw van ongeveer 45 vertelde: "Al heel jong was ik erg bezig met sex en verbond in mijn gedachten hieraan altijd 'niet alleen zijn'. Op school probeerde ik altijd te stoeien met grotere jongens en spon 's avonds in bed deze stoeipartijtjes uit tot ware vrijpartijtjes waarbij ik vanaf mijn achtste jaar masturbeerde. In de vierde klas kregen wij een kwekeling waar ik stapelverliefd op werd en vanaf dat moment hadden jonge jongens iets lachwekkends voor me. Toen ik elf jaar was kwam er een kostganger in huis, deze was achter in de dertig en ik was vaak alleen met hem thuis. Ik heb net zo lang om hem heen gedraaid tot hij toegaf en mij 's avonds toen we weer alleen waren uitkleedde (ik was groot voor mijn leeftijd). We speelden lang met elkaar met daarbij een coïtus. Dit was voor mij zo fijn, dat ik vanaf dat moment bij veel contacten met mannen dacht aan sex en dat resulteerde in talrijke vluchtige sexcontacten. Ik ben op mijn negentiende jaar getrouwd, heb vier kinderen en heb in mijn huwelijk nog vaak sexueel contact gehad met andere (meestal oudere) mannen. Ik heb nergens spijt van en mijn oudste dochter heeft dezelfde aanleg. Weliswaar later beginnend, plusminus vijftien, heeft zij altijd véél oudere vrienden gehad en woont nu op haar drieëntwintigste jaar samen met een man van vijftig jaar." [38]

7. Een homoseksuele jongen van 12 in de V.S. had een seksuele relatie met zijn leraar van 22, die 9 maanden duurde. De jongen vertelde: "Het ontwikkelde zich geleidelijk en was fantastisch. We werden vrienden en ik nodigde hem eens uit bij mij thuis toen mijn ouders er niet waren. Ik moest hem bijna dwingen tot seks omdat hij bang was om zijn baan te verliezen. Het hield op toen ik in de zomer wegging en hij geen leraar meer was bij mij op school." [39]

8. Een homoseksuele jongen van 15 in de V.S. had een seksuele verhouding met een postbode van 27. "Af en aan, twee jaar lang. [...] Hij viel echt op roodharige jongens zoals ik. Hij was erg vrijmoedig, sloot aan op mij en vertelde me wat een lekker ding ik was. We spraken over ons leven. Het hield op toen hij plotseling overgeplaatst werd en het moeilijk werd om contact te houden. We bezochten elkaar en hadden seks, maar het was moeilijk en we kwamen samen overeen dat het vanwege de afstand beter was dat we vrienden zouden zijn in plaats van geliefden." [40]

9. Een Nederlandse jongen werd op zijn elfde intiem met een volwassen man. Op zijn veertiende verklaarde de jongen dat hij in de seks geborgenheid, veiligheid en liefde vond, dat hij meer van de man hield dan van zijn eigen ouders en dat hijzelf de man verleid had. "Als ik op een meisje verliefd word is het seksueel met Koos [de man] afgelopen. Gewone vriendschap blijf ik houden." [41]

10. De Amerikaanse jongen Denver maakte zich op dertienjarige leeftijd schuldig aan vandalisme jegens een basisschool; daarna liep hij weg van huis. Op zijn veertiende leerde hij een automonteur van voorin de 40 kennen. De twee maakten samen uitstapjes. Tijdens een dagje vissen kwam het gesprek op seks. Denver werd door de monteur gefelleerd en hij masturbeerde de monteur. De daaropvolgende 5 jaar felleerden ze elkaar 2 of 3 keer per week. De seks hield op toen Denver ongeveer 19 was, maar een hechte band bleef bestaan tot de dood van de monteur. Denver ontwikkelde zich als heteroseksueel, trouwde en kreeg twee zonen. Hij scheidde van zijn eerste vrouw en voedde zijn kinderen op. Een van de jongens ging naar een hogeschool, de andere naar een technische school. Denver hertrouwde. Hij was tientallen jaren monteur bij hetzelfde bedrijf en had daar de leiding over een aantal andere werknemers. Volgens hem had zijn relatie met de monteur uit zijn jeugd hem geholpen met het verwezenlijken van zijn doelen. Hij zei dat hij het zou goedkeuren als een van zijn zoons een soortgelijke relatie zou krijgen. [42]

11. In een rechtszaak tegen een volwassen vrouw die een seksuele verhouding met een dertienjarige jongen had, zei de Zutphense officier van justitie A. Poerink: "Het doet er niet toe wat voor gevoel een jongen van 13 jaar heeft. Het was de verantwoordelijkheid van mevrouw K., niet van de jongen." De jongen had gezegd: "Ik vind niet dat ze gestraft moet worden, want ik wilde het zelf ook." (De vrouw kreeg werkstraf; een man was ongetwijfeld zwaarder bestraft.) [43]

12. De Amerikaanse columnist Dan Savage schreef sarcastisch: 'Ik spreek als overlevende van seksueel misbruik op mijn veertiende met een vrouw van 22; seks op mijn vijftiende met een man van 30 [...]; ik ben door deze technisch illegale seksuele gebeurtenissen niet getraumatiseerd; ze vonden zelfs plaats op mijn eigen initiatief en ik koester mijn herinneringen eraan. Het is absurd dat wat ik op mijn vijftiende deed, wordt gezien als 'seksueel kindermisbruik' of door luie onderzoekers op één hoop wordt geschoven met de incestueuze verkrachting van een meisje van 5.' [44]

13. Een Amerikaan schreef: 'Ik ben een homoseksuele man van 25. Vanaf mijn twaalfde heb ik actief contact gezocht met homomannen, vooral voor de seks. Hoewel ik ook fantasieën had over mijn leeftijdgenoten, waren het altijd oudere homomannen die me dingen leerden - niet alleen over seks, maar ook over trots zijn op mezelf, over sociaal bewustzijn en bewogenheid - kortom, alle dingen die mijn conservatieve, diepreligieuze (en liefhebbende) ouders me niet konden leren. Deze mannen die ik gedurende mijn tienerjaren kende, waren in de leeftijd van 28 tot en met 58 en ik ben hen allen dankbaar voor het nemen van een risico met mij. Ik denk dat ik destijds niet besefte hoe ernstig het risico was; ik begin erachter te komen. Het beperkte zich niet tot een risico in wettelijk opzicht. Ze liepen het gevaar om vermeden te worden en 'uitschot' en 'kinderschender' te worden genoemd door andere homoseksuelen en lesbiennes. [...] Ben ik de enige homo die van een man van 50, die toevallig ook nog eens garant stond voor lekkere seks, een eigen identiteit heeft leren ontwikkelen?' [45]

14. In 1994 leerde in Seattle in de V.S. een leraar van 39 een leerlinge van 13 kennen. Op haar vijftiende gingen zij een seksuele relatie aan. In 1996 werd de leraar hiervoor tot gevangenisstraf veroordeeld. Tijdens zijn gevangenschap mocht hij geen enkel contact met haar hebben. Hij werd in 1999 vrijgelaten en de relatie werd voortgezet. Omdat de rechter hem het contact met haar had verboden, werd hij toen het contact uitkwam voor nog eens 5 maanden gevangengezet. Daarna mocht het contact worden hervat. De twee trouwden in februari 2001; het meisje was inmiddels 20. Ze verklaarde zich nooit door haar minnaar gemanipuleerd te hebben gevoeld. "Ik heb me nooit een slachtoffer gevoeld. Ik had nooit het gevoel dat Mark me inpalmde of [voor seks] klaarstoomde." [46]

15. Een dertienjarig meisje in de V.S. werd verliefd op haar leraar van midden 20. Ze betuigden elkaar hun liefde per e-mail en zoenden op school (de eerste zoen werd door het meisje gegeven). Op een keer hadden ze seks in het appartement van de leraar. De zus van het meisje kwam achter de relatie door e-mails te lezen en lichtte haar moeder in. Deze stapte naar de politie. Toen het meisje 15 was en de leraar 27, werd hij schuldig bevonden aan 'aggravated sexual assault' ... verzwaarde seksuele aanranding ... en veroordeeld tot 3 jaar in een behandelkliniek voor dwangmatige en herhalende zedenmisdadigers. Patiënten kunnen echter in de betreffende kliniek worden gehouden zolang ze een 'gevaar voor de bevolking' worden geacht. Het meisje bleef getuigen van haar liefde voor haar voormalige leraar en bleef proberen om contact met hem te leggen. Volgens haar moeder besefte ze niet dat het verkeerd was wat de man had gedaan. De moeder wilde een eeuwigdurend verbod op contact tussen de twee. In een brief aan de rechter schreef ze dat het gebeuren de familie had opgedeeld en bij iedereen intens lijden teweeg had gebracht. [47]

Uit de Nota:
'Gebleken is dat het klachtvereiste soms in de weg staat aan [sic] een effectieve opsporing van kinderprostitutie en sekstoerisme. Dat is de reden waarom reeds is voorgesteld om het laten vervallen [sic] voorzover het seks met een minderjarige prostituee van die leeftijd betreft.'

Commentaar:
Het is onrechtvaardig om seksuele handelingen in willekeurig welke context strafbaar te stellen, om zo het tegengaan van betaalde seks te vergemakkelijken.

Uit de Nota:
'Ook is vastgesteld dat het klachtvereiste mogelijk maakt dat strafrechtelijk wordt opgetreden naar aanleiding van een klacht van de wettelijk vertegenwoordiger, terwijl de minderjarige ten aanzien van wie het feit is gepleegd, geen vervolging wenst.'

Commentaar:
Gezien het overweldigende bewijs van het bestaan van vele vrijwillige, evident onschadelijke en zelfs heilzame seksuele relaties tussen volwassenen en pubers tussen de 12 en 16 jaar, is het allerminst verwonderlijk dat jeugdige 'slachtoffers van ontucht' vaak pertinent niet van strafrechtelijk ingrijpen gediend zijn. [48] Zulk ingrijpen kan zeer schadelijk zijn voor alle betrokkenen. In ons paniekklimaat, waarin 'pedofielen' de rol van zondebok vervullen, is het evenmin verwonderlijk dat wettelijke vertegenwoordigers nochtans een klacht indienen bij het ontdekken van dergelijke bonafide relaties.
Het Verwey-Jonker Instituut, dat onderzoek deed naar het klachtvereiste, constateerde dat de voor het onderzoek geraadpleegde jongeren en hun ouders het klachtvereiste een goede regeling vonden, als hun de strekking ervan was uitgelegd. Echter werd ook geconstateerd dat de informatieverstrekking over het klachtvereiste naar het publiek, maar ook naar politie en justitie, veel te wensen heeft overgelaten. De Nota van de minister vermeldt dat het in de praktijk, tegen de geest van het klachtvereiste in, alweer om gewone aangiften (van derden) draait.
De overheid zou zich dientengevolge sterk moeten maken voor een klimaat waarin discrepanties tussen de wens van de jongere en de wens van overige klachtgerechtigden worden teruggedrongen. Voorts zou de overheid maatregelen moeten nemen tegen de in de Nota beschreven 'deformalisering' (lees: omzeiling) van het klachtvereiste, die inhoudt dat er in de praktijk weer een gewoon aangiftebeleid wordt gevoerd.
De Nota wil echter niets weten van een genuanceerd, bij de maatschappelijke werkelijkheid aansluitend beleid. Er wordt onlogisch betoogd dat het geheel criminaliseren van 'ontucht' met jongeren van 12 tot 16 - dat wil zeggen het schrappen van het klachtvereiste - zou verzekeren 'dat strafrechtelijk optreden volgt, waar dit geboden is, en strafrechtelijk optreden achterwege blijft, indien de belangen van het kind daartoe nopen.' Jeugdigen 'krijgen' nog het recht om in lopende strafzaken 'hun zienswijze over de gebeurtenissen uiteen te zetten'. Dat hoorrecht is allang vastgelegd in artikel 165a Strafvordering. Het openbaar ministerie of de rechtbank is niet verplicht om zich iets van de zienswijze van de jeugdige aan te trekken. Bovendien lijkt de Nota, na te hebben gehamerd op de kinderlijkheid en hulpeloosheid van pubers tussen de 12 en 16 jaar, hier ineens wel zeer zelfverzekerd over hun capaciteiten: ze kunnen het middels een hoorrecht zeker wel even opnemen tegen politie, justitie, de media en bevooroordeelde, niet door de overheid ingelichte burgers. Het idee van een hoorrecht als enige zeef ter onderscheiding van relaties waarbij strafrechtelijk ingrijpen gewenst is en relaties waarbij dit ongewenst is, vermoordt het principe van het strafrecht als ultiem middel en heeft veel weg van een wildwestfilosofie. Niet 'eerst schieten en dan praten', maar 'eerst arresteren en dan praten'. Het slachtoffer is dan al gemaakt - zoniet door de oudere betrokkene in de relatie, dan toch in ieder geval door de overheid.
Een belangrijk probleem bij de voorgestelde wetswijziging is voorts dat de beoogde wet een heel verkeerd signaal uitzendt, namelijk dat het er niet toe doet of men voor seks met een jongere de instemming van die jongere heeft. Dat het criminaliseren van seksuele contacten met jongeren hun veiligheid niet bevordert, kan door een hypothese aanschouwelijk worden gemaakt. Stel dat er na enkele geruchtmakende serieverkrachtingen van jonge vrouwen een wet wordt aangenomen die seksueel verkeer met vrouwen onder de 21 verbiedt. Het ligt voor de hand dat dit verbod niet alleen massaal zal worden overtreden door de wat brutalere personen, maar ook veel frustratie zal doen ontstaan bij de wat angstigere. Het aantal echte verkrachtingen zal daardoor stijgen, niet dalen.
De summiere aantekeningen in de Nota over het klachtvereiste zijn ingebed in toonzettende aantekeningen over uiteenlopende onderwerpen als seksueel geweld, porno, prostitutie, vrouwenbesnijdenis en seksueel misbruik van kindsoldaten. [49] Een dergelijke benadering van deze uiteenlopende kwesties is te allen tijde laakbaar, maar is al helemaal verfoeilijk in tijden van grote onrust, angst, woede en onwetendheid onder de bevolking. [50]
De vereniging MARTIJN merkt op dat de overheid maling lijkt te hebben aan een kritische bejegening van leeftijdsongelijke seks met jongeren tussen 12 en 16, waarbij niet categorisch wordt vastgehouden aan het ongefundeerde idee van onvermijdelijke schade als gevolg van (leeftijdsongelijke) seksuele interactie. De Nota belijdt de rechten van het kind zoals geformuleerd door de Verenigde Naties - een van die rechten is het 'recht op geestelijke en lichamelijke ontplooiing'. Er blijkt echter niets van enig respect voor de rechten van jongeren tussen 12 en 16 op leeftijdsongelijke seksuele relaties. Om het nog maar niet te hebben over de rechten van de oudere partners - zij voelen zich in deze tijden min of meer vogelvrij. Omdat de wet met hun mensenrechten geen rekening houdt, vragen velen van hen zich af waarom zij rekening zouden moeten houden met de wet.
De vereniging tekent aan dat de burgers wier belangen zij tracht te behartigen - zowel jongeren als ouderen - oplopen tegen een muur van rechtsongelijkheid, manipulatie, doemdenkerig dogmatisme en inhumane onverschilligheid. Wij vrezen dat het aanscherpen van de zedenwet op de door de regering beoogde wijze zal bijdragen tot een escalatie van deze misstanden.

Bestuur Vereniging MARTIJN, november 2001

Noten
[1] Het doel van de vereniging is: 'het bespreekbaar maken van en het streven naar wettelijke en maatschappelijke acceptatie van ouderen-jongeren-relaties'. Hiermee worden bedoeld liefdesrelaties waar minderjarigen in betrokken zijn en waarin seks eventueel een plaats heeft, zoals die nu goeddeels wettelijk verboden zijn en maatschappelijk niet worden geaccepteerd.
[2] Het klachtvereiste bepaalt dat seksueel contact met personen tussen de 12 en 16 alleen vervolgd mag worden na een klacht van de jongere zelf, zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger, of de raad voor de kinderbescherming. Zie Wetboek van Strafrecht artikel 245 lid 2-4, alsmede artikel 247 lid 2 & 3 en artikel 248a lid 2.
[3] De Amerikaanse historicus Philip Jenkins gebruikt in zijn boek 'Moral Panic: Changing Concepts of the Child Molester in Modern America' (New Haven en Londen, Yale University Press, 1998) de sociologische term 'morele paniek' om de maatschappelijke houding tegenover onwettige relaties en contacten met jeugdigen te omschrijven. Jenkins richt zich op de Amerikaanse samenleving. Er zijn op dit gebied echter veel parallellen met Nederland, al is de Amerikaanse houding radicaler. Ook is er sprake van een aanhoudende invloed van de V.S. op het beleid en het gedachtegoed op dit terrein in andere landen, waaronder Nederland.
[4] Hier te verkrijgen: www.minjust.nl/c_actual/rapport/notitsek.htm
[5] Achtergronden hierover zijn bijvoorbeeld te vinden op www.ipt-forensics.com, de site van het Amerikaanse 'Institute for Psychological Therapies', dat zich structureel in deze kwesties verdiept.
[6] Jenkins (zie voetnoot 3) schrijft: 'zelfs in 1993-94, toen de beweging rond hervonden herinneringen afkeuring ten deel viel, bestond de reactie niet uit het laten varen van [de ideeën over] het misbruikgevaar, maar uit het verschuiven van de aandacht naar het [vermeende] gevaar van vreemdelingen' (blz. 233).
[7] Seksuoloog Frits Wafelbakker schreef in de jongerenkrant 'Primeur': 'Pedofielen zijn er niet op uit om kinderen te vermoorden. De zaak Dutroux heeft met pedofilie niets van doen. Twee van zijn slachtoffers waren trouwens zeventien en negentien jaar' (27 september 1996).
[8] In het commentaar dat de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) op de Nota leverde, wordt opgemerkt: 'Waar de Nota "de publieke verontwaardiging over enkele geruchtmakende zaken" als draagvlak noemt voor overheidsbeleid, wil de NVSH uitdrukkelijk waarschuwen tegen wat gemakkelijk kan worden uitgelegd als populistische incidentenpolitiek.' Het NVSH-commentaar is hier verkrijgbaar: www.humanbeing.demon.nl/nvshnota/ .
[9] Uit een amicus-curiae-akte voor het Amerikaanse Hooggerechtshof, oktober 1989.
[10] Zie Bruce Rind c.s., 'A Meta-analytic Examination of Assumed Properties of Child Sexual Abuse Using College Samples', in 'Psychological Bulletin', jaargang 124, nr. 1, 1998. Dit 'peer-reviewed' onderzoek, een statistische analyse van tientallen bestaande onderzoeken, werd na rechtsreligieuze druk veroordeeld door de Amerikaanse overheid, maar werd wetenschappelijk correct geacht door de 'American Association for the Advancement of Science', de grootste wetenschapsorganisatie in de V.S.. De auteurs van het onderzoek hebben hun kritiek op de slordige omgang in de wetenschap met de term 'seksueel misbruik van kinderen' uitgebreid toegelicht in hun artikel 'Condemnation of a Scientific Article: A Chronology and Refutation of the Attacks and A Discussion of Threats to the Integrity of Science', in 'Sexuality & Culture', jaargang 4, nr. 2, lente 2000.
[11] En terecht. 'Niet-klinische onderzoeken die gegevens leveren over seks tussen vrouwen en jongens [...] hebben over het algemeen geconstateerd dat jongens overwegend positief reageren op deze contacten, vooral als ze ten tijde van de contacten in de puberleeftijd zijn.' Uit 'Gay and Bisexual Adolescent Boys' Sexual Experiences With Men: An Empirical Examination of Psychological Correlates in a Nonclinical Sample' door Bruce Rind, in 'Archives of Sexual Behavior', jaargang 30, nr. 4, 2001.
[12] Uit recent onderzoek blijkt 'dat puberjongens over het algemeen neutraal of positief reageren op leeftijdsongelijk seksueel verkeer dat met instemming [van de jongens] wordt aangegaan en waarin volwassenen betrokken zijn van het geslacht dat overeenkomt met de seksuele oriëntatie van de puber.' Zie voetnoot 11 voor de bron van dit citaat.
[13] In 'Recht rond zedendelicten: Handboek voor de (juridische) hulpverlening' definiëren M. Moerings en B. Swier ontucht als 'het plegen van seksuele handelingen in strijd met de sociaal-ethische norm' (blz. 29/30). Waar echter onschadelijke of zelfs heilzame handelingen in dit paniekklimaat door het volk worden gezien als extreem schadelijk misbruik, is sprake van een misleide ethiek.
[14] Jhr. Mr. J.A. Schorer, 'Tweeërlei maat: Kritische beschouwingen naar aanleiding van het nieuw voorgestelde artikel 248bis Wetboek van Strafrecht in het den 16 sept. 1910 gewijzigde wetsontwerp tot bestrijding van zedeloosheid', Den Haag, Gebr. Belinfante, 1911.
[15] In het commentaar van de NVSH (zie voetnoot 8) wordt hetzelfde opgemerkt: 'Met de beleidsvoornemens in de kabinetsnota is de balans tussen bescherming en ruimte voor zelfbeschikking zoek. Of er nu preventie, curatie, bescherming of repressie boven staat, de tekst van de Nota refereert eigenlijk alleen aan middelen als controle, ingrijpen, bestraffen en behandelen. Criminaliseren lijkt het parool, terwijl we er in ons land juist zo trots op zijn dat we dat zoveel mogelijk opzij zetten, bijvoorbeeld in ons drugs- en euthanasiebeleid.' En: 'Tekenend voor de negatieve en angstbeladen sfeer die een repressief beleid met absolute verboden oproept, is de recente beslissing van De Kringen, een organisatie die zogeheten huiskamerbijeenkomsten voor homoseksuelen organiseert. De Kringen laat in de gespreksgroepen voor jongeren geen personen onder de zestien jaar meer toe. Men is bang beschuldigd te kunnen worden van het aanzetten tot "ontucht" met minderjarigen. Daarmee lijken donkere tijden terug te keren, waarin het COC geen jongeren onder de 21 toeliet, uit angst voor overtreding van artikel 248bis [zie hierover voetnoot 27]. Een overheid die seksuele ontplooiing van jongeren een warm hart toedraagt, zou ernstig moeten schrikken van dergelijke geluiden.'
[16] In 'Sociopolitical Biases in the Contemporary Scientific Literature on Sexual Behavior With Children and Adolescents' schrijft Paul Okami: 'in vrijwel al het onderzoek [...] vindt men dat geweld of gewelddadige dwang weinig vóórkomt in gevallen van seksueel gedrag van volwassen mensen met kinderen en pubers. Vanuit empirisch oogpunt is het bijgevolg ongerijmd om zulke interacties te classificeren als gewelddadige misdrijven, om ze als zodanig te bestuderen en om de discussie erover te doorspekken met termen en beelden die bij het bestuderen van geweld op hun plaats zijn' (blz. 93). Het artikel staat in 'Pedophilia: Biosocial Dimensions', samengesteld door Jay R. Feierman, New York, Springer Verlag, 1990. Zie ook: 'Is Paedophilia Violent?' door Tom O'Carroll (Niet langer op internet verkrijgbaar).
[17] Uit onderzoek blijkt dat negatieve terminologie lezers beïnvloedt en ook hun verwerking van niet-negatieve informatie beïnvloedt. Zie Rind c.s., 'Biased Terminology Effects and Biased Information Processing in Research on Adult-Nonadult Sexual Interactions: An Empirical Investigation', in 'Journal of Sex Research', jaargang 30, nr. 3, 1993. Men overwege ook de opmerking van psycholoog Lex van Naerssen: 'De wet spreekt over de seksualiteit als handeling, totaal losgekoppeld van een relatie. Een omschrijving van alleen de handelingen tussen twee mensen, zonder hun verlangens en motieven, is niet relevant. Hierdoor krijg je processen-verbaal die verdacht veel lijken op pornografie.' (Gezegd op een mede door vereniging MARTIJN georganiseerde forumdiscussie, waarvan een verslag in 'OK' - uitgave van de vereniging MARTIJN - nr. 15, september/oktober 1988).
[18] Zie bijvoorbeeld Theo Sandfort, 'Jongens over vriendschap en seks met mannen', Amsterdam, SUA, 1986, waarin een beschouwing over de Nederlandse wetgeving.
[19] Dit wil zeggen dat verreweg het meeste onderzoek wordt verricht onder jeugdigen of ouderen die in kaart zijn gebracht doordat ze in behandeling zijn (geweest) en/of met het strafrecht in aanvaring zijn gekomen. Een terugkerende fout in vele onderzoeken naar leeftijdsongelijke seks met jongeren is het generaliseren van dergelijke onrepresentatieve populaties. Zie voor een uitgebreide (statistische) analyse van aldus gekenmerkt onderzoek en een bespreking van deze fout de beide bronnen in voetnoot 10.
[20] Getuigenissen van in leeftijdsongelijke relaties betrokken minder- en meerderjarigen in het archief van de stichting van de jurist Edward Brongersma (1911-1998) worden nu door justitie beheerd en nageplozen op strafbare feiten. Een onderzoeker als Theo Sandfort, die over positieve seksuele relaties tussen jongens en mannen berichtte, werd onder meer aangevallen met het argument dat hij onwettige gedragingen niet had aangegeven bij de politie. Zie hierover: Robert Bauserman, 'Objectivity and Ideology: Criticism of Theo Sandfort's Research on Man-Boy Sexual Relations', in 'Journal of Homosexuality', jaargang 20, nr. 1/2, 1990.
[21] Zie voor een bespreking bijvoorbeeld: Harris Mirkin, 'The Pattern of Sexual Politics: Feminism, Homosexuality and Pedophilia', in 'The Journal of Homosexuality' jaargang 37, nr. 2, 1999. Mirkin schrijft: 'Het onderzoek naar homoseksuelen beperkte zich [tot voor enkele decennia] tot mensen die psychische hulpverlening kregen of die in de gevangenis zaten en (uiteraard) werd er veel kommer en kwel gevonden. [...]
[Het onderzoek naar seks tussen meerder- en minderjarigen] is een herhaling van het in diskrediet gebrachte proces van gegevensverzameling dat in de jaren vijftig werd gebruikt om te bewijzen dat homoseksuelen een gestoorde persoonlijkheid hadden. Het spreekt voor zich dat als men mensen met problemen onderzoekt, bevonden wordt dat ze problemen hebben, terwijl het onwaarschijnlijk is dat mensen die geen negatieve gevolgen ondervinden in dit soort onderzoek worden betrokken. Bovendien worden de schadelijke gevolgen van de houdingen in de maatschappij tegenover intergenerationele seks en de schadelijke gevolgen die uit de handelingen zelf voortvloeien door elkaar gehaald.' Mirkin beschrijft ook parallellen in de houding van de media en beleidsmakers tegenover homoseksualiteit toentertijd en pedofilie/de seksualiteit van minderjarigen tegenwoordig.
[22] Uit 'History of Adult Human Sexual Behavior With Children and Adolescents in Western Societies', in: Jay R. Feierman (samensteller), 'Pedophilia: Biosocial Dimensions', New York, Springer Verlag, 1990.
[23] Er wordt vaak beweerd dat er geen sprake kan zijn van vrijwilligheid in seks tussen volwassenen en minderjarigen, ook als het pubers betreft. Onderzoek wijst echter uit dat de af- of aanwezigheid van instemming van belang is voor de voorspelling of een seksuele ervaring op jeugdige leeftijd met een oudere persoon door de jongere als negatief, neutraal of positief gezien wordt. Aangezien de factor 'instemming' de kans op een positieve inschatting door de jongere van zo'n ervaring aanzienlijk vergroot, en aangezien men op niet-seksuele gebieden de mogelijkheid van instemming van kinderen en zeker pubers wèl pleegt te erkennen, meent MARTIJN dat het verantwoord is om van de mogelijkheid van vrijwillige leeftijdsongelijke seksuele ervaringen van jongeren uit te gaan. 'Recente overzichten van de niet-klinische literatuur geven aan dat het incestmodel [de basis voor het huidige denken over leeftijdsongelijke seks met minderjarigen], tezamen met veronderstellingen over intimidatie, geweld en ziekteverwekkendheid, niet opgaat voor jongens in de algemene bevolking die vrijwillig seksuele relaties met volwassenen aangaan [...]. Bij het analyseren van de niet-klinische literatuur over seks tussen jongens en volwassenen constateerden Bauserman en Rind [...] een verband tussen gewenste relaties en neutrale of positieve reacties. In hun meta-analyse van steekproeven onder studenten bevonden Rind c.s. [...] dat seks tussen jongens en volwassenen niet gerelateerd was aan symptomen wanneer de jongens hadden ingestemd met de contacten' (zie de bron in voetnoot 11). Het onderzoek 'Het belang van de ervaring: Over seksuele contacten in de vroege jeugdjaren en seksueel gedrag en beleven op latere leeftijd' door Theo Sandfort (Interfacultaire Werkgroep Homostudies, Rijksuniversiteit Utrecht, 1988) wees reeds uit dat het voor de seksuele ontwikkeling verschil maakt of jongeren gewenste of ongewenste seksuele contacten met volwassenen hebben. Gewenste contacten bleken een positief effect te kunnen hebben op het psychologisch en seksueel functioneren op latere leeftijd. Zie ook de beide bronnen in voetnoot 10. Voorts neme men de opmerking van de Amerikaanse activist Bill Andriette in overweging: 'Als kinderen geen vrijwillige toestemming kunnen geven voor enige activiteit die zij met volwassenen ondernemen (omdat volwassenen sterker zijn en meer ervaring hebben), is er geen verschil tussen vrijwilligheid en dwang in het geval van enige omgang van kinderen met volwassenen. Het zou betekenen dat elk uitstapje met een kind gelijkstaat aan ontvoering, dat elk gesprek neerkomt op een gesnauwd bevel en dat elke omhelzing afgedwongen is.'
[24] Zie de eerste bron in voetnoot 10. Deze cijfers hebben primair betrekking op de V.S.. Ze schetsen dus de situatie in een samenleving waarin seks met jeugdigen streng verboden is en hevig verafschuwd wordt.
[25] In de inleiding van de uitgever tot Theo Sandforts boek 'Boys On Their Contacts With Men: A Study of Sexually Expressed Friendships' (Elmhurst, New York, Global Academic Publishers, 1987) leze men: 'Het is een merkwaardig feit dat [...] ondanks het tragische aantal volwassen slachtoffers van AIDS, kinderen en jonge pubers er grotendeels gevrijwaard van lijken te zijn, behalve via transfusies van besmet bloed, gezamenlijk gebruik van injectienaalden of geboorte uit een besmette moeder. Een klein aantal mannelijke tienerprostitués in het westen heeft de ziekte opgelopen, en verleden jaar [1986] was er één krantenbericht in Engeland over een jongen die naar verluid herhaaldelijk was verkracht door een geïnfecteerde stiefvader en de ziekte had opgelopen. Hier is een aantal verklaringen voor geleverd: het kan zijn dat niet veel jongens in deze leeftijdsgroep seks hebben met geïnfecteerde personen; of veel jongens zijn wel degelijk geïnfecteerd, maar dit is nog niet gebleken vanwege de lange incubatieperiode van de ziekte en het natuurlijke herstellingsvermogen van de jeugd. Geen van beide verklaringen is erg overtuigend: uit elk Noord-Amerikaans en Europees onderzoek blijkt dat een hoog percentage van jongens tussen 11 en 16 seksueel zeer actief is. En gezien de wijdverbreidheid van de ziekte en het feit dat symptomen vrij vlug op infectie kunnen volgen, zou men verwachten dat van een statistisch significant aantal jongens in deze leeftijdsgroep duidelijk gebleken zou zijn dat ze AIDS hebben ontwikkeld door seks te hebben gehad met iemand van het mannelijk geslacht. Dit is echter niet gebleken. Misschien biedt het onderzoek van Sandfort een betere verklaring. We weten wèl dat het virus zich het best verspreidt via anale geslachtsgemeenschap. Bloed en sperma (en mogelijk anaal slijm) zijn de meest effectieve dragers. [...] Als we kijken naar de seksuele handelingen waar de 25 door Sandfort geïnterviewde jongens aan deelnamen, zien we dat wederzijdse masturbatie het meest vóórkwam [...], daarna fellatio van de man bij de jongen, daarna fellatio van de jongen bij de man (maar in geen geval kreeg de jongen sperma van de man in zijn mond); anale geslachtsgemeenschap kwam zeer zelden voor en als het voorkwam, was het vaak experimenteel van aard. Sandfort waarschuwt zijn lezers tegen vergaande generalisaties op basis van zijn onderzoek, maar als de meeste pedoseksuele contacten gekarakteriseerd worden door dit soort 'beperkt' seksueel gedrag (en ander onafhankelijk onderzoek geeft aan dat dit het geval is), is het goed mogelijk dat het uitblijven van gevallen van via seks opgelopen AIDS onder erg jonge personen betekent dat de kans klein is dat een jongen de ziekte oploopt via het soort seksuele handelingen dat hij typisch met mannen zal verrichten.'
[26] Zie de eerste bron in voetnoot 10.
[27] Zie Maurice van Lieshout, 'Een groeiend zedelijk kwaad: Documenten over de criminalisering en emancipatie van homoseksuelen 1910-1916', Amsterdam, Het Spinhuis, 1992 (blz. 102). In deze documenten leest men hoe minister van justitie Regout in 1911, ondanks aanzienlijke kamerkritiek, de invoering bewerkstelligde van artikel 248bis, hetgeen homoseksuelen discrimineerde tot 1971, toen het mede door de inspanning van de jurist en jongensminnaar Edward Brongersma - nu verguisd als 'pedofiel' - kwam te vervallen. Voor een appreciatie van Brongersma leze men overigens bijvoorbeeld het interview dat hem in 1978 door Bibeb werd afgenomen, in: 'Bibeb met… (interviews)', Amsterdam, Van Gennep, 1980.
[28] In 'Heilige verontwaardiging. Over het boek van Han Israëls', bespreking voor 'OK' nr. 80, 2001 (verschijning gepland rond eind 2001).
[29] Uit een interview in 'OK' nr. 16, december 1988.
[30] Een verslag van het forum vindt men in 'OK' nr. 9, oktober 1987.
[31] Uit 'Hugs and Wails and Highly Involved Males…', een bericht in de Britse krant 'The Guardian', 17 maart 1999. Het onderzoeksrapport heet 'Tomorrow's Men', door Katz, Buchanan en Brinke.
[32] Zie voor de bron voetnoot 18.
[33] Een reproductie van de brief staat in 'OK' nr. 30, maart/april 1991.
[34] Deze brief verscheen in 'OK' nr. 36, maart/april 1992. De schrijfster vertelt dat ze over haar relatie met Roel had willen praten in de uitzending van Rondom Tien over pedofilie, maar dat men haar afscheepte.
[35] Uit 'Pedofilie; een controversiële kwestie. Analyse van een maatschappelijk vraagstuk' door Frank van Ree, Lisse, Swets & Zeitlinger, 2001 (blz. 87).
[36] Uit 'Pedofilie', Frits Bernard, Bussum, Aquarius, 1975. Over de beschreven gevallen merkte de auteur op: 'Uit een psychologisch onderzoek [...] kon geen psychische schade worden vastgesteld' (blz. 27).
[37] Zie voetnoot 36.
[38] Zie voetnoot 36.
[39] Zie de bron in voetnoot 11. Voor het onderzoek werd een niet-klinische, merendeels uit studenten bestaande steekproef genomen van Amerikaanse homo- en biseksuele mannen. Van de 129 mannen in de steekproef werd er van 26 vastgesteld dat ze als pubers tussen de 12 en 17 jaar leeftijdsongelijke seks hadden gehad met volwassen mannen. In de opzichten van gevoel van eigenwaarde en het hebben verkregen van een positieve seksuele identiteit, waren de mannen met deze ervaringen net zo goed aangepast als de mannen zonder dergelijke ervaringen. De reacties op de seksuele verhoudingen waren overwegend positief en de meeste waren vrijwillig aangegaan. Jongere pubers gingen ze met evenveel bereidheid aan en reageerden tenminste even positief als oudere pubers. Gegevens over de ontwikkeling van de seksuele identiteit wezen erop dat de ervaringen geen rol hadden gespeeld bij het ontstaan van een seksuele voorkeur voor hetzelfde geslacht.
[40] Zie voetnoot 39.
[41] Uit een opgenomen interview; de geluidsbanden bevinden zich in het archief van de Brongersma-stichting (nr.28 en 135). (Zie echter voetnoot 20 over het lot van de Brongersma-stichting.) Het geval van deze jongen is ook opgetekend in Brongersma's 'Jongensliefde: Seks en erotiek tussen jongens en mannen. Deel 2: Schaduwzijden, bevrijding, erotiek', Amsterdam, SUA, 1993 (blz. 178/179).
[42] Uit 'An Examination of Assumed Properties of Child Sexual Abuse Based on Nonclinical Samples', een paper door Rind c.s. voor een studiedag in de Pauluskerk in Rotterdam, 18 december 1998. De paper is hier te vinden: www.humanbeing.demon.nl/ipceweb/Library/Examinatio.htm .
[43] Uit het 'Deventer Dagblad', 14 juni 2001. Het geval typeert de justitiële minachting voor de mening van de jongere in het geval van positief beleefde leeftijdsongelijke relaties.
[44] Uit zijn in meerdere publicaties opgenomen column 'Savage Love' van 29 juli 2001; aangehaald in Rind c.s., 'Condemnation of a Scientific Article: A Chronology and Refutation of the Attacks and a Discussion of Threats to the Integrity of Science', in 'Sexuality & Culture', jaargang 4, nr. 2, lente 2000.
[45] Uit 'CSW vs. NAMBLA: The Rage of Consent' door Scott O'Hara, in 'Gay Community News' (Boston, Massachusetts), 20 juli 1986.
[46] Uit een bericht van 'The Associated Press', 5 februari 2001.
[47] Uit 'Teenager's Crush Ends With Teacher's Career In Ruins', door Leslie Koren, 'The Record', New Jersey, 5 mei 2001.
[48] In het commentaar van de NVSH (zie voetnoot 8) staat: 'Het rapport Het functioneren van het klachtvereiste in de zedelijkheidswetgeving van het Verwey-Jonker Instituut, geschreven onder leiding van prof. dr. J. de Savornin Lohman (Utrecht 1998 [...]), laat zien dat jongeren zich niet láten beschermen als ze dat niet willen. Juridische repressie tegen contacten waar zij zelf voor kiezen, leggen ze naast zich neer [...]. Het kan en mag volgens de NVSH niet de bedoeling zijn dat onder het mom van bescherming juridische maatregelen worden genomen, die door alle betrokkenen als een schadelijke inperking van hun zelfbeschikking worden ervaren.'
[49] Vergelijk het commentaar van de NVSH (zie voetnoot 8): 'In de Nota wordt het er niet duidelijker op als [de minister] schrijft dat "alle verschijningsvormen" van seksueel misbruik van elkaar kunnen worden "onderscheiden maar niet gescheiden" (1.1). Zo schuift de Nota al op de eerste bladzijde uiteenlopende zaken als incest, seksuele intimidatie en commerciële exploitatie op één onoverzichtelijke hoop.' En: 'Seksueel misbruik, kinderpornografie, seksueel geweld, seksuele intimidatie, seksuele exploitatie, sekstoerisme, kinderprostitutie, commercieel seksueel misbruik en diverse andere relevante begrippen worden nergens eenduidig gedefinieerd.'
[50] Het actualiteitenprogramma 'Netwerk' bracht op 31 oktober 2001 een rapportage over de onmenselijke toestanden in de zwarte ghetto's van de door geweld geteisterde Zuid-Afrikaanse stad Johannesburg, de 'murder capital of the world'. Onder meer werd aandacht besteed aan seksuele kindermishandeling die zich manifesteert ten gevolge van de armoede en de trauma's onder de bewoners van de ghetto's. Als een regeringsnota al een sfeer schept waarin dergelijke misdaden worden geassocieerd met seksuele betrekkingen tussen pubers en oudere personen, is het onwaarschijnlijk dat de Nederlandse bevolking zich kritischer zal opstellen. De overheid moet zich middels een genuanceerd beleid keren tegen de morele paniek, die verschijnselen als volks- en mediagerichten in de hand werkt. De Nota wijst echter eerder in de richting van het aanwakkeren van morele paniek door toedoen van een ondoordachte aanpak van overheidswege.

bron: 'Commentaar op het voornemen van het kabinet om het klachtvereiste in de zedenwet te doen vervallen' door C.C., namens Vereniging Martijn; november 2001