De droevige liedjes van Boudewijn Büch

From Brongersma
Jump to: navigation, search

André

Het is moeilijk voor te stellen dat de Boudewijn Büch van het VARA TV-programma Büch's Boeken één en dezelfde is als de dichter van: de dood, het verlangen en de zwaarmoedigheid. Of zoals hij dat laatste zelf pleegt te omschrijven: De Melancholia Agitans, het blauw, (naar Novalis beroemd geworden symbool van de blauwe bloem) of het singing-the-blues gevoel. 'Het is toneelspel... aan een treurige kop heeft de VARA ook niets.' De onwerkelijke Büch schrijft, naast proza, boven iedere diskussie verheven poëzie; niet gemakkelijk maar de vorsende lezer wordt eindeloos beloond. Ik beperk me hier tot de bespreking van één van zijn bundels, niet z'n mooiste, wel de meest pedo-relevante: Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs. Zijn debuutbundel.

Wanneer Boudewijn Büch 25 jaar is, wordt hij hartstochtelijk verliefd op een 14-jarige jongen. De verhouding die anderhalf jaar duurt, zou een stempel op zijn leven drukken en een direkte aanleiding vormen voor zijn schrijverschap... 'Eigenlijk had ik anderhalf jaar lang een praat-relatie met zijn ouders om het uit te leggen,' aldus de schrijver in Avenue. Van z'n onmogelijkheid om vorm te geven aan de relatie en zijn heftige emoties daarbij, doet Büch verslag in zijn eerste bundel, die nog uitkwam tijdens zijn relatie met Gijs. Hij vertelt hoe de mensen uit de buurt het nodig vonden om op de jongen af te stappen en te vragen hoe dat nou zat. En dat hij van een arts een recept toegestuurd kreeg voor het middel Androcur, hetgeen in de psychiatrie gebruikt wordt voor zeer zware verkrachters.

Het schrijven weerhoudt Büch van 'de totale gekte', het is een vorm van therapie. Verschillende elementen in zijn poëzie duiden hierop: de taal zelf is een thema, het is belangrijk als verklarend medium. Ergens gebruikt hij de woorden: 'jou te sluiten in mijn taal'. Het woord 'sluiten' kan op meerdere manieren gelezen worden: als een afsluiting, een verklaring en verwerking, maar tegelijkertijd blijft de hoofdpersoon Gijs voortbestaan in die taal; er spreekt een verlangen uit, zoals je iemand in je armen sluit.

Het verlangen naar orde en verklaring wordt eens te meer onderstreept door het gebruik maken van meetkundige woorden. Zo valt in de bundel een gedicht aan te treffen met de titel Principia Mathematica, naar het boek van de filosofen Whitehead en Russell. Tevens in het oog springend is het veelvuldig voorkomen van het woord 'dood'. In de 65 gedichten tellende bundel tref ik het 34 maal aan. Dit feit onderstreept dat leven en werk dicht bij elkaar staan. Büch is bekend met de dood in haar hardste verschijningsvormen; zijn vader pleegde zelfmoord en zijn zoontje stierf op zesjarige leeftijd (aan die gebeurtenis is de ongekend mooie bundel Dood kind gewijd). Het woord 'dood' is afwisselend letterlijk en figuurlijk te lezen. Er wordt herhaaldelijk verband gelegd tussen Gijs en de vader van de schrijver; tussen het figuurlijke en het letterlijke sterven: het verscheiden van zijn vader en het (in persoon!) verdwijnen van Gijs uit het leven van de dichter. De neerlandicus Harry Prick schrijft in een artikel over de poëzie van Büch, ter verklaring van die verbindingen, dat het dezelfde beletselen zijn, namelijk 'taal' en 'wet' (Büch gebruikt de woorden zelf in één van zijn gedichten), die er eertijds voor zorgden dat hij niet kon terugkeren naar zijn vader - Büch werd vanwege een incestueuze relatie met zijn vader een jaar opgeborgen in een jeugdpsychiatrische inrichting (zie Het Dolhuis - roman) - en die later een rol speelden in de mislukking van zijn relatie met Gijs.

In een interview met Bzzlletin (nr. 127) merkt Büch over Nogal droevige liedjes... op dat het een soort dagboekaantekeningen zijn, in de vorm van poëzie. 'Het is allemaal gebeurd. Of in mijn kop, of op straat ergens. Ik kan niks verzinnen, dat is ook zo vreselijk.' Met dat laatste ben ik het zeker niet eens. Bij Boudewijn Büch levert de waarheid schitterende poëzie op.

Ouders

de nacht ligt
met de droefheid samen
nu weet ik
wat ze mij ontnamen

de avond
dat je lachend at
en ik ontredderd
naast je zat
totdat
jouw dertien jaar
de dood ontsloot
waaraan ik geen
weerstand bood

het lied
omvat nog slechts
het leed
waartoe ik alle
dingen deed

Uit: "Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs" van Boudewijn Büch. Uitgeverij De Arbeiderspers, 77 pag.

bron: Artikel 'De droevige liedjes van Boudewijn Büch' door André; OK Magazine, nr. 15; september/oktober 1988