De zedenpolitie in actie

From Brongersma
Jump to: navigation, search

De onlangs gewijzigde wetstekst over kinderporno (art. 240-b) stelt afbeeldingen strafbaar van seksuele gedragingen van en met minderjarigen. Daarvan lijkt bij deze foto-serie [zaak kunstfotograaf Don Mader] geen sprake: de jongens zijn afzonderlijk gefotografeerd en niets wijst erop dat zij met sex bezig zijn, of het zou hun naaktheid moeten wezen.

Een aanmerkelijk ruimere definitie van kinderporno is te vinden in het rapport van de werkgroep kinderpornografie, die zij op verzoek van Justitie opstelde. Er is sprake van kinderporno als het om afbeeldingen gaat 'waarbij de kennelijke bedoeling van seksuele prikkeling voorop staat.' Nu zijn 'kennelijke bedoelingen' nooit zo kennelijk als beweerd wordt en daarom ook de achillespezen van het strafrecht. Volgens deze aanbeveling spelen niet alleen het gedrag van de modellen, maar daarnaast ook nog eens de bedoeling van de maker en de reactie van het publiek een rol bij het vaststellen of iets nu wel of niet tot (kinder)porno mag worden gerekend. Zo zal de een bij het zien van een naaktfoto van een minderjarige vertederd terugdenken aan de eigen strandvakantie, terwijl een ander opgewonden raakt. In dat laatste geval is 'de kennelijke bedoeling' al snel bewezen. Als afbeeldingen niet langer expliciet seksuele gedragingen hoeven te bevatten om toch als prikkelend ervaren te worden is het niet denkbeeldig dat een stilleven van een sexy gedrapeerde asperge ook onder verdenking van pornografie komt te staan.

Twintig jaar geleden werd het ook niet voor mogelijk gehouden dat blikken konden verkrachten en dat zelfs microfoons tot aanranding in staat waren, zoals de Franse feministische analytica Luce Irigaray ooit in een interview beweerde. Bevlogen beeldspraak, die de alomtegenwoordigheid van (mannelijk) seksueel geweld duidelijk moet maken, maar die in haar politieke voortvarendheid verzuimt een duidelijke grens te trekken tussen seksuele daden en minder eerbare bedoelingen. Als porno inderdaad de theorie is en verkrachting de praktijk, zoals het radicaal-feministische devies luidt, dan is onderscheid tussen gedrag en handeling, bedoeling en daad, inderdaad futiel.

De adviezen van de werkgroep kinderpornografie komen niet uit de lucht vallen. In Amerika verscheen vorig jaar het pornorapport van de commissie-Meese, vernoemd naar de minister van Justitie, waarin eendrachtig door zowel progressieve feministen als conservatieven gepleit wordt voor een zo ruim mogelijke interpretatie van het begrip 'seksuele gedraging': net zoals in het Nederlandse rapport heet ook hier intent to arouse sexually een belangrijk porno-criterium. Een soortgelijke Canadese werkgroep, de Fraser Committee, publiceerde haar vuistdikke porno-rapport zonder zelfs maar een duidelijke definitie van pornografie te geven 'om geen zaken bij voorbaat uit te sluiten.' Ook hier was sprake van een monsterverbond tussen bepaalde feministen en fundamentalistisch-rechts.

Officieel zijn de adviezen van de Nederlandse werkgroep kinderpornografie nog niet overgenomen, maar kennelijk hebben de aanbevelingen bij de Amsterdamse zedenpolitie een willig oor gevonden. De actie van de zedenpolitie maakt eens te meer duidelijk dat de naaktfotografie zich van een kunstzinnig aureool moet verzekeren, wil ze niet de kans lopen bij voorbaat tot pornografie veroordeeld te worden. Zoals Rudy Kousbroek onlangs porno verdedigde als een specifieke kunst-vorm, die uit dien hoofde niet verboden mocht worden, zo ook beroept fotograaf Don Mader zich op het artistieke karakter van zijn werk. Het naakt als madonna of als hoer, om het maar eens feministisch uit te drukken. Een tussenpositie is er kennelijk niet. Maar was het niet een soortgelijke tweedeling, die door de vrouwenbeweging als hypocriet en mystificerend aan de kaak werd gesteld? Goed, toen ging het om vrouwen. Maar wie, o wie, maakt zich sterk voor het modale naakt?

bron: Artikel 'In Nederland - De zedenpolitie in actie' door Stephan Sanders; Haagse Post; 23 mei 1987