Een goed gesprek met Duif - De beginjaren van Martijn

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: Rocco Hosquet

Zodra ik aan iets denk dat ik mee moet nemen, moet ik het meteen ook pakken, anders ben ik het het volgende moment weer vergeten. "De paraplu," denk ik bij mezelf en ren de trap op naar de keuken. "Ow ja, de katten eten geven!" en ik ren weer naar beneden. "De koffiepot uitzetten, een kladblok meenemen." Als een bezetene ren ik door het huis. Zo gaat het ook altijd als ik een belangrijke afspraak heb, zeker het laatste kwartier. Ik kijk op het klokje van de computer en zie dat het al erg laat is en weet dat ik nooit meer op tijd kan verschijnen. "Hey, Duif! Met Rocco," zeg ik even later via de telefoon aan mijn interviewee. "O, ha Rocco, hoe is het jongen?" zegt hij met een stem, die altijd een bijzonder kalmerend effect op me heeft. Wat kan ik me goed voorstellen dat jongetjes bevriend met hem willen zijn! "Uhm ja, wel goed hoor. We hebben straks die afspraak, he? Nou eh, ik wilde je even zeggen dat ik nog thuis ben en dat ik het dus helaas niet ga halen," zeg ik aarzelend, omdat ik me nogal opgelaten voel om te laat te verschijnen. "Ah, mooi zo," zegt hij op een neutrale toon. Ik zucht een beetje, omdat ik niet helemaal weet wat hij bedoelt. "Ja, ik bedoel dat het me wel goed uitkomt. Ik heb nog het één en ander te doen." Ineens is het volkomen duidelijk. We spreken af dat we elkaar over een uurtje zullen treffen.

Als ik de voordeur van mijn huis uit ga, schijnt de felle zon recht in mijn gezicht. Een frisse bries zorgt dat ik kippenvel krijg. Toch ben ik meestal vrolijk als de zon schijnt, of het nu lekker warm is of niet. Omdat ik nogal laat ben, ren ik naar de tramhalte. Het geluk wil dat ik niet al te lang hoef te staan blauwbekken voor de tram verschijnt. In de trein naar Amsterdam lees ik de vragen nog eens door die ik Duif zodadelijk wil gaan stellen. Als ik vervolgens uit het raam staar, zie ik het traject van de HSL in aanbouw. Het enige dat zich daarachter bevindt, is saai grasland met het o zo bekende rijtje zielige boompjes langs een weggetje dat veelal dient als sluiproute. Als ze het groene hart tóch niet willen bebouwen, laten ze er dan een mooi groot bos van maken; dat ruikt nog lekker ook! Met het beeld van het grasland en de felle novemberzon flits ik, op de dag nauwkeurig, veertien jaar terug in de tijd. Ik ben een jonge jongen, die van school terug naar huis fietst. De geur van een kille, heldere middag in november doordringt mijn neus. Ik hoor de sirenes weer. Dertien jaar oud, een bloederig einde en daarna leegte. Ik word misselijk bij deze gedachte, pink een flauw traantje weg en probeer aan wat anders te denken. Voor ik het weet ben ik in Amsterdam, waar ik over moet stappen op een andere trein. Zodra ik erin zit, stappen er twee politie-agenten en twee conducteurs bij mij de coupé binnen. Verbaasd over deze actie vraag ik om uitleg aan één van de conducteurs. "Dat is het gevolg van maatschappelijke verloedering, meneer," zegt hij zuchtend. Blijkbaar voelen conducteurs zich op dat traject zo onveilig, dat ze alleen maar durven controleren onder politie-escorte. Dit stemt me droevig. Als ik aankom op mijn eindstation weet ik precies wat die conducteur bedoelt. Het ziet er zwart van het rondhangend tuig. De herrie, die ze maken bij het zien van die agenten, doet me bijna geloven dat ik in Artis ben beland. Het is nog een paar minuten lopen naar het huis van Duif. Onderweg zie ik links en rechts toch wel erg leuke jongetjes spelen. Dat maakt veel goed.

Duif is misschien een beetje een vreemde naam voor iemand die geen haar meer op z'n hoofd heeft. Toch is het niet zó raar, omdat het inmiddels meer dan twintig jaar geleden is, dat hij aanwezig was bij de oprichting van vereniging MARTIJN. Zijn echte naam wordt in dit artikel op zijn verzoek niet vermeld, maar dat hindert niks, omdat men hem binnen de oude garde van de vereniging kent als Duif.

Het oorspronkelijke idee van MARTIJN is afkomstig van Theo, toen hij in de gevangenis zat wegens een zedendelict in Den Bosch. Theo vond de straf die hij had gekregen voor de "misdaden" die hij had begaan erg overdreven en hij voelde zich erg alleen. Theo is toen op het idee gekomen om een vereniging of stichting te beginnen om pedofielen, die hetzelfde meemaakten of meegemaakt hadden als hij, middels een publicatie bij elkaar te brengen. Theo is dus vanuit de gevangenis begonnen aan de Martijn (de voorloper van OK magazine, red.).

Begin jaren tachtig was Duif aan het ontdekken wat pedofilie voor hem betekende en wat voor inhoud hij daaraan moest geven. Hij was zelf nog heel erg jong, maar ontving al vanaf zijn vijftiende of zestiende jaar de Sekstant van de NVSH thuis. Op een gegeven moment zag hij in één van die uitgaven een advertentie van de Martijn en dat leek hem wel iets. Na Martijn 2 of 3 heeft hij het blad besteld. Het gaf hem een goed gevoel dat hij niet de enige was met dergelijke gevoelens. Na Martijn 6 besloot hij contact op te nemen met de mensen van Martijn, omdat hij zich sterk kon identificeren met ze en hij had de indruk dat ze wisten waar ze het over hadden. Hij is vervolgens daar thuis uitgenodigd. De redactie van de Martijn had in die tijd nog geen kantoor. Het blad werd in elkaar gezet door drie vrienden in Hoogeveen. Ze deden alles: van het vergaren van materiaal, het schrijven, layouten tot zelfs het drukken. In het begin liep dat allemaal wat stroefjes, omdat er met weinig abonnees ook bijna geen geld was. Toen Duif erbij kwam waren er ongeveer 25 mensen geabonneerd op de Martijn en bestond de organisatie iets langer dan een half jaar. Vanwege het gevangenisverleden van Theo waren de eerste vier nummers niet regelmatig verschenen, terwijl de advertentie claimde een maandblad te zijn.

Duif heeft zich toen vrij snel opgeworpen als vrijwilliger. Ondanks dat hij helemaal niet in de buurt van Hoogeveen woonde, vond hij het geen moeite om een weekje op en neer te reizen. Hij ging er dan op maandag naar toe en kwam op vrijdag weer terug. Hij logeerde dan gewoon bij één van de anderen en het toeval wilde dat twee van hen in dezelfde straat woonden. Al heel snel werd het zo dat Duif steeds meer deed en de anderen steeds minder. Na verloop van tijd ontstonden er problemen, omdat Theo afhaakte en er een nieuwe club moest worden gevormd. De 25 abonnees werden toen uitgenodigd en, tegen alle verwachting in, verschenen er 23 van. Er werd meegedeeld dat er meer mensen in de redactie moesten en dat er ook iets van een bestuur moest komen. Vijf mensen werden uit die club bereid gevonden voor een bestuursfunctie, terwijl er twee in de redactie verder gingen. "Die vergadering zal ik ook nooit vergeten. Dat was zo bijzonder. Van die 25 mensen waren er dus voor mij 20 onbekend, maar uit die 20 onbekende mensen is dus wel MARTIJN uiteindelijk gegroeid tot wat het nu is," aldus Duif.

De tekst voor de Martijn werd in die tijd op een gewone typmachine uitgetikt en vervolgens onder het kopieerapparaat gelegd. Drukken was in die tijd niet mogelijk, omdat je ervoor naar Groningen moest en het gewoonweg niet te betalen was met 25 abonnees. Het kopiëren werd in eerste instantie gedaan bij de eerste machine die ze tegen kwamen, maar de kwaliteit liet nog wel eens te wensen over. Daarna is besloten om bij een drukkerij de Martijn te kopiëren en dat resulteerde in een redelijke kwaliteit. Tegenwoordig vinden medewerkers van MARTIJN het nog wel eens griezelig om bij de plaatselijke copyshop materiaal voor de vereniging te vervaardigen. Toentertijd gaven de medewerkers er niet echt rekenschap aan dat het wel eens gevaarlijk kon zijn. De opvatting was dat ze niets illegaals deden. Bovendien waren ze op dat moment nog geen vereniging, maar slechts een clubje mensen dat een blad in elkaar zette.

Op een gegeven moment groeide het aantal abonnees vrij snel van 25 naar 130. Op dat moment was de organisatie nog steeds geen vereniging of stichting. Met zoveel abonnees werd het noodzakelijk om als organisatie geregistreerd te worden bij de Kamer van Koophandel. Het was echter niet eenvoudig om bestuursleden te vinden die er geen bezwaar tegen hadden om met naam, adres en telefoonnummer vermeld te komen te staan. Uiteindelijk is dit gelukt en in november 1982 zijn deze mensen naar de notaris gestapt. Sindsdien bestaat vereniging MARTIJN officieel.

De vereniging is genoemd naar het originele blad, de Martijn. Maar waarom uitgerekend 'Martijn' en niet bijvoorbeeld 'Bert'? Als ik Duif die vraag voorleg antwoordt hij dat hij daar absoluut geen idee van heeft. We zitten dus met een klein raadsel dat wij niet zo 1-2-3 op kunnen lossen, omdat Duif al jaren geen contact meer heeft met Theo, de naamgever. Ik weet niet of er in het verleden vaker gediscussieerd is over de naam van de vereniging, maar begin 2002 kregen wij een spontane brief van een boze Martijn:

Geachte vereniging,


Hoewel ik persoonlijk niets heb tegen pedofielen of anderszins seksueel verkeerd geconditioneerde medemensen, moet mij van het hart dat ik het gebruik van mijn naam voor Uw vereniging weinig kies vind, vooral omdat mij niets is gevraagd. Gaarne zou ik dan ook zien dat U de naam van uw vereniging wijzigt. Een neutralere naam die bovendien de voor velen twijfelachtige lading van Uw activiteiten wat beter tot haar recht laat komen zou u goed staan. Door het kiezen van zo'n schattige jongetjesnaam suggereert U namelijk een staat van onschuld die naar vrees ik veel Uwer leden reeds lang achter zich hebben gelaten. Ik stel daarom een passender benaming voor, die de activiteiten Uwer leden wat nauwkeuriger omschrijft, zoals bijvoorbeeld: 'Stop Uw leuter in een kleuter'. Het is maar waar je aardigheid in hebt, natuurlijk.

Hoogachtend,
Martijn

Wat een simpele zoektocht op het internet ons leert over de naam 'Martijn' is dat deze afgeleid is van 'Martinus'. Dat betekent vrij vertaald 'machtige strijder'. Op zich een leuke verklaring, maar het is te betwijfelen dat dit de achterliggende gedachte is. Voorlopig moeten we het daar echter mee doen. Kan jij dit mysterie ontrafelen? Neem dan contact op middels een ingezonden brief!

Er zijn bij MARTIJN vast wel dingen gebeurd die Duif nog goed kan herinneren uit zijn tijd, zij het positief of negatief. "Er zijn heel veel leuke dingen gebeurd. Ik heb in die jaren dat ik daar bezig was zo gigantisch veel mensen ontmoet die allemaal hetzelfde waren als ik. Dat is misschien ook een reden waarom ik me nu niet ongelukkig voel. Er zijn zo veel en sterk verschillende mensen met leuke ideeën of grappige anekdotes. Heel veel mensen kwamen logeren, ik ging meer op pad dan dat ik thuis was. Ik heb dat altijd echt heel leuk gevonden. Mijn telefoon stond ook niet stil. Ik was heel druk met het onderhouden van contacten. Daardoor krijg je ook een bepaalde levenswijsheid of een bepaalde levensvisie. Zoveel mensen als je ontmoet, zoveel levenswijsheden zijn er en ik heb daar de mijne uitgepikt. Het heeft mij heel veel inzicht gegeven in hoe andere mensen met hun geaardheid omgaan. Ik heb daar uiteindelijk hoe ik nu in het leven sta eruit gedistilleerd. Dat heb ik altijd heel prettig gevonden. Het minst leuke, waar ik achteraf ook nog wel om kan lachen, of waar ik in elk geval een grote glimlach bij krijg, is dat één van mijn toenmalige vriendjes eens tegen mij heeft verzucht 'moet je nou alweer weg'. Ik zou één nacht elders in Nederland overnachten. Hij wist dat het voor MARTIJN was, maar hij vond het wel héél erg vervelend. Waarom weet ik niet, maar hij werd er een beetje boos om en trok een sip gezicht. Ik ga de volgende dag toch weg en ben er natuurlijk niet als hij bij mij thuis komt. Ik kom de volgende dag 's avonds thuis en hij zegt me, heel diep in mijn ogen kijkend: 'dit was de laatste keer dat je dat deed, he'. De manier waarop hij dat zei was zo recht op de man af, dat vergeet ik nooit meer. Hij vond het leuk dat ik werk had, maar af en toe vond hij het dus ook niet leuk en dit was daar één van. Die twee dagen zijn voor mij niet meer los van MARTIJN te koppelen. Hij heeft het zwaar gehad hoor!"

Ik werk nog niet zo heel erg lang voor MARTIJN, maar heb uiteraard wel het één en ander gehoord over de aanvaringen van de vereniging met het justitiële apparaat. Natuurlijk ben ik nieuwsgierig wat Duif hierover te melden heeft. "Waar MARTIJN in ieder geval mee te maken heeft gehad was OK nummer 8. MARTIJN had of heeft ook leden in omringende landen en de OK werd toen ook op sommige plekken in Duitsland in de losse verkoop verkocht en die OK is door de Nederlandse douane in beslag genomen toen we dit nummer verzonden, als zijnde illegaal materiaal. Dat heette toen ook kinderporno. Puntje bij paaltje bleek dat justitie met name viel over de tot op 1 cm hoogte verkleinde beeldstrook die wij onder de pagina's hadden gelayout, van tot kort daarvoor vrij verkrijgbare seksblaadjes als 'Piccolo' en 'Boy', ik noem maar wat. Daar hadden we een leuk stripje van gemaakt. Die zending van OK werd toen in beslag genomen, waarop natuurlijk het gevaar ontstond dat ook de exemplaren die wij hadden verspreid en nog in voorraad hadden in beslag zouden worden genomen. Natuurlijk heb je als vereniging een adressenbestand en dat kun je nog zo goed afschermen voor de buitenwereld, maar als justitie het écht wil hebben dan krijgen ze dat wel in hun bezit, zo simpel ligt dat." Tegenwoordig versleutelen we het adressenbestand, maar dat was toentertijd uiteraard nog geen optie. "Wij hebben tegen die inbeslagname protest aangetekend en uiteindelijk is het bij die inbeslagname gebleven. Die exemplaren zijn door de douane en justitie verbeurd verklaard en daar is het bij gebleven. Er is wel uitdrukkelijk bij gezegd, in ieder geval naar de vereniging toe, dat wij de overige exemplaren van die OK niet meer mochten verspreiden. Onder die voorwaarde is toen de aanklacht niet doorgezet. Er is geen uitspraak gedaan of het wel of geen kinderporno was. Er vond dus geen strafvervolging plaats." Op de cover van OK 8 staat een jongetje met een erectie, dus ik heb altijd gedacht dat het daarom ging. "Nee, want dat kwam uit een legaal fotoboek dat nog steeds vrij verkrijgbaar is. Het ging enkel om het stripje met verkleinde porno- en naturistenblaadjes. Dat deed het 'm. Als je er een vergrootglas opzette, zou je alleen maar zwarte en witte puntjes zien. De naam 'Piccolo' was nog te lezen en dat was in die tijd een bekend seksblaadje en dat mocht niet meer ofzo. Voor de rest, qua juridische problemen, in mijn tijd niet."

Noch Duif, noch iemand anders met wie hij in die tijd samenwerkte binnen de vereniging, heeft door zijn banden met de vereniging justitiële problemen gehad. Dit ondanks het feit dat hij met zijn echte naam vermeld stond in de Martijn. "Ja, toentertijd heb ik er gewoon onder mijn eigen naam in gestaan. Twintig jaar geleden was de vrijheid om je te uiten als pedo toch net iets groter dan nu. Je kon ook veel meer en openlijker zeggen dat je pedo was, zonder dat daar hectisch of gek over werd gedaan. We hebben ook gewoon spreekbeurten gehouden op middelbare scholen. Dat kon toen allemaal zonder pats-boem afgekapt te worden met 'jullie zijn een stelletje viespeuken'. Er werd gewoon geluisterd. Het is fout gegaan sinds 'Oude Pekela'. In mijn tijd deed MARTIJN ook zeer actief mee met de Roze Zaterdag. We hebben ook wel met een spandoek bijna vooraan gelopen in de roze parade. 'Wij pikken het niet langer', dat was de slogan. Dat illustreert ook maar weer dat er toentertijd meer kon dan nu mogelijk is."

Toen MARTIJN werd opgericht was haar voornaamste doel om een hulpgroep te zijn. Pedofielen moesten een mogelijkheid krijgen om ervaringen uit te wisselen, niet alleen justitiële ervaringen. Mensen met elkaar in contact brengen is altijd een heel belangrijke doelstelling geweest. Zo werden er, sinds de tijd dat Duif erbij gekomen was, zeker twee of drie keer per jaar ontmoetingsdagen georganiseerd, waar tot ieders verbazing, heel veel mensen op af kwamen. "Als er van de 100 leden 80 komen opdagen schrik je wel even," aldus Duif. Er bleek dus heel veel behoefte te zijn aan dit soort dagen. Verder waren er ook ideologische doelstellingen. MARTIJN wilde Kamerleden en de pers informeren over pedofilie en bovenal aan de gewone man duidelijk maken dat pedofilie niet iets engs is. Het idee dat pedofielen kinderlokkers zijn, die in de bosjes gaan staan met snoepjes, moest vooral uit de weg geruimd worden. Het moest duidelijk gemaakt worden dat pedofielen gewoon mensen zijn van vlees en bloed, die een bepaalde voorkeur hebben, net als homoseksuelen, heteroseksuelen, travestieten, etc. In het begin stuurde MARTIJN de Martijn dus ook naar allerlei politici. Het CDA weigerde de Martijn te ontvangen; die werd altijd weer netjes in dezelfde envelop teruggestuurd. Allerlei mensen van de PvdA, Groen Links en D66 hebben de Martijn altijd gratis toegestuurd gekregen. Heel soms kwam daar dan ook wel een reactie op terug. Dat was dan voor MARTIJN altijd weer een kleine overwinning. Daarmee kregen de medewerkers bevestigd dat ze goed bezig waren. Er zijn ook plannen geweest om de Martijn, zeker toen MARTIJN meer leden kreeg, gratis naar alle bibliotheken in Nederland te sturen. Het bleef wegens gebrek aan tijd en bronnen echter beperkt tot bibliotheken in de grote steden. Door dat soort dingen te doen ben je als vereniging maatschappelijk actief aan het pleiten voor je zaak. Kranten werden nog wel eens aangeschreven als er één of ander belachelijk artikel was geschreven, zoals tijdens de 'Oude Pekela'- en 'Bolderkar'-affaires. Als reactie daarop heeft de vereniging toen brieven gestuurd naar allerlei redacties van kranten, zowel landelijk als regionaal, met haar standpunt over deze zaken. In tegenstelling tot de zaak 'Dutroux' waren de 'Oude Pekela'- en 'Bolderkar'-affaires niets meer dan fantasieverhalen. "[Dutroux] is ook niet iemand waarmee ik mij of willekeurig enige andere pedo zich überhaupt mee zou kunnen identificeren, dus die valt buiten de boot. Neemt niet weg dat je als vereniging wel kan reageren op zo'n affaire, door afstand te nemen van die kerel en afstand te nemen van de feiten die hij heeft begaan," aldus Duif.

Als argumenten tegen pedofiele relaties wordt vaak aangevoerd dat het kind er nog niet aan toe is of dat het geen 'nee' kan zeggen. Duif vindt dat flauwekul. "Ja, ik heb dat altijd flauwekul gevonden, dus ik heb me er nooit wat van aangetrokken. Zo simpel ligt het." Wat een struisvogelmentaliteit! Ik kan me niet voorstellen dat hij zich nooit afvraagt of hij het wel bij het rechte eind heeft, als de grote meerderheid zegt dat pedofielen het verkeerd hebben en ziek zijn. "Ik kan daar niks mee, want dat is er met mij niet aan de hand. Ik ben gewoon een mens, in eerste instantie, en ik hou van andere mensen en bovenal van jongens. Of andere mensen dat nou leuk vinden of niet. Als ze dat leuk vinden, dan is het prettig, dan kunnen we een vriendschappelijke relatie met elkaar aangaan, als ze het niet leuk vinden, dan moeten ze mij vooral niet hebben en ik hun ook niet. Ik heb niks te schaften met mensen die vinden dat ik ziek ben, behalve dat ik voortdurend word geconfronteerd met mijn beperkingen van vrijheid daarin en het uiten van mijn gevoelens." Volgens mij heb ik een gevoelige snaar geraakt, misschien heeft hij het moeilijk met zijn gevoelens. "Ik heb het er niet moeilijk meer mee, ik heb me er inmiddels bij neergelegd dat de maatschappij in die zin verhardt. Maar er zijn natuurlijk ook zaken in mijn leven gebeurd die mij minder gelukkig maken dan ik had kunnen zijn. Ik ben ook veroordeeld voor relaties die ik heb onderhouden. Deze relaties hebben niet alleen naar mijn gevoel, maar ook naar het gevoel van de direct daarbij betrokkenen, niemand schade toegebracht. Ik word daar wel voor veroordeeld en dat is mij niet in mijn koude kleren gaan zitten. Dat zorgt er bij mij voor dat ik bij het aangaan van nieuwe relaties wel eerst drie keer bedenk of ik dat wel wil, of het me waard is om een relatie aan te gaan met de wetenschap dat je hoe dan ook de kop kan worden afgesneden, als het ware. In de zin van: je kunt ervoor gevangen worden gezet." Dat betekent dus dat die wetten effect hebben. "Ja, maar of dat positief of negatief is, dat is even de vraag. Kijk, ik ben geen figuur wat vervolgens op ramkoers gaat en dus maar elk willekeurig jongetje wat ie leuk vindt achterna gaat lopen, wat de gemiddelde Nederlander wel denkt. Ik voel mij inderdaad in mijn vrijheid beknot, door die wetten en de maatschappelijke houding ten aanzien van pedofilie. Ik kan er wel mee leven en ik hoef daardoor niet minder gelukkig te zijn, want er zijn meer dingen in het leven waar je gelukkig van kan worden. Goeie vrienden hebben is er één van, bijvoorbeeld. Of gelijksoortige mensen, pedofielen, waar je een goed gesprek mee kunt hebben. Mijn leven zou ongelukkig zijn als ik geen andere pedofielen zou kennen waarmee ik over mijn gevoelens en ups en downs ten aanzien van jongensliefde zou kunnen praten. Als ik dat niet meer zou hebben, als die uitlaatklep ook afgesloten zou zijn, dan zou ik me diep ongelukkig voelen. Maar nu heb ik genoeg vrienden om me heen waarmee ik rustig de stad in kan gaan of op vakantie of weet-ik-veel-wat doen en waartegen ik gewoon kan zeggen van 'goh, wow, wat een spetter'."

MARTIJN zou misschien een rol kunnen vervullen in het samenbrengen van pedofielen, maar ik denk dat veel hiervan al opgevangen is door de opkomst van het internet. Duif brengt hier wat nuance in aan. "Het verschil tussen de vereniging en het blad en daarnaast dan internet is dat achter de vereniging mensen zitten van vlees en bloed, die je persoonlijk kunt aanspreken. Naar mijn idee, als de vereniging ontmoetingsdagen organiseert, of bijvoorbeeld mee gaat doen aan de organisatie van de International Boylove Day (IBLD) of zich wat actiever opstelt om mensen bij elkaar te brengen, dan vervul je denk ik als vereniging een belangrijke maatschappelijke functie. Internet is en blijft een medium dat mensen individueel thuis raadplegen. En natuurlijk is het leggen van contact via internet niet te vergelijken met het leggen van contact tussen leden van de vereniging. Gewoon puur zien met wie je spreekt." Duif vertelt dat in zijn tijd ontmoetingsdagen en -weekenden georganiseerd werden en soms waren er leden die iemand mee wilden brengen. "In eerste instantie werd dat toegestaan, omdat men wist wie die persoon was. Op een gegeven moment werden die regels iets te soepel en kwamen er ook mensen die een iets andere voorstelling hadden van zo'n ontmoetingsdag en allerlei moeilijkheden veroorzaakten. En dan druk ik me nog voorzichtig uit. Kijk, dat moet je dus niet hebben. Als je naar een ontmoetingsdag gaat met de instelling van 'daar ontmoet ik mensen die allemaal een vriendje hebben' en je gaat anderen daar vervolgens actief mee lastigvallen, bijvoorbeeld 'hoe heet je vriendje, waar woont 'ie, hoe oud is 'ie, wat doe je ermee' etc. etc. Als je dat alleen maar doet gedurende het hele weekend, dan verziek je de sfeer behoorlijk. Ontmoetingsdagen waren vooral bedoeld om mensen met elkaar in contact te brengen. We zijn van gelijke aard, dus als we dan over straat lopen en ik zie een mooi blond jongetje, dat ik dat dan gewoon kan zeggen is toch wel een iets ander idee, dan dat je naar zo'n ontmoetingsdag gaat met het idee van 'ik ga jongetjes versieren'."

Op de algemene ledenvergadering (ALV) kwam in de tijd van Duif ongeveer een kwart tot een derde van de leden af, afhankelijk van wat er te bieden was. De ontmoetingsdagen waren populairder en vonden veelal plaats in jeugdherbergen door het hele land. Het programma bestond uit kennismaken en 's middags bijvoorbeeld een film. Tevens was de boekenstand aanwezig, zoals nu ook nog het geval is op de ALV. Daar werd gretig gebruik van gemaakt, omdat het een unieke service is die MARTIJN ook nu nog voor haar leden kan bieden. "Het is één van de weinige plekken waar je legaal aan 'boy-materiaal' kan komen," aldus Duif. Het is duidelijk dat Duif een jongensminnaar is, maar hoe moet MARTIJN volgens hem dan omgaan met meisjesminnaars? "Tja, ik vind dat girl-lovers maar hun eigen blad moeten gaan schrijven." Als voornaamste reden geeft hij aan dat jongens- en meisjesminnaars net zo veel van elkaar verschillen als mannen en vrouwen.

Na een jaar of vijf MARTIJN met veel leden werd de behoefte aan een kwalitatief beter blad erg groot binnen de vereniging. De Martijn verscheen altijd op middelformaat, ordinair papier en de foto's kwamen niet altijd even mooi uit. Er is toen een groepje mensen opgestaan met ervaring in de grafische industrie. Martijn 35 of 36 was een eerste poging om te verbeteren. Niet lang daarna kwam het eerste OK magazine uit, zoals we dat nu kennen. De OK had een veel professionelere layout en totaal vernieuwde stijl die niet te vergelijken is met de Martijn. Het was duurder, maar vanwege het grote aantal leden was dat verantwoord om te doen. Op dat moment besloten Duif en het andere redactielid dat het nieuwe bloed capabel genoeg was en dat het tijd was om het stokje over te geven. De bestuursleden volgden later hun voorbeeld. Duif voegt toe dat hij zelfs nog weet dat "we op een ontmoetingsdag op zoek waren naar een nieuwe secretaris om het bestuur weer compleet te krijgen, want de oude secretaris trad terug." "En op die dag hebben we M. aangesproken, want het leek ons een aardige jongen en hij heeft een week later gezegd dat hij dat wel wilde doen. Tegenwoordig zorgt hij nog steeds voor de Persfocus. Op die manier is de continuïteit van de vereniging voortgedragen en heeft niemand van ons, dat ik weet, nog bemoeienis met de vereniging gehad. Maar ik weet zeker dat een aantal van de oude garde de ontwikkelingen binnen de vereniging altijd nog min of meer is blijven volgen."

De kernpunten van MARTIJN zijn, volgens Duif, zeker in de afgelopen tien jaar veranderd. In het begin was de belangrijkste doelstelling om elke maand een blad te laten verschijnen. De vereniging besefte al heel snel dat je zonder blad geen leden behoudt. De eerste drie jaar verscheen het blad maandelijks, daarna tweemaandelijks, zij het met een kwalitatief iets betere layout. Maar juist doordat het blad regelmatig verscheen, groeide het ledental elk jaar weer. "In de vijf jaar dat ik het gedaan heb, heette het blad ook nog 'Martijn' en zijn we gegroeid van 25, toen ik er kwam, naar dikke 600 leden toen ik er wegging," aldus Duif. "Doordat je zoveel leden hebt komen er ook steeds meer mensen die iets willen doen en dat maakt het ook makkelijker om inhoud te genereren." De redactie bestond in de beginperiode uit twee mensen. Als er geen kopij was, werd er uit de vele ingezonden brieven gepubliceerd. Af en toe werd er gezocht naar mensen die een serieuzer artikeltje konden schrijven. Zo hebben mensen als Frits Bernard en wijlen Brongersma ook bijgedragen. Dat zijn mensen van de oude garde met een zekere achtergrond. Duif benadrukt het belang van illustraties in het blad. "Hoe onschuldig ook, maar zonder foto's [heb je] geen aantrekkelijk blad. We deden het [in die tijd] gewoon met foto's van mensen die bereid waren foto's af te staan."

Duif denkt dat de vereniging zichzelf geen verwijten hoeft te maken t.a.v. de weinig-progressieve strijd voor acceptatie van pedofilie. "Ik denk dat de vereniging, hoewel voor een beperkte groep mensen, een goeie club is om bij terecht te komen en daar is helemaal niks mis mee. MARTIJN vervult nog steeds een functie, al was het alleen maar voor alle jongeren die nu ontdekken dat ze pedofiel zijn. MARTIJN [is] de enige vereniging in Nederland waar je zonder meer bij terecht kunt." De NVSH had vroeger een groot aantal werkgroepen 'pedofilie'. Die zijn nagenoeg verdwenen. In Rotterdam loopt het nog wel aardig goed. Er zijn gesprekken geweest tussen het landelijk bestuur van de NVSH en MARTIJN om te kijken of de werkgroepen pedofilie en MARTIJN samen die open avonden in stand konden houden of dat MARTIJN op een andere manier iets kon betekenen voor de NVSH. Volgens Duif is het door de verharding van de maatschappij t.a.v. alles wat met seksualiteit en kinderen te maken heeft veel moeilijker geworden om je als pedofiel überhaupt te uiten. "Het wordt gewoon steeds moeilijker, omdat je eigenlijk alleen maar kritiek krijgt van de buitenwacht. Vroeger kreeg je nog wel eens een complimentje van iemand."

MARTIJN heeft momenteel ruim 250 leden. Dat is minder dan de helft van wat de vereniging ooit aan leden gehad heeft. De vraag hoe MARTIJN moet overleven in de huidige tijd houdt menigeen bezig. Laten we even kijken wat Duif hierover te zeggen heeft. "Ik denk dat het voor MARTIJN gewoon belangrijk is dat ze zich richten op de kleine groep mensen die nu lid is en daar al het mogelijke voor doet. Je moet niet zozeer streven naar meer leden of meer doen dan dat je aankunt. Je moet het doen met de mensen die je hebt. Dat is altijd de instelling geweest van de oude club van MARTIJN-ers. De groei, die MARTIJN in de eerste vijf jaar doormaakte, is voornamelijk te danken aan het regelmatig verschijnen van het blad. Dat is altijd ook voor het bestuur en de redactie prioriteit nummer één geweest. Daar zijn dingen voor opzij gezet. Waarom worden mensen lid van de vereniging? Dat is vanwege het blad en de fotootjes die erin staan. Dat was vroeger althans een belangrijk criterium om lid te worden." Sorry Duif, maar onze idealen reiken een stukje verder dan dat. "In principe zegt MARTIJN: 'vijf keer per jaar laten we jou even weten dat je niet alleen staat met je gevoelens' en vervolgens komen er maar drie nummers uit. Natuurlijk raak je teleurgesteld. Als bestuur en redactie heb je wel bredere idealen om de maatschappij te veranderen en te informeren, maar die leden hebben die idealen niet zo, hoor. Er zitten gewoon veel consumenten bij. Die consumeren wat jij produceert. Maar zeker als het ledenaantal kritisch dreigt te worden, moet je het gewoon zakelijk gaan benaderen en dan is het leuk dat je idealen hebt en die moeten vooral ook blijven, maar leg die toch meer even ter zijde. Mijn idee is ook dat als MARTIJN straks weer 25 leden heeft, om die dan allemaal uit te nodigen en te roepen van: 'Of we stoppen ermee en dan besluiten we dat nu met z'n allen, zeer democratisch, óf we gaan door maar dan moeten we het wel sámen doen'."

Ik bedank Duif voor het gesprek en het gestelde vertrouwen en loop vol goede moed de duisternis in voor een wandeling naar het kantoor van vereniging MARTIJN voor de redactievergadering. Wij gaan door!

bron: Interview 'Een goed gesprek met Duif - De beginjaren van Martijn' door Rocco Hosquet; OK Magazine, nummer 83/84; januari 2003