Ik heb een jongetje meegebracht

From Brongersma
Jump to: navigation, search

In ons Indië is hij [Joop Schafthuizen, partner van Gerard Reve] nooit in een val gelopen, nooit bestolen, etc. Hij woonde een maand in Bandoeng, of in Djokja, daar wil ik af wezen, in een hotelletje waar zijn bruine vriendjes in en uit liepen, en nooit miste hij ook maar een lucifer! [...]

Ik heb nog nooit in mijn gehele opgejaagde en geteisterde leven zulke mooie en aanbiddelijke jongens gezien als op Java, maar dat soort kontakt, hoe zeer ik het ook begeer, staat mij tegen. Ja, als je enige tijd met zulk een jongen te maken kon hebben, een menselijke verhouding, bedoel ik, en je werkelijk voor zijn wel en wee interesseren. En hem wel degelijk voor zijn tederheid belonen, en niet met een paar tientjes de deur uit duwen, maar samen een leuk hemd of broekje etc. voor hem gaan uitzoeken in een grote winkel. Ik word gek van verlangen, maar ik kan het niet met hoereren bevredigen. Soms benijd ik de mensen wel eens, die dat wèl kunnen. Ik wil zo een jongen meteen bij zijn huiswerk gaan helpen, en later geld sturen, en hem, als hij gaat trouwen, nog een bruidsgift schenken ook. [...]

De jongens en mannen, die hunne eer veil bieden, zijn vaak enge nichten, met wie ik misschien naar bed zou gaan als mijn leven er van af hing, maar soms ook zijn het allerliefste, beeldschone, de allertederste gevoelens oproepende jongetjes van een jaar of twaalf. Ik geloof nooit, dat hun moeder het goedkeurt. [...]

Na enige tijd kwam hij [Schafthuizen] terug, en meldde bedremmeld: 'Ik heb een jongetje meegebracht. Dat vind je toch niet erg?' In de lounge had dat jongetje hem duidelijk avances gemaakt. Ik keek en tuurde, bij dat pislicht van het gierigheidslampje van 20 Watt, en zag een heel mooi jongetje in een blauw matrozenpakje, van een jaar of 11, 12, staan. [...] Het jongetje deed zijn jekje en toen zijn T-shirtje uit. Wie schetst nu onze verbazing en die van vele andere huisvrouwen, toen het jongetje geen jongetje, maar een meisje bleek te zijn, met mooie harde tietjes! 'Het is een meisje,' zeide Matroos [Schafthuizen] volledigheidshalve. 'We moeten niet kieskeurig zijn,' meende ik, 'en God danken voor wat Hij ons toedenkt.' [...] Ik begreep terstond, dat het een klein hotelhoertje moest zijn. Alles was miniformaat: minuuskule voetjes en handjes. Ik had in geen 23 of 24 jaar een vrouw aangeraakt, maar bleek het nog niet verleerd te zijn. Matroos was erg lief en teder jegens haar, maar kon de heilige daad niet volbrengen. [...] Ik bediende mij bij de daad van de voorstellingen die de held oproept in de Londense Periode uit Oud en Eenzaam. [...]

Tenslotte, na moeizame onderhandelingen, wisten wij de zondige vergoeding van de in eerste instantie geëiste Rp. 5000,- tot Rp. 2000,- terug te brengen. Voor twee personen een redelijke prijs, dunkt mij. [...] Slecht is het allemaal wel, maar we hebben haar niet mishandeld, haar niet aan haar op de rug gebonden handen opgehangen, geen brandende kretek rokkok in haar tummeltje uitgedrukt, of iets dergelijks. Je leest ter zake vaak de ergste dingen, want het zijn rare tijden. [...] Later, 'Uit de Diepten van de Tropennacht' rezen, terwijl ik slapeloos op mijn sponde woelde, even wrede als buitensporige voorstellingen bij mij op, die mij dwongen, mijn door Godes raadsbesluit van de voortplanting uitgesloten Manlijk Deel onvermoeibaar te hanteren, bijna tot aan de dageraad: hoe ik haar, dat hoertje, voor een heleboel Duitse inflatie marken uit 1920, van hare ouders zou kopen, en in Surabaya voor mij zoude laten tippelen, en flink met de rotan aftuigen bij te geringe opbrengst of verdenking van het achterhouden van een gedeelte van dien. Maar heel mooie en lieve Balinese of Javaanse zeejongens, ver weg van hun moeder en hun kampong, zouden het, tot eer en glorie van de Moeder van God (voor Wie zij eerst een kaars zouden moeten ontsteken), geheel pro deo en voor niets mogen doen. Ik schrijf je al deze dingen, omdat we allebei oud en ziek zijn, en reeds met veel meer dan één been in het graf staan. [...] En ik geloof niet, dat er iets tegen masturbatiefantasieën is, zolang er maar Gods zegen op rust.

bron: Uit het boek 'Brieven aan geschoolde arbeiders' door Gerard Reve; Veen, uitgevers, Utrecht/Antwerpen; 1985