Jonkeer mr. Jacob Anton Schorer (1866-1957) - Een biografie van homoseksualiteit

From Brongersma
Jump to: navigation, search

De weerzin die seks met minderjarigen in de eerste helft van de twintigste eeuw opriep, lijkt echter veel minder te zijn ingegeven door de zorg over de schade aan de psyche en autonomie van jongeren, die juist vandaag de dag heftige reacties oproept, dan voor vrees voor hun moraliteit. Seks, vooral homoseks zou corrumperen en jongeren (in het bijzonder jongens) hun feitelijke heteroseksuele bestemming ontnemen. Ze zouden er, met andere woorden, homoseksueel van worden. [...] Tegenwoordig zouden wij het verkleinwoord 'jongetje' niet snel gebruiken voor een zestienjarige. Tachtig jaar geleden was een zestienjarige jongen meestal nog wel een jongetje, niet alleen wegens zijn verschijning die ons pre-puberaal zou aandoen, maar vooral vanwege de status die zo'n jongen had in een wereld die nog moest beginnen jeugdcultuur én puberteit uit te vinden. [...]

De zedenpolitie observeerde en intimideerde, ze registreerde en fotografeerde mensen van wie ze wist dat ze homoseksueel waren, en hield een kaartsysteem bij waarin menigeen verzeild raakte zonder ooit de wet overtreden te hebben. Toen het ministerie van Justitie in 1930 een antecedentenonderzoek deed naar de dichter P.C. Boutens, nadat was voorgesteld hem een koninklijke onderscheiding te geven, bleek dat de zedenpolitie al sinds het midden van de jaren tien een kaart met foto van hem bijhield, waarop over een periode van vijftien jaar was bijgehouden met wie hij verkeerde en waar hij jongens oppikte. Boutens is wel eens verhoord, maar er waren nooit strafbare feiten vastgesteld. Zijn onderscheiding kreeg hij niet. [...]

Schorers verzet tegen artikel 248bis had wel degelijk ook met zijn eigen erotische belangstelling te maken. De ging uit naar jongens van Helmuths [16 jaar] leeftijd. De tragiek van de geschiedenis is dat er voor Schorers eigen erotische belangstelling steeds minder plaats lijkt te zijn onder de vlag van de tribe die hij als weinig anderen gediend heeft. [...]

Ondanks Schorers suggestie in Themis van kuisheid in relaties met jongens, stond hij zeker niet aan de kant van Aletrino en anderen die onthouding predikten voor homoseksuelen. Er zijn genoeg aanwijzingen dat hij seksueel actief is geweest, zelfs tot op hoge leeftijd. Maar zoals gewoonte was in vrijwel alle geschriften van de homobeweging voor de Tweede Wereldoorlog (en ook nog deels daarna), verkondigde Schorer in al zijn publicaties, om te beginnen in Themis, dat 'homosexuelen' - net als, zo niet meer dan 'heterosexuelen' - gewoonlijk alleen aan hun 'zinnelijke neigingen' toegaven, wanneer zij 'ware, innige liefde' voor een ander voelden en bij deze 'wederliefde' ondervonden. De werkelijkheid van zowel homo- als heteroseksuelen, en vermoedelijk toch ook die van Schorer, zag er vaak anders uit. De neiging van de nog jonge homobeweging om seksualiteit als een ondergeschikt punt in homoseksuele relaties af te schilderen, ook als ze het recht op erotische beleving verdedigde, én de resolute afwijzing van seks om de seks zijn strategisch begrijpelijk, maar doen in een meer vrijgevochten tijdperk wel wat benauwd aan. [...]

Het Wissenschaftlich-humanitäre Komitee (WHK) richtte zich kort na zijn ontstaan in 1897 met een petitie tot de Duitse Rijksdag om die te bewegen artikel 175 [dat alle homoseksuele handelingen strafbaar stelde] af te schaffen. Het aantal ondertekenaars groeide van tientallen mannen en vrouwen tot drieduizend personen van naam en faam, onder wie niet alleen medici zoals Von Krafft-Ebing, maar ook figuren als de linkse politicus Karl Kautsky en schrijvers als Heinrich Mann, Hermann Hesse en Stefan Zweig. [...]

Hoewel het voor het genezingsproces belangrijk was de betekenis tegenover bijvoorbeeld een (uiteraard sympathiserende) dokter af te leggen, ontbrak in Hirschfelds benadering wel de publieke dimensie van de moderne coming-out. Hierin is Schorer zijn leermeester voorbijgestreefd. In 1932 schreef hij over zijn eigen Nederlandse WHK: 'Het ontbreekt ook vooral nog aan menschen, die zich onder hun vollen naam hier aan willen wijden, en die dat dan ook kúnnen doen in ieder opzicht. Een strijd van anonymi heeft nooit kans op succes.' [...]

'Ontmoedigend werkt echter de steeds geringer wordende steun der eigen gevoelsgenoten,' aldus Schorer in 1932. 'Lotgenoten zijn er genoeg. Hoe jammer dan toch, dat er daaronder zoo weinig zijn, die iets voor onzen strijd voelen. Dat maakt zoo'n ontmoedigenden indruk. Dat vorm dan ook zoo de zwakke zijde van onze zaak, dat de meesten, wien het toch aangaat, zich eenvoudig niets daaraan laten gelegen liggen,' schreef hij kort na hun schriftelijke kennismaking in 1919 aan student Jaap van Leeuwen. van een massale toeloop van homoseksuelen is dus nooit sprake geweest, maar ook niet van werving op grote schaal. De beperkte belangstelling onder gevoelsgenoten schreef Schorer toe aan laksheid en desinteresse, maar ook aan angst [...]. [...]

In elk geval in latere jaren toonde hij zich bewust van het feit dat het er niet altijd toedoet hóe er over je gepraat wordt, áls er maar over je gepraat wordt. In Nederlands-Indië moest in de jaren dertig de stilte die Schorer in 1912 in Nederland zelf ontwaarde, nog doorbroken worden. Zelfs een antihomoseksuele hetze en een veel groter aantal arrestaties dan zich ooit in Nederland bij een zedenschandaal had voorgedaan, kwamen hem toen goed uit. [...] Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zag de situatie er naar Schorers gevoel niet ongunstig uit. Het onderwerp werd in boeken aan de orde gesteld; hij werd door studentengezelschappen wel eens uitgenodigd lezingen te geven. Ook andere organisaties verschaften hem soms een platform voor zijn boodschap. [...]

Het feit dat de zedenpolitie registers van homoseksuelen aanlegde, de betrokkenen naar believen op het bureau ontbood voor het laten maken van een foto, zonder concrete aanleiding werkgevers, ouders of verhuurders informeerde over iemands homoseksualiteit, en er bovendien op los spioneerde, ontnam menigeen het gevoel van rechtszekerheid dat eigen mag worden geacht aan rechtsstaat en burgerschap. [...]

Van de 34 mannen die uiteindelijk terecht hadden gestaan, werd er één op 3 juni 1920 vrijgesproken, terwijl één alleen schuldig werd bevonden aan het aanzetten tot ontucht (artikel 250). Zijn huis was gebruikt als rendez-vousgelegenheid. [...] De helft van de betrokkenen kreeg een veroordeling wegens 248bis aan de broek en had dus met jongens van tussen de 16 en 21 jaar verkeerd. De rest is veroordeeld op grond van zowel 247 als 248bis. De straffen varieerden van drie maanden tot twee jaar opsluiting. De zwaarste straf was voor de bovengenoemde man die zowel artikel 247 als 250 overtreden had. [...] De helft van de mannen [van deze groep] is in de gevangenis terechtgekomen voor zaken waarvoor ze vandaag niet vervolgd zouden worden. Maar wat dat betreft is het glas natuurlijk zowel half vol als half leeg: de andere helft zou vandaag ook vervolgd zijn voor hun contacten met jongens onder de zestien en zou misschien wel zwaardere straffen dan in 1920 opgelegd hebben gekregen. [...]

Homoseksualiteit representeerde in het morele denken van Donner [Minister van Justitie] en anderen zozeer de negatie van de maatschappelijke orde, dat elementaire democratische principes en in de grondwet verankerde rechten er even niet toe leken te doen. Homoseksualiteit stond buiten het sociale contract, verbrak dat zelfs, afgaand op de woorden van de Bossche procureur-generaal, die schreef dat 'het slagen van dergelijk {homoseksuele} propaganda leidt tot een totale verwoesting der zeden en een ondergang van de maatschappelijke orde'. Homoseksualiteit had in perceptie van zo iemand als Donner niets met grondwettelijke vrijheid te maken. [...]

Carp was daarnaast een warm voorstander van castratie van onverbeterlijke zedendelinquenten (onder wie soms personen die wegens 248bis veroordeeld waren voor zaken waarvoor heteroseksuelen vrijuit gingen) en hij had als zovelen in die tijd ook een flinke tik van de eugenetische molen meegekregen. Met een bijdrage in 1936 op een katholiek artsencongres over onvruchtbaarmaking was hij een van de wegbereiders van de castratiepraktijk die vanaf 1938 sommige zogeheten psychopatenasiels opbloeide. In de daaropvolgende dertig jaar belandden zo'n vierhonderd mannen die TBR hadden gekregen (terbeschikkingstelling van de regering) op de operatietafel. [...]

Hirschfeld ging grofweg van een vierdeling uit, waar het op homoseksuele voorkeuren voor leeftijdsgroepen aankwam: pedofielen vielen op prepuberale kinderen, efebofielen op de categorie 14 tot 20 jaar, androfielen op de 21- tot 60-jarigen, en gerontofielen op grijsaards. Een gelijksoortige categorisering met een nu obscure terminologie - korofielen, parthenofielen, gynaecofielen en graecofielen - hanteerde hij voor vrouwen. Tien procent van alle homoseksuelen (mannen en vrouwen) was, gelijkelijk verdeeld, pedo- of gerontofiel. De overige negentig procent zou ook gelijkelijk verdeeld zijn over mannen die op volwassenen vielen en knapenliefhebbers (met ook al een gelijksoortige verdeling onder lesbische vrouwen). Knapenliefhebbers maakten dus 45 procent van het totaal aantal homoseksuelen uit, volgens Hirschfeld. [...]

De vernietiging van zijn archief, het verdwijnen van de bibliotheek [de Nazi's namen in 1945 alle boeken van Schorer in beslag] en de onzekerheid en dreiging die homoseksuelen boven het hoofd hingen, moeten alle grond onder zijn sociale netwerk hebben weggeslagen. Misschien meden mensen hem wel uit angst voor wat de bezetter met homoseksuelen zou gaan doen, en anders heeft hij hen misschien zelf wel ontweken om ze te beschermen. [...]

Wel kreeg Schorer nog een lange brief [naar aanleiding van Schorers laatste brochure over homoseksualiteit] van Edward Brongersma, op dat moment lid van de Eerste Kamer voor de PvdA. De nog jonge senator schreef het helemaal met Schorer eens te zijn, zonder overigens maar met een woord aan te geven dat hij subjectief betrokken was. (Daar lijkt Schorer wel weet van te hebben gehad blijkens een opmerking aan Van Leeuwen die vermoedelijk op Brongersma slaat.) Brongersma schreef ook dat hij zich in zijn positie niet publiekelijk voor de zaak kon uitspreken. Schorer heeft er - op dat moment tevergeefs - op aangedrongen dat wel te doen. Brongersma's eigen moeizame en uiteindelijk publieke strijd, een afgeleide van die van Schorer, lag toen nog in een ver verschiet.

bron: Uit het boek 'Jonkeer mr. Jacob Anton Schorer (1866-1957) - Een biografie van homoseksualiteit' door Theo van der Meer; Schorer Boeken; 2007