Mader vervolgd

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Stel eens dat Donald Mader een gelukkig getrouwde heteroseksuele huisvader was. En stel eens dat hij z'n artistieke naaktfoto's van jongens op een 'neutrale' plaats had laten zien. De vraag is: zou hij dan vervolgd zijn? De feiten liggen nu anders: Mader is niet getrouwd. Hij publiceerde in het blad van Martijn, een op pedofilie gerichte vereniging. En hij exposeerde bij homo-boekhandel Intermale in Amsterdam. Enkele dagen na de opening verscheen de politie en haalde een aantal van de foto's weg. Dat was 13 mei 1987 en sindsdien slepen de zaken tegen Mader en tegen Intermale zich juridisch voort. In februari '88 werd bepaald dat Mader zich voor twee foto's voor de rechtbank zou moeten verantwoorden. Daartegen werd bezwaar aangetekend. Inmiddels heeft het gerechtshof zich uitgesproken. Niet alleen werd het bezwaarschrift verworpen, maar Mader moet zich voor àlle foto's verantwoorden.

De afwijzing van het bezwaarschrift door het Amsterdamse gerechtshof op 7 oktober 1988, is desastreus. Niet alleen voor Mader, maar ook voor de Nederlandse homobeweging. Het hof heeft de definitie van 'kinderporno' ver opgerekt buiten de grenzen die destijds toch behoorlijk door de wetgever leken te zijn afgebakend. Criterium is nu dat de foto's moeten zijn bedoeld om seksueel te prikkelen. En op grond waarvan meent de officier van justitie dat een foto (of tekening!) daarvoor is bedoeld? U raadt het al: staat zo'n foto in een homo- of pedoblad, dan is de maker in zijn bedoelingen kennelijk 'niet fris' (woorden van officier van justitie De Wit) en is de foto pornografisch en strafwaardig. Richt het blad zich op een algemeen, en dus overwegend heteroseksueel publiek, dan worden geen oneerbare bedoelingen verondersteld. Getuige bijvoorbeeld enkele recente nummers van het blad Nieuwe Revu.

Criminalisering van de homocultuur dus. Precies datgene wat de Britse wetgever met zijn beruchte section 28 voor ogen stond. Waar Engeland de wetgever voor nodig heeft, knapt hier het gerechtshof wel op. U bent niet overtuigd? Weet dan dat beide Amsterdamse homoboekhandels inmiddels als mogelijk 'distributiecentra voor kinderporno' tot de voornaamste doelwitten van de zedenpolitie en het parket behoren. Het Openbaar Ministerie is van plan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te eisen. Hier zit ongetwijfeld een politiek motief achter: justitie vindt de maximumstraf voor kinderporno (drie maanden) veel te laag en wil zo de wetgever onder druk zetten om het strafmaximum te verhogen. Speelt ook de American Connection mee? Onwaarschijnlijk is dat niet. De Amerikaanse politie legde bezoeken af bij een aantal familieleden en vrienden van Mader in Amerika. Voor de persoonlijke relaties had dat verstrekkende gevolgen. Na een onvoorwaardelijke straf hier zal Mader bij een eventuele terugkeer naar de VS spitsroeden moeten lopen. De tijd is voorbij dat je in dat land echt iets op je kerfstok moet hebben om wegens 'child abuse' te worden veroordeeld. De meest bizarre en valse getuigenverklaringen kunnen volstaan om een jury het 'schuldig' te laten uitspreken tegen vermeende 'child molesters' en de opgelegde straffen laten zich al gauw in tientallen, soms honderden jaren uitdrukken. Het lijdt geen twijfel dat ook de Amerikaanse justitie met Mader wel raad zal weten zodra hij voet op Amerikaanse bodem zet.

Vanzelfsprekend gaat Maders advocaat mr. W.J. Bennekom in cassatie bij de Hoge Raad. Intussen echter heeft het gerechtshof Mader, maar ook de homobeweging een enorme slag toegebracht. Eerlijk gezegd: tot nu toe zag ik, evenals de meeste andere geïnteresseerden, deze zaak als weliswaar vervelend, maar toch ook als een betrekkelijke farce van overijverige justitie-ambtenaren, die uiteindelijk niet tot een veroordeling zou leiden. Wat zijn we inmiddels ontnuchterd! Ik schreef het al eerder in dit blad: een veroordeling in deze zaak betekent een bedreiging voor de homobeweging. Wie daarvan nu nog niet overtuigd is, zal wel nooit te overtuigen zijn.

bron: Artikel 'Mader vervolgd' door Jan Schuijer; SEK (uitgave COC); januari 1989