Om de vrijheid van het kind

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: Peter van Eeten

In het voorjaar van 1971 interviewde Willem Duys in zijn populaire televisieprogramma Voor de vuist weg de moeder van een vierjarig meisje dat het slachtoffer was geworden van een verkrachting. Daarbij maakte hij nogal wat verontwaardiging los bij genuanceerder denkende kijkers door te zeggen dat hij, als een van zijn kinderen zoiets overkwam, de verkrachter graag met eigen hand zou doodslaan, een opmerking die bij zijn publiek in de zaal een emotionele bijval verwekte.

Reacties in ingezonden-brievenrubrieken leerden ondertussen dat ook heel wat mensen buiten de zaal de woorden van Duys van harte konden toejuichen, en velen zullen die reactie, al zullen ze op rationele gronden zelf niet zo reageren, toch redelijk kunnen begrijpen.

Toch zit er, geloof ik, én in de reactie van Duys én in de bijval van zijn publiek, een irrationeel moment, en dit ondanks het feit dat er, in het geval van dit vierjarig meisje, wel degelijk sprake was van een misdrijf. Het kind liep vrij ernstig lichamelijk letsel op; het was mishandeld, en de rechterlijke macht moest dus ingrijpen - zoals bij elke mishandeling, van wie dan ook.

Maar merkwaardig is dat we maar zelden, bij welke mishandeling, van wie dan ook, een reactie kunnen constateren die qua emotionaliteit vergelijkbaar is met die van Duys. Haast is het tegendeel waar: er worden in ons land elk jaar duizenden kinderen mishandeld, bijvoorbeeld door hun ouders. Deskundigen op het gebied van de kinderbescherming wijzen daar voortdurend op, maar de publieke opinie blijft er vrij lauw en onverschillig onder.

Reacties zoals die in het programma van Duys treden vrijwel uitsluitend op als het een geval betreft van seksuele mishandeling, en het is vrij waarschijnlijk dat de verontwaardiging daarbij meer voortkomt uit het seksuele element dan uit de mishandeling als zodanig. Sterker nog: de seksuele handeling lijkt op zichzelf voldoende om bij een groot deel van de bevolking een diep afgrijzen te wekken.

Op nog een andere manier is de bijzondere positie van het seksuele delict, speciaal als er kinderen bij betrokken zijn, gebleken toen het maandblad Sextant in oktober 1970 een beschouwing van mijn hand over pedofilie publiceerde, gevolg door het beknopte levensverhaal van een pedofiel. Het ministerie van justitie gebruikte uitgerekend die publikatie om de koninklijke goedkeuring op een statutenwijziging van de NVSH te weigeren, en het zinspeelde zelfs op de mogelijkheid van een verbod van de vereniging.

Een van de merkwaardigste argumenten van de minister en zijn adviseurs kwam hierop neer dat 'ontucht' met kinderen nog altijd een misdrijf was, en dat de NVSH op geen enkele manier had laten blijken dat ze de inhoud van de twee artikelen afkeurde.

Nu was die inhoud een duidelijk pleidooi voor het ter discussie stellen van juist die bepalingen uit onze strafwet die het seksuele kontakt met kinderen tot een misdrijf stempelen, en hier deed zich dus het vrijwel unieke feit voor dat een minister van justitie bezwaar maakte tegen de discussie over een wetsartikel. Zo'n discussie is waarschijnlijk over praktisch ieder ander wetsartikel mogelijk, zelfs over die over moord of doodslag, maar als het over seksualiteit gaat, en in het bijzonder die van kinderen, is zelfs een juridisch geschoold minister niet tot een redelijke reactie in staat.

Je zou met dat feit vrede kunnen hebben als de schadelijke gevolgen van de seksuele delicten een duidelijk voor iedereen zichtbare werkelijkheid waren. Maar in de meeste gevallen is dat niet zo. In het geval van het vierjarig meisje was er overduidelijk sprake van lichamelijk letsel, van een geval van mishandeling dat de maatschappij niet kan laten passeren zonder in te grijpen. Maar in de meeste gevallen is de schade aan het kind niet zo duidelijk te constateren: er wordt dan verondersteld dat er een psychische schade is.

Als die schade zo groot zou zijn als de emotionaliteit van de reacties op een seksueel delict zou doen verwachten, zouden over de beklagenswaardige slachtoffers van zulke delicten moeten rondlopen. En eigenlijk weet iedereen wel dat dit niet zo is: de gevallen die dr. Bernard in dit boek publiceert maken op z'n minst aannemelijk dat ook de psycholoog geen verband kan leggen tussen een seksueel kontakt op jeugdige leeftijd en ernstige stoornissen tijdens de volwassenheid.

Enige kennis van psychiatrische literatuur volstaat trouwens om te weten dat Bernards onderzoek eigenlijk overbodig was. Zou immers een seksuele relatie, of ten minste een gedwongen seksueel kontakt op jeugdige leeftijd, zulke ernstige psychische gevolgen hebben als de openbare mening kennelijk veronderstelt, dan zou dat allang uit een groot aantal ziektegeschiedenissen van psychiatrische patiënten, vooral met stoornissen op seksueel gebied, gebleken zijn. Maar de psychiatrie wijst in het overgrote deel van de gevallen heel andere oorzaken aan voor allerlei seksuele stoornissen, zoals gezinsomstandigheden in de kleuterleeftijd.

Wat is het dan toch dat die diepe huiver doet ontstaan, niet alleen voor gewelddadige verkrachtingen van kinderen (in dat geval is ze begrijpelijk), maar in het algemeen voor bijna iedere seksuele handeling waarbij een kind betrokken is? Wat brengt, blijkens een recent krantebericht over een middel tot vermindering van de seksuele aandrang, een Duitse vrouwelijke arts ertoe dat preparaat voor te schrijven voor een vierjarige, wegens 'excessief onaneren'?

Ik geloof dat we hier heel simpel te maken hebben met een uiterst krachtig restant van wat ik gemakshalve de victoriaanse opvatting over het seksuele wil noemen. Die werkt nergens zo sterk door als wanneer we onze, overigens soms o zo verlichte, opvattingen over de lustbeleving moeten toepassen op het kind en de seksuele opvoeding.

Voor de mens in het victoriaanse tijdperk was het kind in seksueel opzicht een onschuldig wezen, wat betekende dat het geacht werd vrij te zijn van die gevoelens en neigingen die bij uitstek negatief gewaardeerd werden: de erotische. Het betekende ook dat men het kind, het reine en onschuldige, zolang mogelijk moest vrijwaren voor een confrontatie met alles wat met sex te maken had, en dat men, zo gauw die seksualiteit zich desondanks dreigde te gaan manifesteren, in die gevaarlijke periode die men ging aanduiden met de term 'puberteit', alles moest doen om het monster getemd te houden.

Tot welke excessen dat alles aanleiding gaf, bijvoorbeeld bij de bestrijding van de masturbatie (de pil van die Duitse arts moest toen nog uitgevonden worden!), heeft dr.J.van Ussel ons laten zien in zijn Geschiedenis van het seksuele probleem.

Pas de Weense zenuwarts Sigmund Freud, grondlegger van de psychoanalyse, een man die zelf opgegroeid was in het victoriaanse tijdperk, kwam in zijn praktijk tot een voor die tijd verbijsterende ontdekking: het kind, tot dat ogenblik een seksueel 'onschuldig' wezen, bleek 'polymorf pervers' te zijn. Het had seksuele gevoelens en wensen van de meest uiteenlopende aard (bijvoorbeeld orale, anale, sadistische, genitale) en gericht op alle mogelijke objecten, zijn ouders in de eerste plaats, maar ook allerlei andere personen in zijn omgeving. Het had niet alleen de neiging met het eigen geslachtsdeel te spelen, en dat lang voor de puberteit, maar ook met die van anderen.

Freuds ontdekking, of liever herontdekking, van de kinderlijke lustgevoelens is van enorm belang geweest. We mogen waarschijnlijk op dit ogenblik wel aannemen dat ze tamelijk als feit aanvaard wordt. Dat is op zichzelf al een belangrijke stap vooruit, maar werkelijk beslissend, in positieve of negatieve zin, is pas de volgende stap. Als we erkennen dat het kind seksuele lustgevoelens ervaart, moeten we antwoord geven op de vraag wat we met die wetenschap zullen doen.

Noemen we het kind met Freud 'polymorf pervers', en vatten we daarbij het begrip 'pervers' in negatieve zin op, dat betekent de stap vooruit bijna automatisch een stap terug. We komen er dan toe de seksualiteit van het kind zoveel mogelijk te onderdrukken. In de wetenschap dat het kind seksuele lustgevoelens heeft, blijven we in feite op juist die gevoelens de victoriaanse, anti-seksuele opvattingen toepassen.

We mogen rustig aannemen dat dit op het ogenblik in onze maatschappij nog altijd het overheersende opvoedingspatroon is. Wel wordt er op steeds grotere schaal, op scholen en gezinnen, voorlichting gegeven over eitjes en zaadjes, over kindertjes die groeien in de buik van de moeder, en zelfs over de manier waarop die kindertjes daar komen, maar er ligt nog altijd een geweldige kloof tussen de althans met de mond beleden positieve waardering van de lustbeleving in het algemeen en de toepassing ervan op de kinderlijke seksualiteit.

Bij onze opvattingen over het heteroseksuele geslachtsleven is het accent van de voortplanting als doel verschoven naar de lustbeleving. Andere uitingen van de seksualiteit, en met name de homofilie, nog geen vijfentwintig jaar geleden bijna even veracht en gevreesd als nu de pedofilie, raken in steeds bredere lagen van de bevolking geaccepteerd.

Nederland was het eerste westerse land waar sinds de victoriaanse tijd de wetgeving zo geliberaliseerd werd dat er geen enkel onderscheid meer wordt gemaakt tussen homo- en heteroseksuele kontakten; voor beide is nu de grens van strafbaarheid zestien jaar. En het opmerkelijkste was dat die wetswijziging onder meer werd gemotiveerd met het belang dat de jongeren hebben bij een vroegtijdige vrijheid om te experimenteren en seksuele ervaringen op te doen.

Maar bij de grens van zestien houdt dat belang nog altijd op. Zo gauw een kind jonger is, en vooral als het nog niet of nauwelijks geslachtsrijp is, wordt de seksualiteit toch blijkbaar weer als iets gevaarlijks, bedreigends of bezoedelends ervaren. En dat kan maar heel ten dele komen door het foutieve denkbeeld dat kennismaking met seksualiteit voor een kind altijd verkrachting met zich meebrengt. Ook veel minder bedreigende uitingen van de seksualiteit, zoals het aanraken en strelen van de genitaliën, zullen de meeste mensen afwijzen.

Heel dikwijls, als het motief niet is dat het schadelijk is voor het kind, zullen we dan te horen krijgen dat het er 'nog niet rijp' voor is. Maar wat heet nog niet rijp? Natuurlijk kan een meisje van vier geen coïtus plegen met een volwassen man, maar bijna ieder ander erotisch kontakt is voor een kind net zo goed mogelijk als voor een oudere.

De zaak is dat we misschien wel de seksuele lustgevoelens van het kind als wetenschappelijk feit erkennen, maar dat we ze nog altijd bij lange na niet in al hun uitingen volledig accepteren. Toch zou een werkelijk positieve waardering van de seksualiteit als consequentie hebben dat het kind van 'polymorf pervers' weer 'onschuldig' wordt, in die zin dat we juist de kinderlijke seksualiteit weer als onschuldig gaan zien.

Willen we met de seksuele opvoeding ernst maken, dan moeten we er ons van bewust worden dat er in onze tegenwoordige houding een niet ongevaarlijke paradox zit, die de negatieve en angstige houding tegenover het seksuele onnodig lang in stand houdt. Over de eitjes en zaadjes en kindertjes heb ik het nu niet. Dat is in feite biologie. Het gaat me om de opvoeding tot seksualiteitsbeleving, in feite verreweg het belangrijkste onderdeel van wat we seksuele voorlichting plegen te noemen.

Die opvoeding is bij de huidige praktijk eigenlijk vrijwel onmogelijk, want hoe willen we dat een kind de seksuele lustgevoelens als positief leert ervaren en waarderen, wanneer het hemzelf verboden is zulke gevoelens te hebben of op te wekken?

Positieve waardering van de erotiek zou voor de seksuele opvoeding moeten betekenen dat daar waar die opvoeding nu in de meeste gevallen begint, in het gezin, niets wat op het seksuele betrekking heeft meer verheimelijkt wordt. Wie iets verheimelijkt, schaamt zich ervoor, en die houding wordt bijna zeker op het kind overgebracht.

Het kind zou zijn ouders en andere gezinsleden naakt moeten kunnen zien; het zou ook van jongs af aan alle liefdesuitingen, vrij moeten kunnen waarnemen. Het zou op vragen over dat alles het enig juiste antwoord moeten krijgen: dat die handelingen verricht worden omdat ze prettig zijn en genegenheid uitdrukken.

Maar tegelijk zou er bij het kind niet de geringste twijfel mogen kunnen ontstaan over de vraag of hijzelf zulke handelingen mag verrichten. Geen enkele uiting van de kinderlijke seksualiteit zou onderdrukt mogen worden: niet het spelen met de eigen genitaliën, niet de wens om met broertjes of zusjes, vriendjes of vriendinnetjes seksuele spelletjes te spelen - en ook niet de neiging om het met de ouders of met andere volwassenen te doen.

Een of meer van die dingen tegengaan, betekent in de overgrote meerderheid van de gevallen geen bescherming van het kind, maar onderdrukking, aantasting van zijn vrijheid.

We zijn zo langs een heel andere weg dan meestal gebruikelijk teruggekomen op het eigenlijke onderwerp van onze beschouwingen: de pedofilie. En we zien dan meteen dat dit woord, of tenminste datgene wat we er over het algemeen onder verstaan, eigenlijk onjuist is.

Als we over een 'pedofiel' spreken bedoelen we iemand die 'de neiging heeft tot seksueel kontakt met kinderen'. De term suggereert een eenrichtingsverkeer: het is de oudere die zich seksueel tot de jongere voelt aangetrokken. Het kind dat de neiging heeft tot seksueel kontakt met ouderen bestaat voor ons taalgebruik niet; het heeft geen naam. En als het tot zo'n seksueel kontakt komt, is het weer de oudere die 'ontucht pleegt' met het kind, nooit omgekeerd.

In praktisch alle uitspraken over pedofilie, ook en vooral die van psychiatrische zijde, wordt het verschijnsel louter en alleen gezien als een min of meer dwangmatige neiging van de volwassene, die schadelijk is voor het kind, die daarom de oudere als een misdrijf of ontsporing wordt aangerekend (psychiaters zullen dan de neiging hebben hem van zijn verlangens te genezen) en waarbij, als het kontakt van de jongere is uitgegaan, hem dat alleen daarom niet wordt aangerekend omdat hij de schadelijkheid ervan (nog) niet beseft. Zelfs dan wordt de mythe van de onschuld in stand gehouden...

Uit de voorgaande beschouwingen moet al duidelijk geworden zijn dat deze hele visie eigenlijk geen poot heeft om op te staan, omdat ze van twee hoogstwaarschijnlijke onjuiste veronderstellingen uitgaat:
1. dat seksuele handelingen voor kinderen schadelijk zijn;
2. dat er bij seksueel kontakt tussen volwassenen en kinderen sprake is van eenrichtingsverkeer, in die zin dat de oudere 'zijn lusten botviert op het kind' of, nog merkwaardiger formulering, 'het kind tot lustobject degradeert'.

De bestaanbaarheid van een dergelijke woordcombinatie is onthullend en verbijsterend: alsof het een degradatie zou inhouden lustobject te zijn. Bij ieder goed seksueel kontakt is de een lustobject voor de ander - en de ander voor de een. Bij het kontakt tussen een kind en een volwassene is dat natuurlijk niet plotseling anders. Lust is wel wat meer dan het orgasme alleen, het is ook een algemeen lichamelijk en psychisch welbehagen, warmte, genegenheid, en het kind ervaart die gevoelens evengoed als de oudere.

Ik meen uit volle overtuiging te kunnen stellen dat het hele probleem van de pedofilie een schijnprobleem is. Zo gauw we in ernst de kinderlijke lustgevoelens accepteren en respecteren valt het automatisch weg. De angst van de opvoeder wordt dan even irreëel als de schuldgevoelens van de volwassene die seksueel kontakt met een kind heeft gehad.

Net als bij zoveel andere seksuele zaken is het probleem daarmee teruggebracht tot een probleem van de maatschappij, dat voor wie alles tot in zijn uiterste consequenties doordacht heeft bijna oninvoelbaar wordt.

bron: 'Om de vrijheid van het kind' door Peter van Eeten; Uit het boek 'Sex met kinderen' door dr.F.Bernard, dr.E.Brongersma, Ids Haagsma, dr.W.J.Sengers en Peter van Eeten; Stichting Uitgeverij NVSH; 's-Gravenhage; 1972