Pas op voor de kinderlokker! of de bescherming tegen genot

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Het is geen goede politiek, juiste definities te zoeken en dan eventueel begrip voor 'minderheden' te vragen; definities, kriteria en het minderheidsbegrip zelf moeten in vraag gesteld worden en eventueel als niet-relevant of onbestaande afgeschreven worden. Gevaarlijk is dus dat vooraf opgestelde kategorietjes gebruikt worden om zogezegd feitenonderzoek mee te doen, waardoor dikwijls 'bewezen' wordt wat men wou bewijzen. De gegevens in verband met pedofilie zijn dikwijls afkomstig van mensen die met justitie of psychiaters in aanraking gekomen zijn, m.a.w. mensen die op vaak gewelddadige wijze geleerd hebben hun daden en gevoelens te kontroleren, te oordelen, vaak te veroordelen, die zich in elk geval anders gedragen en zien dan waren zij niet met deze instanties gekonfronteerd geweest, die m.a.w. absoluut niet representatief (meer) zijn. [...]

De ganse beroering rondom pedofilie kan allicht slechts begrepen worden vanuit twee met elkaar samenhangende houdingen in de burgerlijke maatschappij. Ten eerste is er de ondanks enkele gedeeltelijke bevrijdingen en veel getheoretiseer blijvende afkeer of tenminste wantrouwen tegen seksualiteit: indien pedofilie aangeklaagd wordt wegens de seksuele elementen in de liefdesbeleving wijst dit op een negatieve waardering van genot en seksualiteit. [...] De tweede faktor in de algemene verontwaardiging omtrent pedofilie is nog fundamenteler. Hij hangt samen met het koncept 'kind'. Er wordt wel eens vergeten dat ook dit begrip historisch-sociologisch moet gerelativeerd worden. Als andere kulturen in tijd en ruimte totaal anders stonden tegenover seksualiteit en tegenover kinderen, kan het ook geen verwondering wekken dat pedofilie niet als probleem ervaren werd, zelfs niet opgemerkt werd; dat integendeel een seksueel niet aktief kind als ziek of achterlijk zou gezien worden. [...]

Eerst en vooral moet een onderscheid gemaakt worden tussen de kans tot (seksueel) genot (van het zogenaamde slachtoffer) en gevaar voor fysische [Vlaams voor fysieke] pijn of ander geweld. Ten tweede dient gedacht te worden aan alle andere gewelduitoefeningen waaraan kinderen blootstaan vanwege volwassenen (mishandelingen, opvoeding). Ten derde moet ook rekening gehouden worden met de nefaste gevolgen van de opwinding van volwassenen over feiten die het kind als niet zo uitzonderlijk ervaren had. Ten vierde kan de vraag gesteld worden of de grote strafbaarheid op dit gebied niet een aantal misdaden uit angst in de hand werkt. Tenslotte kan gewezen worden op de tegenstelling tussen pedofilie als liefde voor kinderen en geweldpleging: kan een zogenaamde pedofiel diezelfde kinderen van wie hij of zij houdt, tezelfdertijd pijn doen? En zou dit procentueel meer voorkomen dan geweld, verkrachting en agressie tussen volwassen partners (wat nooit aanleiding geweest is om volwassen seksualiteit te verketteren)? [...]

Zolang het kind onmondig gemaakt en gehouden wordt door het uit de volwassenwereld te sluiten en zolang bepaalde maatschappelijke krachten een verkeerde seksuele houding in de hand werken, moet niet aan een "oplossing" gedacht worden van het "probleem" pedofilie - probleem omdat diezelfde maatschappij dit probleem geschapen heeft.

bron: Artikel 'Pas op voor de kinderlokker! of de bescherming tegen genot' door Bob Carlier; De Rooie Vlinder, nr. 1; december 1976