Positieve pedofilie en de invloed van het maatschappelijke klimaat

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: C.C.

Al tientallen jaren bestaan er ook beschrijvingen van positief beleefde seksuele vriendschappen en contacten tussen kinderen/pubers en significant oudere personen. De burger weet dit niet en de experts die het weten, verzwijgen het. De veronderstelling dat 'pedoseksualiteit' per definitie schadelijk is, is onjuist maar wel begrijpelijk, vanwege de eenzijdige maatschappelijke informatiestroom en de aanlokkelijkheid van populaire en acceptabele uitspraken.

De psycholoog Theo Sandfort deed eind jaren zeventig/begin jaren tachtig onderzoek naar seksuele contacten binnen vriendschappelijke relaties tussen jongens en mannen. Hij tekende de getuigenissen op van vijfentwintig jongens tussen tien en zestien jaar oud, gemiddeld dertien jaar en vier maanden oud. Deze waren overwegend erg positief. De excuses die door vooraanstaande seksonderzoekers - waaronder Masters en Johnson - werden aangedragen om dit onderzoek terzijde te schuiven, tonen in een notendop het 'wetenschappelijk' niveau op dit gebied. Momenteel heeft Sandfort een spreekverbod met betrekking tot pedofilie, omdat het een te heikel studiegebied is. Penthouse bijvoorbeeld schilderde zijn universiteit af als een instituut dat kinderseks promoot.

In 1998 publiceerden drie Amerikaanse wetenschappers een studie van alle voorgaande Engelstalige studies over seks tussen volwassenen (m/v) en minderjarigen (m/v). Deze 'meta-analyse' bevond dat er zowel positief als neutraal als negatief beleefde sekscontacten voorkomen (in allerlei settings, van langdurige liefdesrelaties tot incestueuze verkrachtingen). De onderzoekers leverden ook kritiek op de methodologische tekortkomingen die veel onderzoek op dit gebied kenmerken (bijvoorbeeld: men doet alleen onderzoek onder klinische en forensische populaties; men heeft geen oog voor de negatieve instelling van de maatschappij als invloedsfactor). Het onderzoek van deze wetenschappers (Rind, Bauserman, Tromovitch) werd unaniem door het Amerikaanse congres veroordeeld. Het congres verzocht om 'verantwoord onderzoek, zodat publiek en beleidsmakers met nauwkeurige informatie kunnen werken', en motiveerde de resolutie: 'omdat kinderen een kostbare gift en verantwoordelijkheid zijn die door God aan ouders wordt gegeven'. De Amerikaanse God als zedenwetgever.

Geen onderzoeker waagt zich nog aan de bestudering van de gevolgen van seksuele contacten tussen jong en oud in niet-klinische en niet-forensische context (dus onder subjecten die geen psychische hulpverlening krijgen en niet met de wet in aanraking zijn gekomen). Men zou immers strafbaar zijn als men strafbare feiten niet aangeeft. Het is daarom naïef om te veronderstellen dat in dit maatschappelijke klimaat het laatste woord is gezegd over de intrinsieke gevolgen van allerlei soorten seksueel/intiem contact tussen personen boven en onder een bepaalde leeftijd. Wie zulke contacten veroordeelt, heeft alle wind mee (erkenning, subsidie, de winst van de hulpverleningsbranche, politieke inkoppers). Wie zulke contacten durft te verdedigen, heeft alle wind tegen (stigmatisering, gebrek aan uitgevers, verwijdering van website door provider, outing als potentiële zedenmisdadiger, bedreiging, verlies van baan, verlies van vrienden en familie, vervolging door overheid). Dat is altijd zo geweest. Een eerlijke strijd?

Men komt dan al gauw met de redenering dat het moeilijk is om te bepalen of een kind of tiener werkelijk seks wil. De jongere zou niet aan die beslissing toe zijn. Hier past wellicht een analogie. Er zullen volwassen geworden christenen zijn die alleen maar positief terugdenken aan hun christelijke opvoeding. Er zullen volwassenen zijn die met volslagen tevredenheid terugkijken op hun basisschool- en middelbare-school-carrière. Er zullen beroemde pianisten zijn die dankbaar terugkijken op de pianolessen uit hun kindertijd. Een consistent bezwaar zou dan luiden dat het moeilijk is om te bepalen of het kind dat werkelijk heeft gewild, dat het kind veel te jong is om die beslissing in vrijheid te nemen en dat de volwassene zijn macht misbruikt.
Men meet met twee maten: in het geval van seks is alles anders (zegt men) dan bij alle andere vormen van interactie tussen kinderen/pubers en volwassenen en bij alle andere beslissingen die door kind en volwassene (of zelfs alleen maar door de volwassene) genomen worden. Volwassenen stippelen voor een kind een hele of halve levenswandel uit, maar seksuele intimiteit (wat niet hetzelfde is als anale/vaginale penetratie!) zou uit den boze zijn, omdat het kind te jong zou zijn om aanwijsbaar zelf enige inbreng te hebben. Zoals de Zutphense officier van justitie A. Poerink laatst zei tijdens de veroordeling van een volwassen vrouw voor een seksuele relatie met een dertienjarige jongen: "Het doet er niet toe wat voor gevoel een jongen van dertien jaar heeft. Het was de verantwoordelijkheid van mevrouw K., niet van de jongen." De jongen had gezegd: "Ik vind niet dat ze gestraft moet worden, want ik wilde het zelf ook." De vrouw werd tot werkstraf veroordeeld (Deventer Dagblad, 14 juni 2001). Een man was waarschijnlijk zwaarder gestraft en heviger verguisd, vanwege een mix van homofobie en het radicaal-feministische idee van de man als geweldenaar. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk was de vrouw (of de analoge man) op een publieke 'sex offender register' gekomen, keurig genoteerd tussen de serieverkrachters. In de VS heet de daad van de vrouw 'statutory rape'. Wat krijgt de 'verkrachte' jongen nu? Slachtoffertherapie? En de vrouw? Moet die niet in goedgesubsidieerde dadertherapie om haar pedofiele ziekte te bedwingen?

De door mij vermelde onderzoekers Rind, Bauserman en Tromovitch bevonden overigens dat 'simple consent' (de mogelijkheid om ja of nee te zeggen) een relevante variabele is voor de beleving van een seksueel contact dat men in de kindertijd heeft.

Over het meten met twee maten gesproken. De American Psychological Association (APA), die zich na druk vanuit de politiek, christelijk rechts, de media en psychiatrische groeperingen distantieerde van de uitkomsten van het onderzoek van Rind c.s. (met o.a. het argument: 'children cannot consent'), sprak zich uit vóór de mogelijkheid voor tienermeisjes om zonder ouderlijke toestemming een abortus te krijgen.

De APA schreef ter ondersteuning van dat pleidooi: 'Psychologische theorie over en onderzoek naar cognitieve, sociale en morele ontwikkeling steunt in sterke mate de conclusie dat de meeste tieners bekwaam zijn om geïnformeerde beslissingen te nemen over belangrijke kwesties in hun leven.' Bij geïnformeerde beslissingen spreekt men van 'informed consent'. Op het gebied van de seksualiteit zet men mensen aan de lopende band in de gevangenis en in verplichte therapie (en haat het volk hen zozeer dat zij zelfmoord begaan), met de drogredenering dat men onder een arbitraire leeftijd - zestien in Nederland - niet eens tot 'simple consent' in staat is.

Niet alleen integere mensen die op kinderen en/of pubers vallen wordt onrecht aangedaan. Kinderen lijden onder het sociale paniekklimaat. Links en rechts melden mensen dat ze jongeren niet meer durven aan te raken, uit angst beschuldigd te worden van seksueel misbruik (de enige soort van misbruik die er bestaat, lijkt het). Juist bij de opvoeding zijn aanraking, warmte, beweging echter cruciaal. Velen gaan voorbij aan de psychologische uitwerking - op jong en oud - van een samenleving die overwegend bezig is met een discours over misbruik; een klimaat waarin het 'negatieve' centraal staat.

In de jaren tachtig en negentig waren er veel zaken van verondersteld kindermisbruik op kinderdagverblijven en scholen (bijv. de McMartin-zaak in de VS en de Oude-Pekela-zaak in Nederland). Deze zaken werden gekenmerkt door een totaal gebrek aan bewijs, behalve de beweringen van gemanipuleerde kinderen - 'kinderen liegen niet', zei men. Onschuldige mensen die in dergelijke zaken verwikkeld raakten, hebben lange gevangenisstraffen gekregen. Een verwante mythe was het in de jaren tachtig gepopulariseerde freudiaanse idee van hervonden herinneringen aan seksueel misbruik. Thans is bekend dat suggestie (en die is er in dit klimaat te over) mensen ertoe kan brengen te geloven dat ze afgrijselijk misbruikt zijn, ongeacht wat ze in het echt hebben meegemaakt (zo al iets), en hoe ze oorspronkelijk zelf oordeelden over wat ze meemaakten. Zo werden vele kinderen ertoe gebracht te geloven dat ze slachtoffers waren van bizar misbruik, dat ze voor het leven getekende 'survivors' waren, en worden jongeren die seksueel contact met een oudere persoon hebben gehad (bijvoorbeeld de jongen uit Zutphen) nog altijd standaard gezien als slachtoffers. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat er geen echt misbruik plaatsvindt, dat mensen die op jongeren vallen geen vlieg kwaad kunnen doen, of dat mensen niet door frustratie tot kinderverkrachting en -moord komen. Maar het is onverdedigbaar om een labiele maatschappij te funderen op de emoties die voortkomen uit het bestaan van werkelijk misbruik.

De gedachte dat alle intimiteit gelijkstaat aan psychische en/of fysieke dwang en dito schade veroorzaakt, is vanaf de tweede helft van de jaren zeventig in Amerika centraal komen te staan en heeft anno 2001 postgevat in de hele westerse wereld. Zo kan het gebeuren dat de Europese Commissie de leeftijdsgrens voor seksuele contacten nu op achttien wenst te stellen. Welcome to America.

Het denken in termen van 'daders' en 'slachtoffers' en in 'pedofielen' en 'niet-pedofielen' is een tegenreactie op recente liberaliseringen binnen een traditioneel ascetische maatschappij, die qua jeugdemancipatie, seksuele hervorming en ethische plaatsbepaling nog een lange weg heeft te gaan. Er moet een brede maatschappelijke discussie komen, want niemand is tevreden.

bron: Artikel 'Positieve pedofilie en de invloed van het maatschappelijke klimaat' door C.C. [edit] (C.C. (20) is voorzitter van de vereniging Martijn, voor ouderen-kinderen-relaties); Ingezonden aan een krant, niet gepubliceerd; juni 2001