RAI congres - Hulpverlening en actie door de Landelijke Werkgroep Pedofilie

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: Hans Zwerus

Dames en heren,

Zoals in het openingswoord al is opgemerkt zijn wij vandaag blij als bedroefd, blij omdat het in Nederland mogelijk is om vandaag met elkaar wat nader in te gaan op het verschijnsel pedofilie en kinderseksualiteit. Immers, in de meeste ons omringende landen, bestaat deze mogelijkheid niet. Wat dit betreft zitten wij in Nederland, althans relatief gezien, niet slecht. Maar laten wij niet te optimistisch zijn, want aan de andere kant zijn wij bedroefd omdat zoiets door en door menselijks steeds verdedigd moet worden. Het kind, met nadruk stel ik vast zowel de jongen als het meisje, wordt niet serieus genomen in zijn of haar gevoelens en omdat er in Nederland - wij zijn hier vandaag niet voor niets bij elkaar - nog steeds sprake is van veel onbegrip en diep gewortelde emotionele weerstanden ten aanzien van kinderseksualiteit en pedofilie. Deze weerstanden, hoe vanzelfsprekend ze ons ook voor mogen komen, hebben niet altijd bestaan. Ik durf te beweren dat 400 jaar geleden het verschijnsel pedofilie, zoals wij dat hier kennen, niet eens heeft bestaan. Dat wij het vandaag als problematisch ervaren is het gevolg van een niet zo lang historisch en maatschappelijk proces. Ik zou graag weliswaar wat summier om de tijdswille in willen gaan op 2 historische ontwikkelingen, die in het bijzonder ertoe hebben bijgedragen dat vandaag de dag kinderseksualiteit en pedofilie bij ons zo problematisch zijn geworden.

De eerste ontwikkeling is ons doorgaans onbekend. Huizinga schrijft in zijn fantastisch werk "Herfsttij der Middeleeuwen' dat wij, dus de moderne mens, ons doorgaans geen voorstelling kunnen maken van de teugeloze buitensporigheid en ontvlambaarheid van het middeleeuwse gemoed. Wanneer wij zijn eerste hoofdstuk lezen dat terecht "des levens felheid" wordt genoemd, dan valt ons het volgende op: "De geweldige hartstocht die èn de volken èn de vorsten heeft bezield". Vandaag de dag zouden we zeggen het is een soort - en ik bedoel dit niet denigrerend - achterbuurtmentaliteit. Langzaam maar zeker komt er een kentering in deze situatie, de hartstochten worden beteugeld. Volgens Van Ussel is dit vooral het gevolg van het feit dat de burgerij als klasse sterk komt opzetten. Deze klasse legt haar waarden, haar rationaliteit, haar mensbeeld op aan de hele maatschappij. In de 19e eeuw is deze burgerlijke denkwijze praktisch algemeen aanvaard. Geleidelijk aan ontstaat er een nieuw type mens, de moderne mens. Hij is beschaafd, deze leert afstand te nemen van zijn eerste spontane opwellingen en driften, leert deze te beheersen en uit te stellen ten gerieve van beter aangepaste en rationele reacties. De burger moet hard werken,sparen en kan aan lust of directe behoeftebevrediging geen ruimte en tijd geven. Van al de menselijke driften wordt die der seksualiteit in het bijzonder zwaar onderdrukt en aangepakt. Van Ussel noemt dit het verpreutsingsproces. De verleidelijke en verspillende weg der wellust moet worden uitgebannen. Uiteindelijk worden van al de mogelijke seksuele uitingsvormen en dat zijn er nogal wat, alleen die erkend die binnen het kader van ons instituut het huwelijk functioneel zijn, d.w.z. die alleen de voortplanting dienen. Deze visie is zeer beperkt en daarom uiterst repressief.

De tweede ontwikkeling is ons doorgaans ook onbekend. De volwassenen worden meer volwassen en de kinderen worden meer kinderen, blijven langer kind. Lea Dasberg schildert in haar boek "Grootbrengen door klein houden" de ontwikkeling van de formele scheiding die vooral na 1750 is ontstaan, wederom door de burgerlijke klasse tussen de volwassene en het kind. Langzamerhand ontstaan er aparte leeftijdscategorieën. Aan de ene kant die van de volwassene en aan de andere kant die van het kind, waaraan men specifieke eigenschappen toeschrijft. Het kind wordt grappig, lief, eerlijk, maar bovenal wordt het onschuldig en deze onschuld wordt steeds meer seksueel geïnterpreteerd, totdat wij tenslotte komen tot het beeld van het aseksuele en onschuldige kind dat beschermd dient te worden tegen kwalijke invloeden van buitenaf. Misschien is het leuk om dit te illustreren aan een voorbeeld. Wij kennen allemaal, tenminste dat neem ik aan als inwoners van een calvinistisch land, het verhaal van Potivar en Jozef. De eerste kinderbijbels dateren uit het begin van de Verlichting. Seksualiteit, dood en geweld, eerst nog realistisch vertolkt, verbleken steeds meer in een verhullende en infantiliserende weergave. In het verhaal over Jozef en de vrouw van Potivar is in 1716 in de kinderbijbel nog sprake van het geile wijf en in 1811 van ontucht en overspel. In 1873 is het al veel neutraler; de boze vrouw, die hem tot zonde wilden verleiden. In 1911 wordt het, laat ons het er nu eens goed van nemen en eten, drinken en vrolijk zijn. En tenslotte in 1931 gaat het alleen maar over iets lelijks laten doen.

Door deze beide ontwikkelingen zitten wij met een historische erfenis, die zo treffend door Maas in een interview is uitgedrukt met Jan Rogier: "En dat is het gemene ervan, dat wij de seksualiteit alleen maar beperkt hebben tussen man en vrouw". Is deze uitspraak misschien niet wat extreem gesteld, vooral gezien de ontwikkelingen die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden. Misschien, ik weet het niet, alhoewel ik zeer grote twijfels heb. Het is op zich al een vooruitgang dat wij vandaag hier aanwezig zijn. Zoals al schertsend en eenzijdig is opgemerkt, de pedofiel komt uit de bosjes. Anderzijds is het kenmerkend, dat het kind nog steeds niet serieus wordt genomen in zijn gevoelens en in het bijzonder wat zijn seksuele gevoelens betreft. Verder is het opvallend dat de centrale vraag: "Hoe kom je eraan en hoe kom je eraf", nog steeds veel wetenschappelijke werken en verschillende vormen van hulp verlenen beheerst. Als je binnen dit beperkte kader hulp gaat verlenen, dan wil je je medemens met zijn gevoelens niet helpen, maar afhelpen, opdat deze weer keurig aangepast in het gareel gaat lopen. Wij als werkgroep hebben radicaal gebroken met deze visie. Wij vinden dat iedereen ongeacht zijn leeftijd of sekse recht heeft op uiting van zijn of haar seksuele gevoelens, mits deze geschieden op basis van wederkerigheid. Wat houdt deze visie in voor hulpverlening en actie. Het kader van waaruit wij opereren is, dat wij niet vinden dat seksuele uitingen alleen maar de privileges zijn van volwassen mannen en vrouwen. Wij willen de anderen, die niet voldoen aan deze normen niet van hun gevoelens afhelpen, maar wij vinden juist dat deze mensen hun gevoelens moeten accepteren en hiermee moeten leren omgaan. Als zij meer gevoel voor eigenwaarde hebben ontwikkeld, dan kunnen zij zèlf als verontwaardigde mensen actie voeren om hun vervreemding op te heffen. Hoe proberen wij dit te verwezenlijken.

Als werkgroep werken wij volgens het volgende model. Dit model bestaat uit 3 fases. In de eerste fase speelt de individuele problematiek een centrale rol. Veel mensen, die voor het eerst bij ons komen, zijn misleid in die zin dat zij hun eigen gevoelens nog niet hebben geaccepteerd. Het gevolg is dat zij met een geweldig probleem zitten. Een innerlijk conflict dat gepaard gaat met schuldgevoelens, het gevoel dat je helemaal alleen staat en niet normaal bent. Het is heel belangrijk dat deze eerste opvang geschiedt in een persoonlijke sfeer, het liefst in tweemans gesprekken. Het gesprek is hier de te hanteren techniek waarbij je vooral moet luisteren, begrip moet tonen en je je in moet leven in de situatie van de ander. Degene, die om hulp vraagt ervaart het vaak als bevrijdend zo openhartig te kunnen praten zonder dat hij moraliserend op de vingers wordt getikt. Een mogelijk resultaat van deze eerste gesprekken kan de relativering van de individualisering zijn, d.w.z. dat het inzicht groeit dat men niet zo alleen staat in zijn problematiek als aanvankelijk werd gedacht. En zodoende de behoefte ontstaat steun te zoeken met lotgenoten en anderen die zich solidair verklaren. Of zoals iemand het zo treffend heeft opgemerkt in het rapport: "Pedofiel zijn dat red je niet in je eentje".

Zo komen wij tot onze tweede fase. Hier speelt de groep de centrale rol. In plaats van een individuele problematiek van "ik zit ermee" hoopt men te komen tot een groepsproblematiek van "wij zitten ermee". Hier worden de praat- of gespreksgroepen ingeschakeld om met elkaar de verschillende problemen door te praten en om een bepaald bewustwordingsproces op gang te brengen. Deze fase heeft o.a. mijns inziens drie belangrijke functies, ten eerste het identificatie-aspect. Het is van groot belang, dat degene die om hulp vraagt ervaart dat hij niet de enige is met dit probleem. Doordat zijn probleem ons probleem wordt, treedt er vaak een identificatie op met de werkgroep en veel problemen worden herkend. Hij is niet zo abnormaal als hij had gedacht. Het tweede aspect is het schuilplaatsaspect of het non-repressieve aspect. Temidden van een vijandige wereld is het goed vertoeven waar het iemand gemakkelijk valt zichzelf te zijn. Er wordt hier frank en vrij over de verschillende ervaringen gesproken en er ontstaan vaak buiten de werkgroep leuke contacten en hechte vriendschappen tussen de verschillende leden. Het derde aspect is het solidariteitsaspect. Nauw gekoppeld aan het identiteitsaspect is die van de solidariteit. Van mijn probleem naar ons probleem en van wat kan ik er aan doen naar samen komen we er wel uit. Dit aspect is uitermate belangrijk, want wil men werkelijk tot bevrijding komen, dan is een stuk politieke maatschappelijke actie noodzakelijk.

En zo komen wij aan onze derde fase. Hier is het centrale punt dat ons probleem een maatschappelijk probleem is. Deze fase heeft twee aspecten: Ten eerste die van de interne actie.

  • A. Hieronder valt het vormen van eigen mensen tot hulpverleners voor de eerste opvang en verdere begeleiding van praat- en vormingsgroepen;
  • B. Helpen te bemiddelen in crisissituaties, zoals het achter de hand hebben van advocaten, die bereid zijn de verdediging op zich te nemen. In Rotterdam hebben wij nu een goed contact, althans contact-in-wording met het advocatencollectief;
  • C. Eventueel in samenwerking met andere instanties helpen bepaalde concrete problemen van de leden op te lossen.

Maar onze vereniging is geen vereniging voor alleen maar opvang of ontmoeting, maar beoogt emancipatie! Niet in de laatste plaats gaat het dus om externe actie. Mensen verschillen maar de maatschappelijke organisatie dwingt en verminkt de mensen tot aanpassing aan een bestaande orde. Pluriformiteit, de mogelijkheid tot zelfbepaling is een recht dat afgedwongen zal moeten worden. De maatschappelijke orde heeft grondige opvattingen over mannen en vrouwen, over volwassenen en kinderen, over gekken, over gastarbeiders, over Surinamers, over invaliden en over bejaarden, over scholieren, ik kan ze niet allemaal opnoemen. Wat al deze marginale groeperingen gemeen hebben is dat zij niet keurig in het gareel willen of kunnen lopen. Wat kan de werkgroep pedofilie in deze situatie doen. In het bijzonder kan zij de positie van de jongere aan de orde stellen. Wij zullen de aandacht richten op de beknelde positie van de jeugd en streven naar het recht op zelfbepaling van de jeugd. Vervolgens hopen wij allen te bundelen, die gevaar lopen voor de wet wegens vriendschap of gewone seksuele contacten. Concreter gezegd, wij vechten voor een andere instelling ten aanzien van kinderseksualiteit, want het kind wordt door ons in deze gevoelens serieus genomen. De bestrijding, door middel van voorlichting, van de irrationele beeldvorming en al die mythes die heersen ten aanzien van pedofilie. Het zal hoogst waarschijnlijk een moeilijke en zware strijd worden. Kunnen wij rekenen op de solidariteit van andere bewegingen, die deze visie delen. Optimistisch zijn wij niet, maar wij zullen doorgaan met de strijd. Dank u wel!


[Discussie bij "hulpverlening en actie door de l.w.g. pedofilie":]

1. Noord-Zuid-dialoog

[P. (edit) Dirckx:] Ik kom uit België. Ik wil hier niet spreken over het repressieve klimaat waarin de Belgische pedofiel moet leven, maar wat ik wel even wil zeggen is dat in België een twintigtal mensen op een bevolking van 11 miljoen tracht, haast wanhopig, om iets op gang te krijgen. Daarbij zou ik willen vragen aan de voorzitter van de landelijke werkgroep pedofilie Nederland om hier vandaag zijn solidariteit te betuigen met deze mensen. Het is van zeer groot belang, vooral als stimulans voor deze mensen, dat de Noord-Zuid-dialoog verder gestimuleerd en uitgebouwd wordt.

[Hans Zwerus:] Ik geloof dat ik namens de voorzitter en onze hele werkgroep spreek als ik zeg dat wij zeker solidair zijn met jullie. Dat spreekt trouwens vanzelf, na de lezing die je hebt gehoord.

2. Solidariteit met andere groeperingen

[Piet Blok:] In het laatste gedeelte van je betoog vraag je aan andere groepen zich met ons te solidariseren. Uit jouw beschrijving van de derde fase uit het 3-fasenmodel zou je eigenlijk moeten concluderen dat degenen die in die fase zitten, gaan inzien dat de oorzaken van de problemen waar je mee bezig bent wellicht dezelfde oorzaken zijn van de problemen waar andere groeperingen zich mee bezighouden. Door je met die groepen te solidariseren werk je ook aan je eigen zaak. Je moet dus niet van die groepen vragen zich met ons te solidariseren, maar je zult heel duidelijk moeten stellen: Wij zijn solidair met die andere groepen.

[Hans Zwerus:] Ik ben geneigd te denken dat een heleboel groepen misschien meer moeite hebben om ons te accepteren dan wij hen. Maar toch ben ik geneigd te stellen dat wij, evenals andere groeperingen, streven naar een stuk recht op zelfbepaling. Dat is het centrale punt dat ins bindt. Ik hoop dat iedereen zich hiervan bewust wordt.

[J.F., edit:] Mijn ervaring is dat minderheidsgroepen door andere minderheidsgroepen meer geaccepteerd worden naarmate zo'n groep meer geleerd heeft zichzelf te accepteren. Ik merk dat ik b.v. als ik met m'n rolstoel in NVSH-kringen kom, de mensen minder moeite hebben met mij dan wanneer ik in COC-kringen kom, omdat daar nog meer mensen zijn die nog moeite hebben met het accepteren van zichzelf, waardoor er een extra probleem ontstaat om dan ook iemand die dan nog weer anders is te accepteren.

3. Machtsverhoudingen in pedofiele relaties. Respect voor de wil van het kind

[Ariane Amsberg:] Ten eerste wil ik iets zeggen over macht in een relatie tussen een kind en een volwassene. Ik vind niet dat je kunt stellen dat een kind evenveel macht heeft als de volwassene, die probeert contact met hem/haar te leggen. Ten tweede heb je tot twee keer toe gezegd dat het kind niet serieuw wordt genomen in zijn of haar gevoelens. Dat is natuurlijk waar als die gevoelens positief zijn t.o.v. de pedofiel die hem of haar benadert. Maar hoe serieus neemt de pedofiel de gevoelens van het kind dat hij benadert als die negatief zijn? En wat doen jullie aan die pedofielen, die nog geen contact met jullie werkgroep hebben gezocht en die de wensen van het kind niet respecteren? Want die veroorzaken juist de problemen, waar hier zo nadrukkelijk niet over gesproken wordt vandaag.

[Hans Zwerus:] Allereerst over de scheve machtsverhoudingen tussen een kind en een volwassene. Ik vind het bijzonder merkwaardig dat wanneer wij praten over kinderen in een afhankelijke positie dat dit alleen maar moeilijk wordt gevonden bij pedofiele relaties. Het kind wordt vaak ook in het gezin, op school of in andere instituties, autoritair behandeld. Ik wil de vraag hiermee niet afwijzen, maar ik wil wel stellen dat hieruit duidelijk de angst voor de seksualiteit blijkt; zodra de sex om de hoek komt kijken, dan is het kind ineens in een duidelijke machtsafhankelijke positie. Hoe serieus neemt de pedofiel een afwijzing van het kind. Nou, dat is weer zoiets. Hoe serieus nemen wij vaak als mannetjes een afwijzing van een vrouw. Maar ik denk dat een pedofiel doorgaans meer rekening houdt met de gevoelens van het kind dan de samenleving in haar reacties op ontdekking van zo'n contact.

[P.v.E., edit, (gespr.leiding):] Maar wat doet de werkgroep pedofilie nou eigenlijk aan die pedofielen die wel agressief tegen kinderen optreden?

[Hans Zwerus:] In eerste instantie moet je dan kijken naar waarom zo iemand tot dit gedrag komt. We moeten teruggaan naar de maatschappelijke factoren die hierin een rol spelen. Als ik een week niet gegeten heb en ze zetten een taart voor me neer, dan eet ik die niet keurig met mes en vork op, maar ik spring erin. Een heleboel van deze mensen zitten in dit soort nare situaties. En het lijkt mij wel noodzakelijk om hier met deze mensen samen over te praten. Dat kan ook in onze werkgroep.

[Hannie Boidin (werkgroep pedofilie Utrecht):] Ik wilde hier nog even het volgende aan toevoegen. Het lijkt inderdaad wel alsof wij relaties tussen ouderen en jongeren alleen maar als mooi en goed voorstellen. Dat is natuurlijk niet zo. Wat wij zeggen is dat relaties tussen ouderen en jongeren precies evenveel recht van bestaan hebben als alle andere soorten relaties. Daarin komen ook verkeerde dingen voor. Dat is waar en het zou dom zijn dat te ontkennen. Ook dwang en geweld komen voor, maar erg weinig. Relatief even weinig als er echte verkrachtingen voorkomen. Want het is echt niet leuk om te vrijen met iemand die helemaal niet wil. Bijna iedereen verliest daardoor z'n eigen zin. Als je werkelijk op die manier dwang en geweld gebruikt om je eigen zin door te zetten, dan overschrijd je een grens, waarvan natuurlijk ook de werkgroep vindt dat die er moet zijn.

[J.F., edit:] Dat voorbeeld van die taart daarnet sprak me erg aan. Ik denk in dit verband ook aan het prachtige boek 'Het Achterhuis' van Anne Frank, over de hongerwinter. De mensen leden honger en spraken daar met elkaar over. Dat bevredigde dan hun emotionele behoefte tot op zekere hoogte.

4. Terminologie en hokjesgeest

[onbekend:] Ik werk aan een pedagogisch-didactisch instituut en ik heb daar nogal wat te maken met lerarenopleiding e.d. Mij is opgevallen dat als ter sprake wordt gebracht dat er in een leraar-leerling situatie wel eens iets meer kan ontstaan dan verbale overdracht alleen en dat er affectieve banden kunnen ontstaan, dan vaak direct vanuit het gehoor het woord pedofilie valt. De 'hokjesgeest' dus weer. Dit leeft ook al sterk bij de jongeren. Ik zou ervoor willen pleiten om o.m. in de leerboeken en in de lessen die hiermee verband houden hiervan af te stappen. De gevoelens zelf moeten centraal staan en behoren niet te worden gegroepeerd.

[Hans Zwerus:] Ik ben het volkomen met u eens. De kern van de zaak is het menselijk gevoel. Welk recht hebben wij om dit menselijk gevoel in hokjes te stoppen en sommige hokjes te verbieden?

5. De natuur en naaktstranden

[Dick Groot:] [Dick de Groot?]Ik kom nog even terug op de begrippen natuur en toekomst, zoals ik die vanmorgen heb gebruikt. Natuur betekent vrijheid en ik zie toch wel symptomen, die erop wijzen dat we die kant uitgaan. Ik denk b.v. aan het naaktstrand zoals we dat de laatste tijd hebben zien ontwikkelen. Daar gaat die vrijheid om jezelf te zijn heel ver. Mensen zoals wij zouden ons daar thuis kunnen voelen. Dat is natuur. Maar ook in de cultuur vinden we met naaktstrand vergelijkbare vormen van vrijheid. Ik denk aan rose buurten en aan pornografiewinkels. Het zijn elementen van grote vrijheid onder de mensen.

[Tom v.d. Loo (voorz. NVSH):] Naaktstranden in Nederland zijn voor mij geen enkel bewijs van grotere tolerantie en meer vrijheid. Het hoeft helemaal geen uiting te zijn van werkelijke openheid en van werkelijke vrijheid. Vandaag praten we hier ook heel tolerant en heel vrij over pedofilie, maar dat zegt op zich nog niets. Waar het om gaat is: Hoe serieus nemen we dit soort zaken op momenten dat we er werkelijk mee te maken krijgen.

6. Reclasseringsproblematiek

[Heleen ter Braak (Recl.):] Ik ben maatschappelijk werkster bij de reclassering. Ik wil een probleem inbrengen vanuit mijn werk. Allereerst wil ik zeggen dat ik in de reclassering eigenlijk helemaal niet te maken zou willen hebben met pedofiele mensen. Als je ervan uitgaat dat pedofilie een gewoon iets is, dan houdt dat in dat je je als maatschappelijk werkster bij de reclassering afvraagt wat je daar mee aan moet. Aan de andere kant is het zo dat je juist bij de reclassering te maken kunt krijgen met de erg pijnlijke gevallen. Maar goed. Als je te maken krijgt met een pedofiele cliënt, dan zie je vaak alleen de pedofiel zelf. Je hebt geen contact met zijn partner, het kind en doorgaans ook niet met de ouders van dat kind. Je kunt dan wel proberen zo goed mogelijk hulp te verlenen, maar er blijft toch een aantal mensen in de kou staan. Het kind en de ouders kunnen ook hulp nodig hebben. M.a.w. je probeert wel ergens aan te knutselen, maar er blijft een heel veld over waar je eigenlijk verder niet aan te pas komt.

[Hannie Boidin:] Ik vind het een erg moeilijk probleem, speciaal in die zgn. ernstige gevallen waar vaak TBR aan te pas komt. Dat zijn vaak mensen die door het systeem al zo gemangeld zijn dat ze, behalve dat ze pedofiele gevoelens hebben, ook nog neurotisch geworden zijn en haal dat maar eens uit elkaar. Het zijn vaak mensen die vanuit hun situatie zeggen dat ze er 'vanaf' willen komen. Men zou deze mensen moeten helpen te herkennen dat ze zoiets niet vanuit hun eigen vrije wil zeggen, maar vanuit de situatie waarin ze verkeren. Werken aan die zelfacceptatie, waar in de inleiding over gesproken is, lijkt dan toch de juiste weg. Ook al kan dat in de praktijk van deze maatschappij leiden tot soms afschuwelijke compromissen.

[onbekend:] Ik denk niet dat de reclassering in de praktijk zoveel te maken heeft met moeilijke gevallen en TBR-mensen. Ik denk dat het een veel belangrijker taak van de reclassering kan zijn om pedofielen, die tegen de lamp gelopen zijn, nog uit handen van de justitie te wurmen en uit de gevangenis te houden.

7. De grote afwezige

[Peter Geul:] Ik mis iets vandaag. Het gaat hier tenslotte om relaties tussen ouderen en jongeren en je hoort allemaal denkbeelden van volwassenen, ervaringen van volwassenen en wat er aan die volwassenen gedaan moet worden. Ik heb echter nog helemaal niets over het kind gehoord. Hoe het kind het allemaal ervaart.

[Hans Zwerus:] Ik geloof inderdaad dat de grote afwezige vandaag juist het kind is, ja.

[Hans Zwerus:] In het slotwoord straks komt het kind middels een brief nog aan het woord.

8. Zelfacceptatie en maatschappelijke actie

[onbekend:] Inleider stelt dat zelfacceptatie voorwaarde is voor de sociale en politieke actie die nodig is. Ik denk dat die zelfacceptatie bemoeilijkt kan worden door overschatting van de waarde van een pedofiele relatie. Ten eerste, als je van alle kanten hoort dat het vies en vuns is wat je doet, ben je geneigd het juist andersom te gaan stellen: Je vindt het juist verschrikkelijk edel en fantastisch wat je doet, veel beter dan wat andere mensen doen. Ten tweede: Ik heb de indruk dat sommigen nu de pedofiel als hulpverlener gaan zien; er is veel ellende in gezinnen en kinderen hebben het soms zo moeilijk, schakel maar een pedofiel in, die lost zoiets veel beter op. Dat wekt nogal wat agressie op naar ouders toe. Ik zou dus willen pleiten voor een wat realistischer visie op pedofilie en 'zgn.' samenleving. En verder: Als zelfacceptatie een voorwaarde is voor sociale en politieke actie, hoeveel pedofielen zijn er dan op 't ogenblik in staat om die zo noodzakelijke actie ook te voeren?

[Hans Zwerus:] Over uw eerste opmerking hebben we straks in een ander kader al het een en ander gezegd. We hebben toen al gezegd dat deze tendens naar mythevorming omtrent het kind en te positieve beeldvorming er inderdaad is. En ik zeg nogmaals duidelijk dat welke relatie dan ook uiteindelijk een menselijke relatie is met al z'n goede dingen en ook met z'n tekortkomingen. Dat geldt ook voor de pedofiele relatie. Maar het is wel zo dat wij moeten leven in een maatschappelijk bestel, waarin deze relatievorm niet als gelijkwaardig aan andere wordt gezien. En het is juist een kenmerk van veel emancipatiebewegingen dat een bepaald (te) positief beeld wordt uitgedragen. Denk maar aan de kreet 'black is beautiful' in de V.S. Het is goed te begrijpen dat juist door dat negatieve beeld wat bestaat in de samenleving, er iets 'hards' tegenover wordt gesteld. Voor wat betreft uw tweede vraag: Ik geloof dat wij landelijk ongeveer 200 leden hebben. Maar juist door die moeilijke maatschappelijke positie die wij hebben en waarin wij verkeren, is het onmogelijk dat we allemaal actie voeren. Uitgaande van het 3-fasen-model geloof ik dat een aantal mensen een bepaalde voorhoede-functie op zich moet nemen. Maar het is wel uitermate belangrijk dat die voorhoede samenwerkt met die marginale groeperingen die dezelfde visie hebben. Ik denk b.v. aan JAC, Release, Belangenvereniging Minderjarigen, Kritische Leraren [staat net als feministen met hoofdletters, onduidelijk of dit een organisatie betreft], Feministen, COC. Allemaal groeperingen die in een bepaald keurslijf worden gedwongen en gemeenschappelijk strijd moeten voeren om daaruit te komen.

[Threes Brouwers:] U hebt gezegd dat het in feite gaat om zelfacceptatie en dat van daaruit een stuk actie op touw gezet kan worden. Maar ik denk dat het een vicieuze cirkel is. Zolang er geen sprake is van sociale actie ter emancipatie van minderheidsgroepen is ook dat stuk zelfacceptatie erg moeilijk te verwezenlijken.

[Hans Zwerus:] Ik geloof dat zelfacceptatie een noodzakelijke voorwaarde is tot maatschappelijke actie. Zolang iemand in conflict met zichzelf leeft, zelf nog problemen en schuldgevoelens heeft, dan komt hij niet toe aan maatschappelijke actie. Maar als klein groepje kunnen we dat niet alleen. Daarom proberen we met anderen samen te werken om iets te bereiken. Niet alleen ons eigen doel, maar ook andere. Ik denk b.v. aan het jeugdrecht, waarin een heleboel niet goed zit. Gezamenlijk kunnen we dat veranderen.

9. Vrouwelijke pedofielen

[onbekend:] Het gaat hier alsmaar over relaties tussen mannen en kinderen. Is er iets bekend over pedofilie bij vrouwen? Dat zal toch ook wel voorkomen?

[Hans Zwerus:] Daar is inderdaad heel weinig over bekend. In onze werkgroep zitten geen vrouwelijke pedofielen. Het zal bij vrouwen ook wel voorkomen, maar ze kunnen en mogen in allerlei situaties een stuk lichamelijker met kinderen omgaan. Misschien dat ze daardoor minder snel problemen krijgen en er geen behoefte aan hebben zich te manifesteren. In het boekje 'Mijn vriendje houdt van mij' staan ook verhalen van ervaringen met vrouwen. Gelukkig maar. Het kan ook zo zijn, dat als we nog een tijdje doorvechten, de vrouwen vanzelf komen. Dat is bij de homofilie ook zo gegaan. Maar dat is maar een gok.

[Lex van Naerssen:] Volgens mij is er wel degelijk het een en ander bekend over relaties van vrouwen met jonge jongens. Kinsey heeft er uitgebreid over geschreven in z'n rapport over de seksualiteit van de vrouw (1949). Het is verder bekend dat er nogal wat jongens zijn die hun eerste seksuele ervaringen opdoen met volwassen vrouwen. De reden dat dit zo zelden onder de aandacht komt is dat het niet onder pedofilie wordt gerangschikt. Het begrip pedofilie dekt niet het verschijnsel van de relatie vrouw - jonge jongen. De betrokkenen in zo'n relatie registreren het over het algemeen gewoon als hun eerste seksuele ervaring, niet als pedofiele ervaring. Het komt dus meer voor dan we denken, maar het wordt minder gestigmatiseerd.

bron: Artikel 'Hulpverlening en actie door de Landelijke Werkgroep Pedofilie' door Hans Zwerus; Congresbundel Pedofilie & Samenleving; Uitgave NVSH-LWP 1977; RAI Amsterdam; 19 maart 1977