Strafrecht ongeschikt middel op terrein van seksualiteit - Lezing lustrum Vereniging Martijn

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: H. Roethof (Tweede Kamerlid PvdA)

De Vereniging Martijn, die aanvaarding van pedofilie nastreeft, herdacht zaterdag haar vijfjarig bestaan. Het PvdA-Tweede Kamerlid H. Roethof hield daar een toespraak over seksualiteit en strafrecht. De belangrijkste passages daaruit drukken wij hier af.

Seksualiteit behoort, evenals eten en drinken, tot het meest normale levenspatroon van elk mens, maar tegelijkertijd tot het meest persoonlijke en emotionele aspect daarvan. Alleen al om die reden loont het de moeite na te gaan wat het strafrecht daarmee aanmoet.
De bedoeling van het strafrecht op dit punt lag oorspronkelijk geheel in het verlengde van wat de oude godsdiensten ervan vonden. In onze christelijke samenleving is lang benadrukt dat de zonde moet worden bestraft en het kwaad vervolgen.
Tegenwoordig wordt het strafrecht door velen niet meer in de eerste plaats gezien als een middel tot vergelding, maar vooral als een bescherming van de maatschappij tegen extreem ongewenst gedrag en eventueel als mogelijkheid tot betering van overtreders. Van dat laatste moet men zich overigens niet te veel voorstellen.

Meer liberale geesten zijn dan ook van mening dat met strafrecht zuinig dient te worden omgesprongen, meer in het bijzonder met de vrijheidsstraf en nog meer in het bijzonder op een zo gevoelig en persoonlijk terrein als de seksualiteit. De mooie gedachte van resocialisatie door opsluiting gaat in de meeste gevallen helaas niet op.
Zuinigheid met strafrecht is in het algemeen al geboden, maar veronachtzaming van dit devies ontmoet in het bijzonder bezwaren indien toegepast op seksuele gedragingen, waar goede raad en hulpverlening veel meer geboden kunnen zijn. Het strafrecht is een ongeschikt middel om in te grijpen in intieme relaties.

Het ontwerp voor een zedelijkheidswetgeving, zoals aanvankelijk naar de Raad van State gestuurd, leek een compromis te zijn tussen de opvattingen binnen een door confessionelen en VVD'ers samengesteld kabinet. De confessionele inbreng kwam welsprekend tot uiting toen van die zijde een absoluut verbod werd geëist van seksueel contact met beneden 16-jarigen in plaats van de door de liberale minister van justitie aanvankelijk voorgestelde leeftijdsgrens van 12 jaar. De fractie van de VVD, met in haar voetspoor de bewindsman, ging binnen 48 uur overstag.

Er is wel wat veranderd sinds de jaren zeventig. Toen werd vrijwel alles op seksueel gebied aanbevolen, omdat we het eerst in de praktijk moesten ervaren om erover te kunnen oordelen. Tegenwoordig is het al geweld, incest, ontucht, mishandeling en onderdrukking wat de klok slaat. Net als vroeger begint over seks weer de sfeer te hangen van het eigenlijk niet geoorloofde.

Rechts-onzekerheid

Het uitblijven van een kompas in de vorm van goede, bijgestelde, wetgeving brengt een mate van rechts-onzekerheid met zich mee - en dan denk ik ook aan het vervolgingsbeleid - waarvan de tekenen dagelijks uit kranteberichten zijn af te lezen. Tal van problemen rijzen door opgerekte delictomschrijvingen, andere door tegenstrijdige opvattingen over wat wel en wat niet iemands wil vertegenwoordigt, en weer andere door een koppeling van onscurantistische christelijke gedachten aan die van de nieuwe spraakmakende gemeente, zoals ten aanzien van de pedofilie.

De bescherming van het kind wordt dan tot de maat aller dingen verheven, en op grond van de opvatting dat een kind überhaupt geen erotische gevoelens heeft of daarover mag beschikken, leidt dat tot moraliseringen van de in mijn ogen ergste soort. Als iemand als de psychiater Mik in de zaak-Oude Pekela een emotioneel betoog houdt over de perversiteiten die er met kinderen zijn gepleegd zonder daarover specifiek te zijn, draagt ook hij daar in mijn ogen, zij het ongetwijfeld onbedoeld, toe bij.

De totstandkoming van een bevredigende zedelijkheidswetgeving wordt mijns inziens in de weg gestaan door vijf syndromen:

  • 1. het afhankelijkheidssyndroom;
  • 2. het discriminatiesyndroom;
  • 3. het kwetsbaarheidssyndroom;
  • 4. het strafbaarstellingssyndroom;
  • 5. het moraliteitssyndroom.

Het afhankelijkheidssyndroom is er op gebaseerd, dat er in veel (de meeste?) relaties een situatie bestaat van overwicht en onderschikking en dat de strafrechter bij misbruik van overwicht moet ingrijpen. In vind dat een dubieus uitgangspunt. Seksuele relaties zijn veel gecompliceerder dan dat. Je kunt economisch sterker zijn, maar ook emotioneel-affectief. Wie aan de ene kant 'slachtoffer' is kan anderzijds de sterkste partij zijn. Seks behoort tot het dagelijks leven en dat mag je niet vanuit je angst voor excessen benaderen, ook als overheid niet.

Het discriminatiesyndroom gaat er van uit, dat discriminatie van ras reeds bij de wet strafbaar is gesteld en dat die strafbaarstelling doorgetrokken zou moeten worden naar sekse of seksuele geaardheid. Het probleem is, in elk geval was ras betreft, dat onder de huidige wetgeving niet zozeer de discriminatie (in de zin van achterstelling) feitelijk wordt bestreden als wel de beledigende discriminerende uitspraak. Als discussies voortdurend moeten worden gevoerd op het scherp van de snede van de strafwetgeving draagt dit niet bij tot verheldering van posities. De mogelijkheid om te kwetsen, mits zonder nodeloos grievend te zijn, is het zout in de pap van een democratische samenleving.

Kwetsbaarheid

Het kwetsbaarheidssyndroom stoelt op de overtuiging, dat men sommige minderheidsgroepen in het openbare verkeer moet ontzien aangezien leden van die groepen 'al zo veel hebben meegemaakt'. Ook hier ligt de morele censuur direct op de loer, omdat er te weinig van literatuur en kunst zou overblijven als men bij elke gelegenheid zou moeten afwegen in hoeverre men wel mag publiceren of tentoonstellen wat door bepaalde groepen in de samenleving als grievend zou kunnen worden opgevat.

Het strafbaarstellingssyndroom komt tot uiting bij hen, die (strenge) straffen als een bijdrage zien tot de bestrijding van relatieproblemen. Niet alleen voel ik er niet voor het aantal strafbaarstellingen op het gebied van de zedelijkheidswetgeving uit te breiden (in plaats van ze te beperken), maar bovendien kom ik in de pers nu al te veel zaken tegen waarachter ik een vraagteken plaats. Ik denk dan aan klachten die soms na vele jaren stilzwijgen alsnog in behandeling worden genomen, of aan gevallen van verkrachting (dan wel misbruik maken van overwicht) waarop veroordeling volgt terwijl niettemin de relatie voortduurt.

Begrijp me goed! Ik kan dit alles voor mezelf nog wel verklaren. Een deel van de zaken waarop ik nu doel en die in rechtszalen herhaaldelijk aan orde zijn, was vroeger onbespreekbaar. Het is winst als die nu uit de sfeer van het taboe worden gehaald en ter discussie worden gesteld. Maar het strafrecht is er ter bestrijding van excessen, niet voor het beslechten van bepaalde psychische processen of het ingrijpen in wederzijdse affectieve relaties.

Het moraliteitssyndroom houdt in: het monopolie opeisen van de eigen opvatting en deze verheffen tot de publieke moraal. Ik ga er van uit dat de overheid zo veel mogelijk afstand moet nemen van seksuele gedragingen die tot het dagelijkse leven behoren. En ik constateer dat daar nog altijd onvoldoende sprake van is.

Samenvattend merk ik nog het volgende op. Toen ik opgroeide heette seksueel verkeer riskant en werd deels zelfs als minderwaardig beschouwd (het huwelijk daargelaten). Jaren later heette seks alleen maar 'fijn' en moest alles uitgeprobeerd worden, wilde men in bepaalde kringen geacht worden met zijn tijd mee te gaan. Momenteel valt voor menigeen over seks de slagschaduw van het seksuele geweld als een van de grootste bedreigingen van de menselijke beschaving. Nog daargelaten dat seks ziek kan maken. Is er dan toch weer behoefte aan een bestraffende overheid, een nieuwe Bijbel?

De keus gaat tussen zelfbeschikking en bescherming. Wie het ene verabsoluteert, vermoordt het andere. Van beide alles tegelijk is onmogelijk. Wie niet in de beschermende greep van de overheid wil verstikken zal het dus moeten hebben van zelfbeschikking plus een zeker verantwoordelijkheidsbesef. De laatste kweekt men aan, legt men niet op.

bron: 'Strafrecht ongeschikt middel op terrein van seksualiteit - Lezing lustrum Vereniging Martijn' door H. Roethof (Tweede Kamerlid PvdA); Het Parool; 2 februari 1988