Waarom het taboe pedofilie?

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: Alfons C. Elsen

Waarom veel mensen belang hebben bij het in stand houden van het taboe op pedofilie.

Enige veronderstellingen

Wie op straat aan willekeurige voorbijgangers een uitspraak vraagt over pedofilie, zal meestal afwijzende en niet erg overwogen antwoorden krijgen: "onnatuurlijk", "ze moeten ze ophangen", "intriest", "ik keur het af", "helemaal gefrustreerd".
Deels komt dit door onwetendheid over en onbekendheid met het verschijnsel pedofilie. Maar, de mate van emotionaliteit die doorklinkt in de uitspraken van de-man-in-de-straat doen vermoeden, dat er meer aan de hand is dan louter het afwijzen van pedoseksuele kontakten omdat die schadelijke gevolgen voor het kind zouden kunnen hebben (want dat argument blijft steeds weer opduiken).
Het taboe op pedofilie heeft een funktie: de mensen, tenminste het grootste deel van hen, hebben er belang bij, dat het taboe op pedofilie BLIJFT. We kunnen ons afvragen waarom.
Het taboe rond pedofilie is duidelijk iets van deze tijd en deze kultuur. Wanneer men verschillende tijden en kulturen vergelijkt kan men dit zonder moeite vaststellen. Er bestaat echter geen onderzoek naar de funktie ervan in onze kultuur. We kunnen dus alleen maar met enkele veronderstellingen aan komen dragen. Pedofilie zou bijvoorbeeld de struktuur van de samenleving aantasten omdat het de gezagsverhoudingen binnen het gezin aantast. Op die manier kan het een werkend bestanddeel binnen de samenleving zijn.
We zullen proberen enkele mogelijke funkties van het taboe rond pedofilie nader te ontleden.

De "diagnose" van Prof.Dr. Steven de Batselier

Nu al meer dan tien jaar geleden publiceerde Prof.Dr. De Batselier (Katholieke Universiteit Leuven) zijn boek Impasse - Het psychopathologisch syndroom van de normale mens.
In dit boek wijdt de auteur een aantal beschouwingen aan het "normale" gedrag van de "normale" mens. Hij kwam tot de bevinding, dat de mens in onze kultuur een duidelijk psycho-pathologisch syndroom vertoont, d.w.z. dat er, vrij vertaald, bij deze "normale" mens duidelijk geestesstoornissen kunnen worden aangewezen.
Bij de benadering van het probleem dat ons in dit artikel bezighoudt, is vooral het vierde hoofdstuk van Impasse van belang: Morele verontwaardiging als basis van het waardeleven. Het kan ons een beetje inzicht geven in de mogelijke redenen waarom pedofilie nog steeds met een zekere terughoudendheid, soms zelfs een uitgesproken vijandigheid tegemoet getreden wordt.
Aan de basis van deze vijandigheid ligt volgens Prof. De Batselier de fundamentele onzekerheid van de mens van deze tijd, zijn innerlijke onzekerheid over minder- of meer waard zijn, eigen waarde of onwaarde. Dit maakt hem onmachtig en om dat te bedekken verschuilt de mens zich achter het schild van morele verontwaardiging, d.w.z. het veroordelen van anderen door naar die anderen vooroordelen te hanteren die zijn gestoken in een zogenaamd wetenschappelijk jasje... Deze morele verontwaardiging heeft een zelfbeschermende funktie: Het is een zwart-wit model, waarbij zwart de kleur is van de ander, de vreemde, degeen die moet worden veroordeeld. Zolang anderen het mikpunt blijven, blijft men zelf voor zichzelf buiten schot. De morele verontwaardiging staat de mens toe zich te koesteren in de gedachte dat hij hoort bij de goede mensen, degenen op wie niets valt aan te merken. Dit "goede" in de mens kan alleen maar overeind blijven staan als andere mensen worden aangewezen als "slecht", tegenovergesteld aan jezelf dus: zo heeft elke maatschappij wel een hoeveelheid zondebokken (pedofielen, homofielen, vreemdelingen, zigeuners...) die de schijn van eigen goedheid vrijwaren.
De morele verontwaardiging is in wezen autoritair, schrijft eigenmachtig voor hoe anderen moeten leven, waarnaar ze zich hebben te schikken. Bovendien heeft het een uitermate belangrijke funktie in het leven van de "normale" mens. Het houdt nl. de schijn in stand van eigen onschuld, zuiverheid, onkreukbaarheid, de schijn dat het kwade wel bestaat, maar aan de overkant, bij de ander.
Het is dan ook kenmerkend voor deze morele verontwaardiging dat de ander ànders moet BLIJVEN: je mag niet naar die ander luisteren, zijn verweer niet tot je laten doordringen, vinden dat hij/zij ook een mens is. Dan loop je de kans dat je niet meer "goed" bent, niet meer "normaal", dan ben je verloren, want je halstarrig verzet wordt doorgeprikt.
De "diagnose" van Prof. De Batselier is dan ook duidelijk: "Wie anderen in hokjes plaatst en veroordeelt, wie van de werkelijkheid van de ander niets overlaat, van hem een ding maakt, een beeld zonder inhoud - wie dat doet pleegt veroordelend verraad tegenover de werkelijkheid van de ander - die mens is fundamenteel ziek, ziek tot in de wortels van zijn mens-zijn. Fundamenteel gezond zijn betekent immers openheid, vrijheid en medemenselijkheid." Morele verontwaardiging, aldus nog Prof. De Batselier, is een ander woord voor "fobie" (wat ziekelijke afkeer van iets betekent). In dit geval dus geen fobie voor ruimte, engte, formulieren of wat nog meer, maar voor mensen met andere gevoelens dan jezelf: pedofobie.

Aangezien de ander anders moet blijven om de morele verontwaardiging in stand te kunnen houden, is het niet verwonderlijk dat morele verontwaardiging hand in hand gaat met onderdrukkend optreden: harde wetten, harde principes en een harde hand. Daarom is de morele verontwaardiging één van de gevaarlijkste uitingen van de geestesstoornissen van de "normale" mens.

Een andere hypothese

Natuurlijk verklaart de hierboven ontwikkelde veronderstelling niet waarom nu juist pedofielen hét slachtoffer zouden worden. Dit wordt overigens ook niet beweerd door Prof. De Batselier, die zijn betoog algemeen houdt en geen specifieke "zondebokken" aanwijst. We weten dus niet of deze veronderstelling de werkelijke funktie van het taboe rond pedofilie weergeeft. Ongetwijfeld zit er een groot deel waarheid in, maar de mogelijkheid bestaat, dat de waarheid uit een waaier van elementen die onderling op elkaar inwerken en in hun geheel het taboe op pedofilie vormen.
Andere schrijvers zien bijv. de funktie van het taboe als een noodzaak om daarmee de eigen verboden seksuele driften mee in bedwang te houden. De Zweedse arts Dr. Lars Ullerstam meent dat alle mensen onbewust dergelijke verboden seksuele impulsen hebben. Zijn redenering is als volgt: als deze driften in ons bewustzijn dreigen te komen, worden we bang en kunnen in een angsttoestand raken. Een goed middel om deze onderdrukte neigingen onder de duim te houden (en daardoor onze angst) is, om deze seksuele neigingen in andere mensen te bestrijden. Deze zedelijke ijver schenkt ons behalve een gevoel van trots ook nog een goed geweten, hoeveel leed daarbij ook aan anderen wordt berokkend.

Eenzelfde redenering vinden we bij Th.W. Adorno, die in zijn boek Taboes op seksualiteit en het hedendaags recht het volgende schrijft: "Het schuldgevoel van de volwassenen kan niet bestaan zonder wat zij noemen "de onschuld van de kinderen". Zij hebben die onschuld nodig als tegenhanger van hun eigen schuldgevoel, als toevluchtsoord. Ieder middel is welkom om die onschuld te verdedigen. Algemeen bekend is, dat taboes sterker plegen te worden, naarmate hij die erdoor wordt overheerst, onbewust datgeen begeert wat door het taboe wordt verboden".

Besluit

Er zal nog heel wat proefondervindelijk onderzoek moeten worden verricht om ons inzicht te geven in de funktie van het taboe op pedofilie. Je kunt dit taboe niet afbreken zonder dat inzicht. Het zal wel een werk van zéér lange adem zijn. Een bitter-cynisch gestemde pedofiel noemde het eens een "honderjarenplan".
Zoals het nu is, zitten we door gebrek aan kennis teveel in het luchtledige te werken.
En dat is jammer.

Literatuur
1. Batselier, Steven de: Impasse. Antwerpen, De Nederlandsche Boekhandel, 1976-7.
2. Ullerstam, Lars: De seksuele minderheden. Den Haag, Oisterwijk, 1966.
3. Adorno, Th.W: Sexuele taboes en recht in de tegenwoordige tijd. In: Kingma, Jelle (ed.): Kritische gedachten over seksualiteit. Den Haag, Stichting Uitgeverij NVSH, 1971.

bron: Artikel 'Waarom het taboe pedofilie?' door Alfons C. Elsen; Martijn, nummer 15; januari 1984