Wijziging van de artikelen 242, 243, 246, 247 en 249 van het Wetboek van Strafrecht

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Door: Tweede Kamer der Staten-Generaal

De leden van de fractie van de P.v.d.A. hadden met gemengde gevoelens kennis genomen van voorliggend voorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht. [...] Met het slechts indienen van voorliggend wijzigingsvoorstel, dat in hun ogen slechts de kwalificatie van een "noodwetje" verdient, wordt onrecht gedaan aan de jarenlange discussie over dit onderwerp en aan de werkzaamheden van de Adviescommissie Zedelijkheidswetgeving (de commissie Melai), welke uiteindelijk resulteerde in het, nimmer bij de Kamer ingediende, wetsvoorstel van 1985. Voor de opstelling daarvan werd gebruik gemaakt van de commentaren van autoriteiten, organisaties en groeperingen (waarvan in de toenmalige memorie van toelichting met name genoemd werden de President van de Hoge Raad, de Procureur bij dat college, de Procureurs-Generaal bij de gerechtshoven, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, het COC, het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek en Vrouwen tegen Verkrachting), terwijl de Emancipatieraad over het wetsvoorstel instemmend adviseerde.

Met de uitgangspunten van zowel het rapport van de commissie Melai, als van genoemd wetsvoorstel (over de versie uit 1984 waarvan deze leden - nadat deze destijds op grond van de Wet openbaarheid bestuur openbaar was geworden - hadden kunnen beschikken), namelijk het vrijheidsbeginsel én het beschermingsbeginsel, die een uiterst zorgvuldige afweging behoeven, konden deze leden instemmen. Zij konden zich dan ook vinden in de woorden van de minister zoals neergeschreven in de memorie van toelichting bij genoemd wetsvoorstel: "Zou de strafwetgever de bescherming van jeugdige en andere kwetsbare personen te ver terugbrengen, dan schiet hij tekort in zijn rechtsplicht de eerbiediging van de privé-sfeer van de rechtsgenoten tegen "sterkere" derden te verzekeren. Gaat hij te ver in die bescherming, dan loopt hij gevaar in die overmaat juist het belang ten behoeve waarvan hij optreedt in het gedrang te brengen: de staat dient zich van ingrepen in de privé-sfeer van de burger te onthouden wanneer de bescherming van wezenlijke rechtsbelangen van anderen dat niet strikt vereist".

Met de zorgvuldige afweging van belangen die in deze woorden tot uitdrukking wordt gebracht, komt ook het uitgangspunt van de commissie Melai, "de bescherming van de wilsvrijheid van de burger in de inrichting van zijn of haar seksuele leven", tot zijn recht. Juist deze zorgvuldige belangenafweging ontbreekt met het indienen van voorliggend wetsvoorstel. Niet alleen door het voorstellen van een aantal nieuwe strafbepalingen, maar ook door het handhaven van bestaande strafbepalingen wordt het door de leden van de fractie van de P.v.d.A. voorgestane recht op (ook seksuele) zelfbeschikking geweld aangedaan. Als voornaamste argument om tot reparatie van de bestaande zedelijkheidswetgeving over te gaan geeft de minister het gegeven, dat de afgelopen jaren duidelijk is geworden dat een aantal vormen van seksueel geweld veel vaker en in veel ernstiger vorm voorkomt dan men tot nu toe dacht. Hoezeer deze leden dit argument op zichzelf konden onderschrijven, daarin bovendien gesterkt door de resultaten van het onlangs gepubliceerde onderzoek van Dr. N. Draijer, zij waren niettemin van mening dat dit een aantal voorgestelde, dan wel ongewijzigde gehandhaafde, absolute verboden niet kan rechtvaardigen. Voor dat laatste zou immers vereist zijn dat de strafbaar gestelde kontakten niet vrijwillig kunnen plaatsvinden. Een legitimatie van het handhaven van bestaande verboden ontbreekt geheel in de toelichting, zo constateerden deze leden. Dit had hen temeer verbaasd, omdat het kabinet in de nota "Overheidsbeleid en Homoseksualiteit" (TK 1985-1986, 19 505 nr. 2) de toezegging heeft gedaan rekening te houden met de uitkomsten van het onderzoek naar seksuele ervaringen in de vroege jeugdjaren, dat is uitgevoerd door Dr. Th. G. M. Sandfort.

Nu uit genoemd onderzoek blijkt dat vrijwillige kontakten en relaties van jeugdigen regelmatig voorkomen, vroegen deze leden de minister op welke wijze het kabinet met de onderzoeksresultaten "rekening wil houden", zoals was toegezegd, waarbij deze leden wilden opmerken dat dit laatste ook betrof de door het COC gemaakte opmerkingen ten aanzien van de leeftijdsgrenzen. Zo vroegen zij de minister welke conclusie de minister trekt uit de hem door het COC in januari 1987 aangeboden petitie terzake, die hij toen als steun in de rug voor zijn beleid beschouwde, een petitie die door zeer vele (ook vooraanstaande) personen uit zeer uiteenlopende maatschappelijke geledingen werd ondertekend. Nu de laatste jaren sneller en in meer gevallen door politie en justitie wordt opgetreden tegen overtreding van bestaande wetten, maakt een minder terughoudende dan wel een meer genuanceerde toepassing van de bestaande verboden het belang van een scherpere afbakening daarvan in de wettekst zelf toch des te meer noodzakelijk, wil het zelfbeschikkingsrecht van jongeren noch enigzins tot zijn recht kunnen komen, zo meenden deze leden. [...]

De argumentatie om in het voorliggend voorstel de oude term "ontucht" te handhaven in plaats van de kleurloze term "seksuele handelingen" had deze leden geenszins kunnen overtuigen. Met de minister, die zich voor de definitie daarvan baseert op Noyon/Langemeijer/Remmelink, waren zij van mening dat de term "ontucht" of "ontuchtige handelingen" een andere, meer geladen betekenis heeft dan "seksuele handelingen", namelijk dat "ontucht" veronderstelt seksueel contact in strijd met de sociaal-ethische norm. Maar anders dan de minister konden de leden van de fractie van de P.v.d.A. daaraan juist geen argument ontlenen de term "ontucht" te handhaven, waarbij voor de strafbaarheid immers niet uitsluitend is vereist dat iemands seksuele integriteit is geschonden, maar bovendien relevant is of er sprake is van strijd met de normen van de (toevallige) maatschappelijke meerderheid - de dominerende publieke moraal -, hetgeen naar de mening van deze leden niets anders kan betekenen dan dat de staat optreedt als zedenmeester. [...]

De leden van de fractie van D66 namen met gemengde gevoelens kennis van het onderhavige wetsvoorstel. Enerzijds konden zij grotendeels instemmen met de in het wetsvoorstel gerealiseerde verbeteringen van en aanvullingen op de thans bestaande zedelijkheidswetgeving, anderzijds waren zij van mening, dat het wetsvoorstel geen recht doet aan de bijna tien jaar lang gevoerde maatschappelijke discussie omtrent de zedelijkheidswetgeving. Van de oorspronkelijke voorstellen van de Commissie-Melai zijn in het onderhavige wetsvoorstel eigenlijk alleen de uitbreiding van de onderscheidene delictsomschrijvingen en de strafverzwaring overgenomen, terwijl aan de daarin voorziene elementen van decriminalisering (herziening van de strafbaarstelling van seksueel contact met jeugdigen) en modernisering (het vervallen van het onderscheid tussen aanranding en verkrachting en het aldus verdwijnen van de beladen termen "vleselijke gemeenschap" en "ontuchtige handelingen") voorbij is gegaan. [...]

De leden van de P.P.R.-fractie wilden de zedelijkheidswetgeving benaderen vanuit het uitgangspunt van het individuele seksuele zelfbeschikkingsrecht, en in het verlengde daarvan het beschermingsbeginsel dat noopt tot extra bescherming tegen seksueel misbruik van personen met een bijzonder kwetsbare wilsvrijheid zoals jongeren en gehandicapten.

Het voorgestelde wetsvoorstel met betrekking tot de wijziging van de zedelijkheidswetgeving was voor het lid van de P.S.P.-fractie teleurstellend. Immers, destijds was sprake van een veelomvattender voorstel tot wetswijziging. Naar de mening van het aan het woord zijnde lid was de argumentatie van de regering om nu met een veel beperkter wetsvoorstel te komen, nauwelijks steekhoudend. Waarom, zo vroeg dit lid, is het parlement niet in staat gesteld zich een oordeel te vormen over de inhoud van de voorstellen zoals die destijds voor advies naar de Raad van State en de Emancipatieraad zijn gestuurd? Welke rol heeft de commotie rond de mogelijke verlaging van de leeftijdsgrenzen precies gespeeld bij het terugnemen van de oorspronkelijke voorstellen?

Dit lid verbaasde zich over het feit dat bij de minister van justitie de vraag was gerezen of in het oorspronkelijke wetsvoorstel de aanvullende bescherming van "in het maatschappelijk verkeer kwetsbare personen" (vrouwen, kinderen, gehandicapten, patiënten?) voldoende was geregeld. Zeker, omdat hij daarbij verwees naar de Nota bestrijding seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes en het eindelijk aan de oppervlakte komen van de ware omvang van seksueel geweld. Immers, de Nota bestrijding seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes is de uitkomst van onder meer een studieconferentie over seksueel geweld, die destijds werd georganiseerd door de toenmalige staatssecretaris voor emancipatiebeleid, mevrouw d'Ancona. Die studieconferentie en de prioriteit die de bestrijding van seksueel geweld in haar beleid kreeg, hadden alles te maken met het boven tafel komen van de ware omvang van seksueel geweld. Eén van de conclusies van de studieconferentie, die dit lid zich nog herinnerde als de dag van gisteren en waaraan zij zelf ook had deelgenomen, was dat in het belang van de bescherming van "in het maatschappelijk verkeer kwetsbare personen" de hele zedelijkheidswetgeving op de helling zou moeten. Juist omdat de bestaande bepalingen nooit afdoende bescherming hadden geboden. Immers, het uit de vorige eeuw stammende wetboek van Strafrecht beoogde niet zozeer de bescherming van de integriteit van het menselijk lichaam tegen seksueel geweld en machtsmisbruik, alswel de normering van de zedelijkheid en de bescherming van de huwelijksmoraal op Victoriaanse grondslag. Dit kwam onder meer tot uitdrukking in het onderbrengen van de seksueel geweldmisdrijven onder titel XIV, misdrijven tegen de zeden, samen met naaktlopen, homoseksualiteit, dierenmishandeling en prostitutie. [...]

Zoals hierboven gesteld, zou slechts het op de helling zetten van die naar taalgebruik en moraal archaïsche bepalingen een begin van bescherming tegen seksueel geweld en machtsmisbruik kunnen bieden. Uitgangspunt voor nieuwe wetgeving zou moeten zijn: Seksueel zelfbeschikkingsrecht, de integriteit van het menselijk lichaam en de bescherming tegen inbreuken daarop. De minister van Justitie heeft het aan het woord zijnde lid absoluut niet duidelijk gemaakt in de memorie van toelichting, waarom dit heldere uitgangspunt in het nu voorliggende wetsvoorstel is verlaten. Daarmee is volgens dit lid meer schade aangericht dan het handhaven van "verouderd aandoende termen". [...]

De leden van de P.P.R.-fractie vroegen de minister of met een absoluut verbod, ook van mogelijk wel gewenste seksuele contacten, de seksuele verlangens van lichamelijk en geestelijk gehandicapten niet al te zeer miskend worden. Ook wat betreft de handhaving van een absoluut verbod op sommige contacten met jongeren tussen de 12 en 16 jaar vonden zij dat de minister met dit ontwerp het beschermingsbeginsel te zeer laat prevaleren boven het recht op seksuele zelfbeschikking. Zij vonden dat wettelijke strafuitsluiting overwogen zou dienen te worden waar de jeugdige zelf seksuele contacten had opgezocht of onderhouden, en zich er niet aan had onttrokken hoewel dat mogelijk was. Zij vroegen de minister nader aan te geven waarom hij voor handhaving van de leeftijdsbepaling in artikel 27 gekozen had. [...]

Het lid van de P.S.P.-fractie was teleurgesteld over het onverkort handhaven van het verbod op seksuele relaties van jongeren onder de zestien jaar. Naar de mening van dit lid doet dit geen recht aan zelfbeschikkingsrecht van jongeren noch aan de realiteit. Het risico van het - op dit punt - de oren laten hangen naar de publieke verontwaardiging van morele aard, is dat daarmee juist het zelfbeschikkingsrecht en de bescherming tegen seksueel misbruik geschaad worden. Is de bescherming tegen seksueel misbruik (ook door overwicht) de enige motivatie voor het handhaven van de leeftijdsgrens van zestien jaar? Of meent de minister nog steeds door middel van een artikel in het Wetboek van Strafrecht de seksuele ontwikkeling van jongeren in goede banen te moeten leiden? Wat betekent dat voor twee jongeren onder de zestien jaar die met elkaar ook een seksuele relatie hebben? Kunnen zij beiden voor de kinderrechter gedaagd worden wegens het onderhouden van een seksuele relatie met de ander? Het expliciet handhaven van de leeftijdsgrens van zestien jaar maakt dat voor de toekomst niet denkbeeldig. Zou het, ook vanuit zuiverheid van wetgeving niet de voorkeur verdienen de huidige praktijk te formaliseren in de wetgeving? [...]

De leden van de D66-fractie hadden hun aarzeling over artikel 249, tweede lid WSr., zowel ten aanzien van de bestaande wetstekst (artikel 249, tweede lid sub 1 en 2) als ten aanzien van de voorgestelde uitbreiding (artikel 249, tweede lid sub 3). Zij vroegen, of het wel gewenst is, "het plegen van ontucht" zoals in de gevallen reeds in dit artikellid beschreven en thans in de uitbreiding daarvan voorgesteld, in absolute zin strafbaar te (blijven) stellen. Wordt op deze wijze, zo vroegen deze leden, niet voorbij gegaan aan de wel denkbare situatie dat een mondig persoon (cliënt, patiënt) zélf het seksueel contact wil? Of is het de bedoeling van de minister het contact bedoeld in artikel 249, tweede lid onder alle omstandigheden strafbaar te stellen uit het oogpunt van, bij voorbeeld, beroepsethiek? Gaarne vernamen de leden van de D66-fractie ook hierover de mening van de minister.

bron: Tweede Kamer der Staten-Generaal; Vergaderjaar 1988-1989; 20 930, Nr. 4; Voorlopig verslag, vastgesteld: 27 april 1989