Zwarte ogen

From Brongersma
Jump to: navigation, search

Die nacht had Maya Undina Herrera geen rust. Haar korte samenzijn met Louis Ducrot op de bank bij oom Jacob had haar zo opgewonden dat zij op haar rug ging liggen en in haar fantasie de zwetende dichter Jan Hanlo naast zich liet hurken. Hij schoof zijn knie over haar lies, en terwijl zij zijn zwart-witte kleren openscheurde stamelde hij met hese stem alle adressen die hij, die zij kende. Na drie keer klaarkomen kon zij nog de slaap niet vatten. Het was oneerlijk dat die jongen nog maar elf was en zij achttien, en hij was nog dom ook. Er rustte een verbod op haar verlangen naar deze jongen. Onredelijk en onzedelijk was het, maar op Hank de Australiër na was er in jaren en in de wijde omtrek niemand geweest die haar passie zo had aangewakkerd. Of hij dom was, dat zou ze nog wel zien, maar bijzonder wás hij. Waarom zouden dom en bijzonder niet net zo gemakkelijk samengaan als intelligent en alledaags? Zelf was zij ook geen hoogvlieger in leren. Met veel doorzettingsvermogen en met in gedachten het schrikbeeld dat zij in een of andere Noordwijkerhoutse winkel achter de toonbank zou komen te staan, had zij de havo gehaald. Dat was heel wat voor een adoptiekind. Misschien zou Louis die havo wel helemaal niet kunnen halen. Misschien zou hij het met veel doorzettingsvermogen brengen tot achter de toonbank in een of andere Noordwijkerhoutse winkel. Ze zou hem ontmoeten bij het boodschappen doen. Ze zou hem over de toonbank trekken en ontvoeren... Zo gingen de onredelijke en onzedelijke gedachten van Maya steeds verder. Ze dacht, die jongen gaat mijn hele nachtrust verknallen, maar uiteindelijk was ze wonderwel in slaap gevallen, want mevrouw Warmerdam kwam haar rond het middaguur toch maar eens wakker maken.

bron: Uit het boek 'Zwarte ogen' door Ernst Timmer; Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam; 2003