RAI congres - De politie als hulpverlener: Difference between revisions

From Brongersma
Jump to navigation Jump to search
No edit summary
No edit summary
Line 47: Line 47:
[[Category:Katholieke Politiebond Sint Michaël]]
[[Category:Katholieke Politiebond Sint Michaël]]
[[Category:Christelijke Politiebond]]
[[Category:Christelijke Politiebond]]
[[Category:Algemende Christelijke Politiefederatie]]
[[Category:Algemene Christelijke politiefederatie]]
[[Category:Hulpverleners]]
[[Category:Hulpverleners]]
[[Category:Rudie Kagie]]
[[Category:Rudie Kagie]]

Revision as of 20:52, 22 December 2016

Door: Bouwe Kalma

Geachte aanwezigen,

Heel graag heb ik voldaan aan het verzoek van de organisatoren van deze dag om hier een inleiding te houden, waarbij ik als thema, zoals u ook hebt kunnen lezen, heb gekozen 'De politie als hulpverlener. Wederzijdse verwachtingspatronen'. Dit biedt o.a. de gelegenheid om het onderwerp vanuit mijn maatschappelijke visie èn waarnemingen, verband houdende met mijn dagelijkse beroepsbezigheden, anders gezegd vanuit mijn gedachten omtrent de ons omringende wereld hóe daartegenover te staan en hóe daarin op te treden, èn de kennis inzake gebeurtenissen waarmee ik in mijn functie word geconfronteerd, te beschouwen. Uitdieping van het verschijnsel pedofilie zal ook verder door anderen, op dat punt meer deskundig dan ik, gebeuren. Ik hoop dat ook mijn aandeel ertoe bijdraagt, dat in de kring van pedofielen en al degenen die blijkens hun aanwezigheid op deze bijeenkomst zich op één of andere wijze met het vraagstuk van-het-zich-tot-kinderen-aangetrokken-voelen, al dan niet van seksuele aard, bezighouden - of, zo kan het ook, dat zich met hen occupeert - meer duidelijkheid komt omtrent de mogelijkheden of onmogelijkheden, die er van de zijde van de politie bestaan op het punt van de hulpverlening. Wellicht ten overvloede zou ik willen opmerken dat ik op dit congres niét spreek als vertegenwoordiger van het politieapparaat in zijn algemeenheid of van een of ander onderdeel in het bijzonder, maar zeker wél als werknemer bij de gemeentepolitie Rotterdam in de functie van hoofdinspecteur/chef van de afdeling zeden- en kinderpolitie. Kennelijk niét één van mijn maatschappelijke of politieke medestanders omschrijft mij wat anders naar aanleiding van mijn stellingname in het Bloemenhove-kliniek-gebeuren. Hij ziet mij meer als een stalinistische kindermoordenaar met een bedervende invloed op de jeugd. Mijn aanwezigheid vanmiddag hier is dan het zoveelste bewijs van dat feit, zal in die kring wel weer worden opgemerkt. Overigens zou ik op dit punt willen zeggen 'Niets is beter dan te kunnen kiezen uit een of meer alternatieven'.

Na een meer, zo zou ik het feitelijk willen noemen, algemeen gehouden gedeelte zal ik mij directer bepalen tot hetgeen als thema is aangegeven, waarbij ik mij niet uitsluitend zou willen beperken tot het pedofiel gebeuren. Ik geloof dat er te veel aanrakingsvlakken zijn met ook andere relatievormen dan de gebruikelijke om op dit punt die scheiding te maken. Ik hoop mij wat de inleiding betreft, gezien de beschikbare tijd, te kunnen beperken tot een tijdsduur van 20 á 25 minuten, waarna er ongeveer een uurtje overblijft om te discussiëren, voor mij een uiterst belangrijk onderdeel van het programma van deze dag. Waar nodig of wenselijk houd ik mij voor onderbrekingen of wat voor andere manieren om mij in de reden te vallen aanbevolen; niets is beter dan een levendige vergadering.

Binnen de maatschappijvorm - daar zou ik dan het algemene gedeelte mee willen beginnen - waarin wij leven hebben niet alle mensen zeggenschap over hun eigen leef- en werksituatie; met name minderheden als werkende jongeren, woonwagenbewoners, gastarbeiders, pedofielen, Zuidmollukkers, minderjarigen, psychiatrische patiënten en oud-patiënten, vreemdelingen, bejaarden, om enige voorbeelden van zodanige groepen te noemen, merken dagelijks dat ze niet dezelfde rechten hebben als anderen. Zoals ook weleens gezegd is: 'Iedereen is gelijk, alleen sommigen blijken wat meer gelijk te zijn dan anderen'. Of welke variatie je daar verder ook van wilt maken. Naar mijn denken is de discriminatie van die minderheidsgroeperingen niet los te zien van die vormen van sociaal gedrag, normen en waarden die voortvloeien uit de kapitalistisch gestructureerde maatschappij. Om in dit verband daadwerkelijk hulp te geven aan degenen die het verlenen van énige hulp, waarna betrokkene verder aan zijn of haar lot is overgelaten met terugval op de oude situatie. Uitgangspunt van dat helpen zal naar mijn mening moeten zijn het weghalen, het wegnemen van de oorzaken van de kwáal, van het kwáad, van het onrècht dat leidt tot vervreemding, zoals vereenzaming, contactarmoede, zelfdoding.


Terloops, nog gistermiddag deed zich in Rotterdam een geval voor van een poging tot levensbeneming, kennelijk als gevolg van moeilijkheden inzake het beleven van een bepaalde relatievorm. Een zedenpolitiemedewerker, op het laatste ogenblik door de betrokkene om hulp gevraagd - een vertrouwensrelatie van betrokkene - kon die nog tijdig bieden. Hiermee wou ik demonstreren dat de politie als hulpverlener kán optreden. Dat oorzaak-wegnemen is het doel waarnaar gestreefd moet worden in plaats van het overigens toch dikwijls zo goed bedoelde hulpverleningswerk dat vaak niet meer inhoudt dan het werken in de kantlijn. Dikwijls slechts zoals in de praktijk gebleken is voorwaardelijk mogelijk, namelijk voor zover degenen die de macht hebben dat toestaan, of wensen toe te staan. De mensen zal moeten worden duidelijk gemaakt dat hun problemen een gevolg zijn of waren van de structuur van de samenleving waarin zij en wij leven. Vaak ook wordt van die zijde, dat is van de zijde van diegenen die de macht hebben, met waardering over de verleende hulp of wat er voor doorgaat gesproken; zoiets kan het eigen image immers nooit kwaad doen! En alles blijft zoals zo vaak bij hetzelfde. Op alle punten van het maatschappelijk gebeuren is de achterstelling van minderheidsgroeperingen te signaleren met, zo zou je kunnen zeggen, dienovereenkomstige behandeling van alle betrokkenen. In het kader van dit onderwerp kan terloops slechts even aangestipt worden, als een voorbeeld, de voortdurende pogingen van de Minister van Justitie om niet alleen greep te houden op de hulpverlening ten aanzien van weggelopen minderjarigen, doch deze hulpverlening in ernstige mate te frustreren. Nog steeds staan de hulpverleners aan minderjarigen, een rechteloze categorie, aan de ongeremde vervolgingsdrift van de zijde van justitie bloot. Wat telkenmale ernstige storingen, zoals opgemerkt, oplevert. Men kan daar als politieman of als politiemevrouw over getuigen. Ik weet dat er collega's zijn die op dit punt in gewetensconflict geraken. De kinderbescherming of wat er voor doorgaat zal uit de sfeer van de justitie moeten worden gehaald en bijv. ondergebracht kunnen worden bij een departement in de maatschappelijke werk-sector. Een ander voorbeeld van de vervolgingsmethodiek van de Minister van Justitie met gevolgen voor de hulpverlening, was de trieste gang van zaken m.b.t. de Bloemenhovekliniek, waaraan een halt kon worden toegeroepen door solidarisering met in nood verkerende meisjes en vrouwen vanuit de gehele bevolking.

Om het op dit moment niet somberder te maken, want dat moet vanmiddag zeker niet gebeuren - ik zou nog wel uren op dit punt kunnen doorgaan - lijkt het me nuttig nu te beginnen over het politiewerk oftewel een aspect daarvan, de hulpverleningstaak.

Zoals de meesten wel bekend zal zijn houdt artikel 28 van de Politiewet een taakomschrijving in. Er staat dat de politie tot taak heeft in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels de zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde. En het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Die laatste zin is het waar het om draait, als je over hulpverlening gaat spreken òf misschien is het beter om te spreken over vórmen van hulp. Uit een en ander valt af te leiden dat wat onder hulpverlening moet worden verstaan niet duidelijk is en ik geloof dat dat in de praktijk aanleiding geeft tot allerlei gesodemieter. Op rechtsordehandhaving kan ik vanwege de tijd nu niet nader ingaan. Het hulpverleningselement dan is de laatste tijd met name in de kringen van politie en justitie verder in de aandacht gekomen. Helaas kort geleden ook op een erg negatieve wijze. Ik verwijs hierbij naar een begin van dit jaar in Utrecht gehouden bijeenkomst van de Katholieke Politiebond St. Michaël en de Christelijke Politiebond; dat betrof een oprichtingsvergadering van de algemene Christelijke politiefederatie, waar als spreker was uitgenodigd de Minister van Justitie. Het was bijzonder teleurstellend te moeten ervaren dat degenen binnen het Nederlandse politie-apparaat die orde en gezagshandhaving steeds luider gaan prediken, een bijzonder verontrustende ontwikkeling waarbij ik terloops ook even wil wijzen op de verdere vermilitarisering van dat apparaat, op hun wenken werden bediend. Onder andere volgens een verslag van de Volkskrant van 5 januari 1977 merkte de Minister op, dat ervoor gewaakt moest worden dat bij de afbakening van de politietaak ten opzichte van die van de krijgsmacht, de werkzaamheden van de politie te veel worden verschoven naar gebieden waarbij nauwelijks toepassing van geweld nodig is.

De dienstverlenende taak van de politie mag, zo zei hij, de aandacht niet afleiden van de primaire taak: het verzekeren van orde en veiligheid. Bekende geluiden uit een triest verleden. Over welzijnswerk - dat werd toen ook nog even bij de kop gepakt - merkte hij op, dat de afgrenzing van de dienstverlening ten opzichte van het welzijnswerk veel strakker moet worden. Hij gaf waarschuwing dat de neiging er was om de politie zo civiel te maken, dat er nauwelijks verschil meer is tussen de politie en de echte welzijnswerker. Ja, dan komt er nog iets dat hier staat en ook als het er niet stond zou ik het opmerken: onvoorstelbaar griezelig was het ook, dat blijkens het verslag de toespraak van de Minister herhaaldelijk ovationeel werd onderbroken. Een Minister van Justitie die door politie-ambtenaren stormachtig wordt toegejuicht, is op zichzelf al een zeer verontrustend verschijnsel. Dat er concreet hulpverleningswerk wordt gedaan ten behoeve van de bevolking zou kunnen blijken uit een experiment, waarbij de Utrechtse zeden- en kinderpolitie onder leiding van mijn collega mej. Visser was betrokken; u heeft daar mogelijk kennis van genomen. Vanwege de tijd zal ik ermee volstaan op te merken, dat er op dat punt een brede basis is gevonden om mensen te gaan helpen die bij de politie komen, verkerende in een noodsituatie. Maatschappelijk werkers in Utrecht hebben zich daar kunnen vinden om op de meest adequate wijze hulp te verlenen. Het is begonnen als een experiment en uiteindelijk omgezet in een vaste procedure.

Omtrent hulpverleningszaken zou ik ook verder willen wijzen naar wat o.a. in Den Haag plaatsvindt, waar het instituut wijkagent nogal is uitgediept. Degenen die belangstelling hebben zou ik willen verwijzen naar 'Justitiële verkenningen', documentatieblad van het Ministerie van Justitie en dat was nr. 9 van 1976, waarin een uitgebreide verhandeling is te vinden over de hulpverlening door de politie. Wat betreft de politie Den Haag zou ik een korte passage uit dat blad nog even willen aanhalen. U merkt dat ik die passage nu aan het opzoeken ben. Ik dacht toch zeker dat hij stond op blz. 422. Dat bleek niet zo te zijn. Het was ook niet 423. Het was ook niet 424. Ik kom er straks na afloop van de vergadering nog wel op terug. Dan zie ik dat de tijd erg voortschrijdt en in verband met een aantal vragen, dat mij vanmorgen al bereikt heeft, zou ik in grote lijnen willen afronden. Wat betreft de hulpverlening van de politie, zou ik nog willen zeggen, dat op dat punt geen geïntegreerd beleid wordt gevoerd. Er wordt wel hulp verleend op allerlei manieren, maar nog altijd is het zo, dat duidelijk blijkt dat men die hulpverleningstaak, die in de wet niet nader is omschreven, naar eigen believen kan interpreteren. Er zijn nu eenmaal mensen, die sociaal voelen en er zijn nu eenmaal mensen, die dat niet zo hebben en het gevolg is vaak, dat bijzonder veel mensen in nood tussen de wal en het schip blijven vallen. En wat dat betreft kan er nooit genoeg aandacht, ook vanuit deze bijeenkomst, worden gegeven aan de sociale taal van de politie.

Wat betreft specifiek hulpverleningswerk en vanwege mijn dagelijks werk, wil ik dat toch zo wel noemen, merk ik op dat er ten aanzien van andere relatievormen dan de gebruikelijke om dat zo maar weer aan te duiden, ontstellend veel onbegrip is, buiten het politie-apparaat, maar ook binnen de politie. Op zichzelf geen wonder, want, zoals ik bij andere gelegenheden ook wel eens heb gezegd, de politie is een afspiegeling van de bevolking en naar mijn overtuiging in het bijzonder van het groepje, dat je zou kunnen aanduiden als zwijgende meerderheiders.

In een artikel in Sekstant van februari van de hand van Rudie Kagie is aan de orde gekomen het fungeren van de zedenpolitie. En ik begin daarover te praten, omdat naar mijn mening de hulpverlening of vorm van hulpverlening, die met name vanuit gespecialiseerde takken van dienst op het terrein van de zeden kan worden gegeven, ik zeg niet dat die altijd wordt gegeven, maar kán worden gegeven, van erg veel belang is of kan zijn. Dat dat werk zo niet wordt gefrustreerd dan toch op verschillende punten in de lucht komt te hangen komt doordat degenen die leiding geven aan een aantal korpsen of eventueel speciale afdelingen, vaak mensen blijken te zijn voor wie het werkelijk leven op het terrein van de seksualiteit voorbijgaat. Uit dat artikel wordt duidelijk wat voor onvoorstelbaar gedoe het is bij degenen die de Nederlandse politie als korpschef vertegenwoordigen op het terrein van - zo zou je het ook kunnen noemen - de menselijke betrekkingen, de menselijke relaties. Voor enkelen, die het al wisten, was het artikel niet verrassend. Overigens zou ik zeggen, het is verrotte goed van Rudie Kagie geweest om zo eens in het land te peilen, want dan komt ook werkelijk naar buiten hoe de werkelijke verhoudingen zijn. En dat is winst. Ik zou ook willen zeggen: hier kan de winst worden uitgeteld. Er kan namelijk blijken hoe o.a. bij de Nederlandse politie in leidinggevende kringen over dit aspect van onze samenleving wordt gedacht. Ik zou bijzonder graag zien dat vanuit degenen die deze bijeenkomst hebben georganiseerd naar de politie toe alle mogelijke informatie wordt gegeven en ik geloof dat dat rechtstreeks mogelijk is. Het kan ook via een andere weg, bijvoorbeeld via ter zake kundige vertegenwoordigers van de bevolking, zoals sommige leden van de Staten-Generaal of dergelijke.


Hier is een mogelijkheid om datgene wat niet bekend is, die taboesfeer, te doorbreken met name op het gebied van de pedofilie. In het naar mijn mening ook voor veel buitenstaanders zo duidelijk rapport 'Pedofilie en Samenleving' wordt hierop ook nog even de aandacht gevestigd. Er staat o.a.: Het gebrek aan objectieve informatie en de moeilijkheid om in de huidige situatie zulk een informatie beschikbaar te krijgen, maakt het bijna niet mogelijk om de stigmatisering en het stereotype beeld te veranderen zolang die zedenwet bestaat. Het enige dat aan deze cirkel kan ontbreken zal waarschijnlijk de informatie over zichzelf zijn die pedofielen kunnen geven. Daarom is het belangrijk dat zij zich verenigen - ik zou io dit punt willen zeggen "pedofielen aller landen verenigt u" - zo nodig met hulp vanuit de geestelijke gezondheidszorg of het welzijnswerk, om te kunnen nagaan op welke wijze en bij wie zij die informatie veilig kunnen geven.

Ik vond het erg plezierig dat ik gistermiddag op het bureau in de bus kreek een brief van de NVSH, afdeling Rotterdam, waarin dan in ieder geval de zedenkinderpolitie Rotterdam werd uitgenodigd om deel te nemen aan het werk in een groep dit onderwerp betreffende. Ik heb nog niet kunnen antwoorden, er is pas één nacht slapen tussen verlopen. Ik zou bij deze willen zeggen: "Wij doen mee". Er zit een aantal mensen van de zedenkinderpolitie Rotterdam in de zaal. Als gebruikelijk zal ik ook nu niet autoritair zijn en zeggen: "Jullie willen zeker wel in die werkgroep gaan zitten".

Tot slot van dit onderdeel zou ik willen opmerken: Hulp moet verleend worden, maar zeker ook aan de politie. Ik zou dat even willen illustreren met een voorbeeld, heel simpel, maar ik vind het toch wel treffend. Kort geleden kreeg ik de mededeling, dat op een cursus die wordt gehouden om je in een bepaald vak in een bepaalde vakrichting verder te bekwamen van de ongeveer 20 aanwezige politiemensen, die al meer dan drie jaar praktijkervaring op straat hebben gehad zoals dat heet, slechts 2 à 3 mensen iets wisten van het begrip pedofilie. Van die 2 à 3 was er één bij de zedenpolitie en hoe kan het anders, zedenpolitie van Rotterdam. Voor degenen, die mij niet goed kennen, dit laatste meen ik niet serieus. Wederzijdse verwachtingspatronen stond ook als thema aangegeven en ik zou wat dat betreft nog een aantal wensen naar voren willen brengen, die ik van de zijde van de werkgroep pedofilie heb gekregen. Ik kan niet anders zeggen, een aantal daarin vervatte punten is mij niet alleen uit het hart gegrepen, maar geeft de werkelijkheid zo treffend weer: 1. Geen arrestaties op het werk of met grof geschut van huis halen in verband met de sociale consequenties; 2. Niet laten misleiden door emotionele morele verontwaardiging van ouders of anderen die het delict aangeven. Er kunnen andere factoren zijn, die aangifte ten gevolge hebben; 3. Ouders wijzen op schadelijke gevolgen van het verhoor hoe vriendelijk ook afgenomen. Het kind ervaart seksualiteit en criminaliteit vaak als één door het gehele tumult wat veel schade kan geven.

Inderdaad, zou ik willen zeggen, hoe vaak blijkt niet dat ouders veel meer overstuur zijn dan het kind ooit zou kunnen worden. Het kan een zeer reële reden zijn om af te zien van het verhoor; 4. Ouders er vooraf op te wijzen, dat kinderen niet verhoord behoeven te worden als de ouders dat niet willen; 5. Seksualiteit met meisjes tussen 12 en 16 is een klachtdelict. De politie houdt zich daar niet aan, meestal. Alleen de ouders hebben het recht om aan te geven. De ouders moeten daarop worden gewezen; 6. De politie moet zich houden aan de wet als ze een verhoor afneemt. Geen dreigementen noch naar het kind noch naar de volwassene toe; 7. Onderscheid maken tussen geweld - geweldloos, éénmalig - langdurige relatie, niet wederkerig (dwang) tegenover werderkerig, ontucht tegenover liefdeshandeling, menselijke handeling; 8. Bij ondervraging van het kind geen suggestieve vraagstelling in de zin van "en toen moest ik dit en toen moest ik dat doen". Dit is belangrijk, omdat er binnen de werkgroep mensen zijn die de zaak principieel willen verdedigen. Dat blijkt ook al, dacht ik, uit de uitwerking van dit punt in het tweede nummer van 'Niks'. Ik weet niet of iedereen weet dat niks niks is, wat ik niet bedoel maar wat 'Niks' is, bedoel ik. Dat is een ook de politie tot op heden in beperkte mate toegezonden orgaan van de NVSH landelijke werkgroep pedofilie. Naar Integratie KinderSeksualiteit; 9. Meer kennis omtrent pedofiele relaties. Wat deze relaties werkelijk voor het kind en voor de volwassene betekenen; 10. Een beter contact met de werkgroep: a. Voorlichting, aan politie zelf of eventueel ingeschakeld worden als politie zelf voorlichting geeft; b. Contact als politie met pedofilie te maken krijgt en er zelf problemen mee heeft (moeilijke gevallen); c. De volwassenen wijzen op de werkgroep en eventueel ook de ouders.

Als elfde en laatste punt: Bezinning bij de politie, hoe zij zou kunnen meewerken de zedelijkheidswetgeving te veranderen. In dit verband wil ik toch ook nog even melding maken van een brief - één van een aantal brieven, die ik de laatste tijd in mijn bezit heb gekregen - van een mijnheer uit Amsterdam die mij schrijft, ik haal het belangrijkste eruit: "Het is mij met gesprekken met medeleden van de bovengenoemde werkgroep gebleken, dat een wel zeer gevoelig punt is de behandeling van de partners van verdachten door de politie. Juist in 'sympathieke' gevallen waar sprake is van een langere gevoelsmatige relatie met een jongere, zal die jongere de erotische kant van het contact tegenover de politie zolang mogelijk willen verzwijgen. Uit gesprekken met (vroeger) minderjarige getuigen, is mij gebleken dat de politie dan werkelijk alles doet om de 'zaak' rond te krijgen, waarbij de jonge getuige dikwijls sterker onder druk wordt gezet dan de verdachten. Het is mij als ik enkele details mag noemen, bekend dat getuigen dan diverse malen van school werden gehaald voor verhoor, de ouders werden geconfronteerd met naaktfoto's van hun kinderen, dat een jonge getuige in verband met een relatie met een oudere man kreeg te horen dat hij wel homo zou zijn, dat een andere jonge getuige te horen kreeg dat zijn volwassen vriend voortvluchtig was, een andere, dat zijn vriend zelfmoord had willen plegen, in alle gevallen onwaarheden door de politie geuit om de onwillige jongens tot spreken te brengen. Als bij vervolging in het kader van artikel 247, vroeger ook 248 bis, het belang van de jongere voorop zou staan, zou toch een dergelijke bewerking van de jeugdige partners achterwege dienen te blijven. Andere gevoeligheden, maar dan de verdachten betreffende, zijn b.v. het ophalen van verdachten van het werk, dikwijls door 3 rechercheurs, waardoor men bij de werkgever in een vroeg stadium op de hoogte is. Nota-bene, terwijl de aanklacht ongegrond zou kunnen zijn, de zaak kan worden geseponeerd of wel dat na voorlopige invrijheidstelling een alleen voorwaardelijke straf zou kunnen volgen, waarbij het toch in het algemeen belang is, dat de verdachte zo lang mogelijk in zijn werkkring kan worden gehandhaafd. Verder het ophalen laat in de avond, waarbij op luide toon vragen en opmerkingen worden gesteld, waardoor, ook weer in het eerste, meest gevoelige stadium, derden op de hoogte worden gebracht van gevoelens of feiten inzake de verdachte. Het zou toch mogelijk moeten zijn dit ophalen van verdachte te beperken tot gevallen, waarin geen gehoor is gegeven aan een oproep om langs te komen voor het geven van inlichtingen. Bij de meeste pedofielen leeft de gedachte, stoelend op bittere ervaringen, dat de politie in zijn jachtinstinct alles doet om de zaak rond te krijgen ter detrimente van verdachte en dikwijls van de getuigen". Einde citaat.

Ik wou hierbij nog aanstippen dat angst voor de gevolgen bij mensen ontzettend groot is, wat in de praktijk mij en vele andere collega's is gebleken. Dat is één van de ontzettende dingen die gebeuren en iedereen uit het apparaat zal zich erop moeten richten om dat onvoorstelbare gevoel weg te halen, dat zo frustrerend werkt op relaties in welke verbanden dan ook. Tot slot van dit gedeelte zou ik nog willen opmerken, dat die angst vaak inhoudt het geregistreerd worden. Dat is een zeer reële zaak, want in Nederland is het zo, dat veel mensen niet weten dat ze in de registers vóórkomen. Je kunt in die registers staan, omdat je bijvoorbeeld een strafrechtartikel hebt overtreden; je kunt ook in de registers voorkomen, eenvoudig omdat je een andere maatschappijvorm voorstaat. Bij andere gelegenheden heb ik er al eens op gewezen: Op dit punt gebeuren er in Nederland onvoorstelbare zaken. Ik wijs in dit verband dan terloops ook nog maar even op het vrijwel zonder democratische controle kunnen werken van inlichtingendiensten, zoals BVD en plaatselijke inlichtingendiensten, onderdelen van de Gemeentepolitie of van de Rijkspolitie, CIA-instituties dus. Er is nog wel het een en ander te zeggen o.a. over het beleid dat gevoerd wordt van de zijde van justitie. Dat wou ik niet doen en niet zozeer vanwege gebrek aan tijd, wat overigens een rol speelt, maar meer vanwege het feit dat al enkele dingen aan de orde zijn gesteld, die zodanig, voor mij in ieder geval, essentieel zijn, dat ze hopelijk verder inzicht geven in wat er allemaal aan de hand is.

Ik zou willen besluiten met een passage aan te halen uit één van de verrukkelijke boeken van Belcampo, het verhaal 'Legende', waarin staat (ik zou zeggen, iedereen kan daarin een gelijkenis zien met bestaande toestanden of personen): Een andere keer zag hij de heilige Prudentiana in haar tuintje bezig alle bloemen broekjes en rokjes aan te trekken om de meeldraden en de stampers te bedekken en de bestuiving tegen te gaan.

Dank u wel!

bron: Artikel 'De politie als hulpverlener' door Bouwe Kalma (hoofdinspecteur/chef van de afdeling zeden- en kinderpolitie te Rotterdam); Congresbundel Pedofilie & Samenleving; Uitgave NVSH-LWP 1977; RAI Amsterdam; 19 maart 1977